Onderzoek Journalistiek & Internet
Journalistiek en Internet: samenvatting
In de maatschappelijke informatievoorziening vervullen journalisten een belangrijke intermediaire rol in het verspreiden en bewerken van publieke informatie. Er zijn nog maar weinig harde cijfers bekend over de journalistiek in Nederland in relatie tot het internet. Wat voor webbronnen gebruiken journalisten? Hoe gebruiken ze internet? Hoeveel redacteuren zijn er werkzaam bij een site? Door dit onderzoek wordt volgens het Bedrijfsfonds een bijdrage geleverd aan het inzicht in de ontwikkeling en het functioneren van de (internet)journalistiek.
Vier jaar lang zijn vanaf het vaste honk Villamedia.nl meer dan duizend artikelen geschreven over de gevolgen van internet op de journalistieke praktijk, de journalistieke ethiek en de journalistieke onafhankelijkheid. Wetenschappers van de Radboud Universiteit in Nijmegen hebben tussen 2002 en 2006 het internetgebruik bekeken van bijna 700 journalisten. Anderen zijn aan de slag gegaan met een vragenlijst over de werkwijze van meer dan 220 internetredacteuren, van wie 130 vertellen over de ethiek van het vak. Netkwesties is ingeschakeld voor een onderzoek naar de kansen en bedreigingen van internet en samenhangende technologie voor journalistiek en persexploitatie. Traditionele uitgevers zien de overgang van massaal naar persoonlijk uitgeven zich niet op revolutionaire wijze voltrekken, is een van de conclusies. Internetspecialisten bij radio, tv, kranten geven hun mening in een serie interviews. Een paar uitspraken vindt u terug in dit rapport, de volledige interviews zijn na te lezen op het web. Redacteuren spraken deskundigen over mediaconvergentie, internetcensuur, websoftware en andere onderwerpen.
=== Als je een multimediale organisatie wilt zijn, moet je zorgen dat de redacteuren er in gaan geloven.
Pieter Kok, uitgever van De Volkskrant (2006) ===
Dit rapport is het laatste in een serie van drie. Het gaat over de gevolgen van internet op het dagelijkse werk van de Nederlandse journalist. Om met het Bedrijfsfonds te spreken: daarover is nog niet zoveel geschreven. Hoe heeft de komst van internet de journalistiek, het proces achter de journalistiek en de werkwijze van de journalist beïnvloed? Tussen 2002 en 2006 is het besef gegroeid dat een journalistieke organisatie op het web moet zijn. Hoe ziet die aanwezigheid er uit?
In ‘Internet als bron’ wordt de vraag beantwoord in welke mate journalisten voor hun producties op internet leunen. Wie de gemiddelde internetredacteur is, staat in ‘Internet als publicatiemiddel’.
‘Grenzen voor het web’ gaat in op beloften, ethiek, de grenzen aan lezersparticipatie en convergentie. ‘Internetscholing’ vertrekt vanaf het sombere moment (2003) dat er nauwelijks belangstelling meer was voor opleidingen in internetjournalistiek.
Lees hier de gehele samenvatting van Henk van Ess in Word.
Henk van Ess' Aanbevelingen
1. De NVJ zou naar Deens voorbeeld internetcursussen inzet kunnen maken van cao-besprekingen. Nieuwsorganisaties maken in dit scenario gedurende een periode van drie jaar een inhaalslag door trainingen en bijscholing te volgen op het vlak van internetvaardigheden.
Vooraf is verder onderzoek nodig naar de kwaliteit van kennis van het web onder journalisten. Met een dergelijke studie kan worden vastgesteld waar de gaten vallen en hoe ze gedicht kunnen worden. De NVJ kan helpen bij het formuleren van criteria voor verantwoord gebruik van internet voor journalisten.
2. De NVJ zou op het web zelf meer informatie moeten geven over deskundig en verantwoord internetgebruik, al dan niet in samenwerking met andere organisaties. Een permanent kenniscentrum draagt bij aan kritischer en slimmer gebruik van internet.
3. Het Amerikaanse evaluatieonderzoek van Nora Paul naar de grenzen van het web zou ook in Nederland gehouden moeten worden.
4. Het kwantitatief onderzoek naar internetjournalistiek is te mager. Zo is niet bekend hoeveel journalisten bij websites van tijdschriften werken. Onderzoek naar de personeelsterkte per medium geeft meer inzicht in het aantal redacteuren dat wel/niet nodig is om een bepaald publiek te kunnen bereiken.
5. De NVJ wordt opgeroepen om een redactiestatuut of gedragscode te entameren voor internetjournalistiek, vooral op het vlak van copyright en schotten tussen commercie/redactie.
6. Een onderzoek naar aard en omvang van de opleidingsbudgetten van Nederlandse media moet meer inzicht geven of de beroepsgroep in de pas loopt met het Nederlandse bedrijfsleven.
7. Hoofdredacties worden opgeroepen om een eigen Medialab op te richten waarin koplopers van de krant samen met eventuele externe deskundigen verder vorm geven aan de kennisverbreding onder redacteuren. Met regelmatige cursussen, nieuwsbrieven en tips ontstaat meer draagvlak voor verantwoord gebruik van internet als bron en als publicatiemiddel.
8. Een permanent roulatiesysteem, waarbij per redactie iemand drie maanden wordt toegevoegd aan de internetredactie, verbetert de interne samenwerking tussen oud en nieuw medium.
9. Hoofdredacties worden opgeroepen om een inventarisatie te maken van knelpunten in het dagelijks internetgebruik. Zo is het niet bij elk nieuwsmedium mogelijk om audio en video af te spelen, zijn mailboxen te krap, is de internetverbinding te traag of hapert het content management systeem.
10. De ontwikkelingen op internet gaan nog steeds zo snel, dat een aparte hoofdredacteur multimedia geen luxe is. Hoofdredacties worden opgeroepen om meer tijd uit te trekken voor het (her)formuleren van internetbeleid.
Interview met Roeland Stekelenburg
Roeland Stekelenburg was van eind 2003 tot begin 2006 adjunct-hoofdredacteur bij AT5. Sinds enkele maanden is hij hoofd nieuwe media bij de NOS. Een gesprek over de NOS als 24-uurs nieuwsorganisatie, de publieke taak van de publieke omroep en de veranderde taak van de journalist. "De tijd dat de journalist een hapklare brok maakte uit het enorme nieuwsaanbod is voorbij."
In juni 2006 bent u van start gegaan als hoofd nieuwe media bij de NOS. Wat trof u aan?
Roeland Stekelenburg: "De NOS is binnen het publieke domein de grootste op nieuws gerichte organisatie. De omroep heeft een groot potentieel en een journalistieke cultuur. Maar het is ook een organisatie die traditioneel gericht is op de oude media: televisie en radio. De afgelopen jaren is er een enorme operatie geweest die erop is gericht om crossmediaal te gaan werken. Dat gebeurt echter nog maar zeer ten dele. Vandaar ook mijn komst. We kunnen niet volstaan met het heruitzenden van ons materiaal op internet. Internet moet een volwaardig medium worden voor de NOS. Voor verschillende distributievormen heb je verschillende vormen van verslaggeving nodig. Ik moet nieuwe media bij de NOS de plek geven die het verdient."
Hoe doet u dat?
"Ik heb geen strijdplan dat ik punt voor punt afwerk. Ik zie mijn rol meer als een soort Haarlemmerolie. Het is belangrijk dat mensen de mogelijkheden gaan zien en benutten."
Wat zijn die mogelijkheden in de praktijk?
"Multimediaal werken betekent dat mensen die vroeger gewend waren om een radioreportage te maken, nu misschien ook iets voor internet moeten doen. Of dat de correspondent in Londen die eerst een reportage maakt voor het Journaal, zijn ruwe materiaal nu gebruikt voor een lange versie voor internet. Of dat een onderwerp dat buiten de Journaal-uitzending valt op de site wordt gezet. Dat is allemaal nog niet vanzelfsprekend.
"Internet biedt allerlei nieuwe kansen. Nu moeten we bijvoorbeeld nog het verslag van een Kamerdebat aan het eind van de middag afbreken omdat de normale programmering weer doorgaat, maar het is natuurlijk ook mogelijk om de kijkers door te verwijzen naar internet waar de uitzending gewoon doorgaat. Je ziet dat die omslag in denken nu plaatsvindt."
Zijn de werknemers bij de NOS overtuigd van het nut van multimediaal werken?
"Ja. Het grootste deel van de mensen denkt multimediaal en snapt waar het heen gaat. Maar nog niet iedereen heeft de stap gezet om die ideeën in de praktijk te brengen. Dat heeft ook zijn tijd nodig. Het moet geen verplichting zijn voor werknemers. Ik probeer de mensen om me heen te verzamelen die het leuk vinden om met internet te werken."
Het lijkt me lastig voor journalisten om allerlei nieuwe vaardigheden onder de knie te krijgen.
"Ja, dat gaat niet vanzelf. In 1998 was ik de eerste Nederlandse verslaggever die met een DV-camera op stap ging en op een Apple filmpjes monteerde. Nog steeds is het lastig om een verslaggever te vertellen dat hij op zijn computer iets moet monteren. Maar over tien jaar zal dat de gewoonste zaak van de wereld zijn. Net zoals je je nu ook niet meer kunt voorstellen dat je geen e-mail hebt. Nieuwe vaardigheden worden langzaam gemeengoed."
Bestaat er een verschil tussen generaties?
"Voor jonge verslaggevers die hier nieuw binnenkomen, is het vanzelfsprekend om multimediaal te denken. Ze zijn opgegroeid met internet. Voor de oudere generatie ligt dat natuurlijk anders. Je kunt ook niet van mensen die tegen hun pensioen zitten, verwachten dat ze ingewikkelde nieuwe dingen gaan leren. Onze correspondent in Londen, Tim Overdiek, doet meer multimediaal dan Eddo Rosenthal."
In elke organisatie waar dit soort veranderingen plaatsvinden, bestaat conservatisme. Hoe is dat bij de NOS?
"Ook bij de NOS heb je mensen die redeneren dat een kijker naar de internetstream van de Haarlemse Honkbalweek 's avonds niet naar de samenvatting op tv zal kijken. Tegelijkertijd merk je ook dat de feedback van kijkers en luisteraars toeneemt door het internetgebruik."
Wat is de belangrijkste verandering geweest voor de NOS de afgelopen jaren?
"De NOS is bezig een 24-uurs nieuwsorganisatie te worden. Traditioneel had je een paar belangrijke ankers: het 6 Uur Journaal, het 8 Uur Journaal en het 10 Uur Journaal. Vroeger was het daarom vrij normaal om een scoop die je om 11 uur 's ochtends had tot 8 uur 's avonds stil te houden. Maar dat is niet meer van deze tijd. Op internet gaat het om snelheid. De beste nieuwssites hebben het nieuws het snelste. Dat geldt in toenemende mate ook voor televisie. De nieuwsbulletins die we overdag uitzenden, hebben de organisatie gedwongen om op een andere manier te denken."
Gaan journalisten een steeds belangrijker rol spelen bij het maken van een selectie uit het enorme nieuwsaanbod?
"Integendeel. De tijd dat de journalist een hapklare brok maakte uit het enorme nieuwsaanbod is voorbij. Kijkers en luisteraars hebben nu rechtstreeks toegang tot de informatie waar de journalist gebruik van maakt, buitenlandse media bijvoorbeeld. Dat betekent dat je zelf de keuze uit het nieuws kunt maken, daar heb je de journalist niet meer voor nodig."
Toch maakt het 8 Uur Journaal nog altijd die keuze.
"Televisie blijft traditioneel. De tijd en mogelijkheden zijn beperkt. De kijker van het 8 Uur Journaal verwacht ook dat Philip Freriks gaat vertellen wat er die dag is gebeurd, in volgorde van belangrijkheid. Op internet werken andere mechanismen. Niet het belangrijkste nieuws staat bovenaan, maar het laatste."
Als het selecteren van nieuws minder belangrijk wordt, wat is dan wel de taak van de journalist?
"De rol van de journalist wordt steeds meer het analyseren en duiden van nieuws. Als journalist moet je zorgen dat de gebruiker begrijpt dat een incident meer is dan dat, dat het altijd binnen een context past. Vergelijk het met een live verslag op tv van een grote gebeurtenis. Bij de moord op Theo van Gogh werkte ik bij AT5. Zulk nieuws dendert de hele dag door. Maar op een gegeven moment moet wel iemand bedenken dat je het nieuws moet samenvatten. Bij de kijker bestaat de behoefte aan een bulletin waarbij we twee stappen terugdoen en het nieuws proberen te duiden.
"Het grote gevaar van 24-uurs journalistiek is dat de waan van de dag nog dominanter wordt. Vroeger was dat gevoel er alleen op de dagen dat de pleuris uitbrak, zoals bij de moord op Van Gogh, nu dreigt dat een soort permanente state of mind te worden. Kwaliteitsmedia moeten zichzelf daarom dwingen om af en toe een stap terug te doen en afstand te nemen."
Commerciële concurrenten klagen wel eens over de overheidssteun aan de publieke omroep. Dat oneerlijke concurrentievoordeel van de publieke omroep geldt natuurlijk ook op internet.
"Het is misschien ten dele het geval dat belastinggeld voor de publieke omroep de markt verstoort. Aan de andere kant doet de NOS veel dingen die in een commerciële omgeving nooit zouden kunnen. Op internet hebben wij bijvoorbeeld de algemene beschouwingen integraal uitgezonden. Een typisch publieke taak, die wij dus ook op internet serieus nemen. Ook besteden we veel tijd en geld aan innovatieve initiatieven. Van de kennis die we daarbij opdoen kunnen ook andere partijen gebruik maken. Wij hebben geen bedrijfsgeheimen en leven daar ook naar. Wij willen ons concentreren op innovatie zodat anderen daarvan kunnen profiteren. Laat ons die verliesgevende pilots maar doen."
Zijn de nieuwe nieuwsbronnen op internet concurrentie voor de NOS?
"Nee, dergelijke initiatieven zijn geen bedreiging voor de NOS. Als er niets aan de hand is, is het natuurlijk leuk om op GeenStijl gekke berichtjes te lezen, maar dat is geen concurrentie. Het belangrijkste kenmerk van de NOS is dat je ons kunt vertrouwen. We zijn gedegen, betrouwbaar, de informatie is gecheckt. Mensen associëren dat misschien af en toe met saai en belegen, maar op het moment dat het er echt toe doet – als ergens de pleuris uitbreekt – dan gaan mensen toch naar de NOS."
Toch gaat het ook bij de NOS wel eens fout. Onlangs meldde Teletekst ten onrechte dat de burgemeester van Utrecht was overleden.
(Lacht als een boer met kiespijn) "Dat was een foutje. Maar serieus: in elke organisatie gaat wel eens wat fout, maar wij proberen die fouten te beperken en ervan te leren. Het nieuws op internet en op Teletekst moet in dezelfde routine zitten als het tv-nieuws. Het verifiëren van berichten blijft ontzettend belangrijk. De NOS zal daardoor niet altijd de snelste zijn. Een ANP-bericht is voor ons niet altijd genoeg om te publiceren. Voor Nu.nl is dat wel het geval: die plaatsen dat gewoon één op één. De gemiddelde gebruiker kan niet goed het onderscheid maken tussen een serieus bericht en roddels en verzinsels. Daarom moeten wij heel zuinig zijn op ons merk en uiterst zorgvuldig te werk gaan. Juist in het internettijdperk."
De internetversie van Teletekst is één van de best bezochte Nederlandse nieuwssites. Opmerkelijk.
"Helemaal niet. Teletekst past juist heel goed bij deze tijd. Je ziet het ook aan Metro en Spits: er is een tendens dat mensen kort en snel nieuws willen."
Is het succes van Teletekst niet een beetje zuur voor de redacteuren die lange verhalen voor de NOS-site schrijven?
"Nee, dat is totale onzin. Dat is een totaal andere dienstverlening. Veel mensen willen alleen eerstelijns nieuws. Net zoals ik doordeweeks alleen de koppen scan en geen zin heb om de hele Volkskrant te lezen. In het weekend daarentegen vind ik het wel weer prettig om uitgebreid de krant te lezen."
Krijgen jullie veel reacties van het publiek?
"We krijgen heel veel reacties. Meestal gaan die over technische problemen en niet-werkende plug-ins."
En hoe staat het met de inhoudelijke reacties? De NOS heeft een online forum.
"Het risico van een forum is dat het in bezit wordt genomen door een bepaalde groep. Op het forum van de NOS is een clubje dat alles van de NOS klote vindt. Die vinden ons een links bolwerk. Dat mag je vinden, we leven in een vrij land."
Blijkbaar voorziet het forum voor die mensen in een behoefte.
"Er is duidelijk vraag naar de mogelijkheid om anoniem te chatten. Maar ik vraag me af of dat nou zo belangrijk is op de site van een nieuwsorganisatie. Door de anonimiteit van de gebruikers op ons forum hebben de reacties voor mij minder waarde. Ik neem iemand die belt en zich netjes voorstelt een stuk serieuzer dan iemand die anoniem blijft en zijn complete frustratie over ons uitstort. Aan dat laatste heb ik eerlijk gezegd niet zo'n boodschap. Als je vindt dat we het niet goed doen, zet dan ook je naam en telefoonnummer erbij."
Op weblogs wordt ook van alles geroepen over de NOS. Volgt u die discussies?
"Zeker, dat houd ik wel in de gaten, al zijn er geen vaste blogs die ik bezoek. Ik ben zo iemand die het leuk vindt om 's avonds nog een paar uur te surfen. Daardoor kan ik ook gevoel houden met wat er gebeurt. Het is leuk om die discussies te volgen. Webloggers zijn toch een andere generatie. Ik kan het me niet permitteren om het contact daarmee kwijt te raken."
Interview met Joris van Heukelom
'Journalistiek moet nieuwe vormen omarmen'
Joris van Heukelom (37) is sinds 20 juli 2006 zal Joris van Heukelom in dienst treden bij KPN als Directeur Content voor TV & Media. Hij is verantwoordelijk voor de 'de verdere ontwikkeling en invulling van de content strategie', en daartoe behoren onder meer Mine TV en Planet.nl. Daarvoor was hij een jaar werkzaam als directeur TV bij BNN, maar zijn faam als multimediaman dankt hij aan acht jaar MTV Networks Benelux, eerst verantwoordelijk voor multimedia content en marketing. Daarna voor alle content in de Benelux zowel op tv als andere platformen Van Heukelom, Vlaming, studeerde Communicatie aan de universiteit van Leuven en Marketing & Advertising in Brussel verknocht aan Amsterdam, spreekt hieronder op persoonlijke titel.
Wat neemt u tot u aan journalistiek?
"Klinkt misschien vreemd, maar ik ben een teletekstman. In m'n tijd bij tv-zenders stond teletekst de hele dag aan want bood het hoogst noodzakelijke nieuws. Wil ik dan meer weten dan surf of zap ik verder. Nu doe ik dat met mijn mobiel. In het weekend lees ik Volkskrant en Parool, soms NRC Handelsblad. Als er belangrijke kwesties zijn dan koop ik wat meer kranten om de verschillende invalshoeken te vernemen. Het is wel mooi om te zien dat als het echt heet wordt met onderwerpen kranten toch weer terugkeren naar hun eigen hoek, hun bakermat. Dan treedt ideologie weer naar voren. Verder luister ik veel radio omdat ik veel in de auto zit. Ik schakel tussen BNR Nieuwsradio en Radio 1. BNR vind ik handig omdat het snel het belangrijke nieuws biedt. Radio 1 biedt meer de verdieping. Ik vind dat ze elkaar goed aanvullen. Ik voel wel dat Radio 1 iets BNR's heeft overgenomen de afgelopen tijd. Ik betwijfel of ze dat moet doen.
Belgische media nog via mobiel, internet, tv of de kiosk?
"Nee, vrijwel niets. Waarom niet? Dat is een hele persoonlijke vraag. Ik denk dat ik in zes jaar tijd toch Nederlander ben geworden. Wel kijk ik op zondagavond Belgische televisie. Dat is gewoonte sinds mijn jeugd. Dat is emotie. Elke zondagavond is er Belgische televisie, punt. Dat gaat nooit meer weg. Maar bijvoorbeeld bij een Belgisch Journaal hou ik het zelden droog, en dan niet van het huilen. Ik hou van België, en uiteindelijk ga ik terug, maar het is een grappig, prachtig circus. Canvas doet het goed, beter dan Nederland 2. Canvas neemt veel over van bijvoorbeeld de BBC. Als dat de hoogste kwaliteit is kun je dat beter erkennen en je kijker daarmee verwennen dan zo nodig alles zelf te moeten maken.
Maar het krantenlandschap in België is verder ontwikkeld dan het Nederlandse. Het is meer gesegmenteerd, de titels hebben beter hun eigen posities ingenomen en keuzes durven maken. Een krant als De Morgen was op sterven na dood, en is door de rechtse uitgever Van Thilo in het linkse segment tot een succes gemaakt. In Nederland is men zo ver nog niet, ook niet op televisie. Maar Vlaanderen is ook koppig in de standpunten, daar sluiten de media op aan."
Wat denkt u over het voortbestaan van kranten?
"Ik ben een van de weinige mensen die al een paar jaar roept, en dat houd ik vol, dat klassieke krantenuitgevers toch nog een heel lang leven beschoren kunnen zijn. Om twee redenen. De eerste reden is het feit dat als je rondloopt op een krantenredactie in zijn volledige strekking er een sterke concentratie is op de creatie van content. De krant is slechts een verschijningsvorm, die van papier. Dat zal eerst verminderen tot vooral papier in het weekend, iets dat je nu eigenlijk al ziet. Ten tweede vervult een krant ook een sociale en emotionele behoefte. Het kunnen pakken van een krant op zaterdag- of zondagmorgen verschaft veel mensen een groot genoegen. Uitgevers en journalisten moeten een mentale slag maken om veel breder in verschijningsvormen te gaan denken. Want grote veranderingen komen er zeker."
Welke veranderingen met media voltrekken zich, van een afstand beschouwd?
"Tot 2000 was succes in media veelal gebaseerd op distributiekracht met kranten en ook met radio. Daar kon je lang op drijven. Neem Lex Harding die dat heel goed begreep met Veronica en later 538. Distributie was kracht en die positie moest je veroveren, dan zat je gebeiteld.
De afgelopen jaren is de exclusiviteit van distributiepositie afgebrokkeld. Dat gaat nog steeds door, tot en met de 'user generated content': de consument zelf is in staat, op steeds grotere schaal dankzij het internet, om content te produceren en distribueren. Verschillende media komen in een nieuw bestel waarin de consument je succes bepaalt en niet meer je exclusieve distributiekracht."
Welke personen en houding vraagt dat?
"Je hebt mensen nodig die, veel meer dan vroeger, vertrekken vanuit de lezer, kijker en consument, veel meer hun behoeften op verschillende momenten van de dag in ogenschouw nemen. Hoe en wat ze lezen en kijken tot sociaal netwerken en educatie. Dat zou ik dan marketeers kunnen noemen. Maar dat lijkt me niet goed. Ook marketeers zijn van vóór het jaar 2000. Mannen die met tevoren nauwkeurig bedachte campagnes aandacht proberen te trekken. Dat is zo erg jaren negentig, daar krijg ik ook rillingen van.
Je hebt journalisten, producenten, commerciële mensen en adverteerders nodig die durven te vertrekken vanuit die steeds wisselende behoeften en reacties van mensen. Traditionele mediamensen zijn, net als de meeste marketeers, bang van hun klanten. Ze durven bijna niet te kijken hoe mensen in het echte leven op hun producten reageren."
U bent verantwoordelijk voor verschillende vormen van media-aanbod. Neemt de rol van journalistiek daarin naar verhouding af?
"Dat is moeilijk te bepalen. De behoefte aan duiding en verdieping zie ik afnemen in de maatschappij. Dat staat onder druk, mede door tijdgebrek. Mede daardoor moet het meer en meer in beelden. Ik geloof dat er plaats komt voor, bijvoorbeeld, een krant met één artikel en verder prachtige foto-onderwerpen met één alinea. Natuurlijk chargeer ik. Maar diepgravende journalistiek staat onder druk, en dat is deels tegen te gaan met nieuwe vormen."
Met maatschappelijke gevolgen als kwesties niet meer worden uitgezocht?
"Daar ben ik het niet mee eens. Kijk eens terug in de afgelopen vijftig jaar: diepgravende journalistiek heeft toch een aantal maatschappelijke negatieve aspecten niet kunnen tegenhouden. Met één juiste foto kun je soms meer zeggen dan met wekenlang onderzoek. De uitkomst van diepgravende journalistiek hoeft ook geen geschreven artikel te zijn. Neem de documentaire 'Supersize Me' over het eten bij McDonalds, nieuw en diepgravend. Denk ook eens aan animaties, aan infographics. Kijk eens wat games voor nieuwe vormen aandragen.
Ook directe meldingen nieuwe media confronteren mensen soms directer met kwesties van belang en misstanden dan dat artikelen dat doen. Er ontstaan nieuwe vormen, niet noodzakelijkerwijs van begin tot eind door journalisten geleid."
U bedoelt ook dat wat nu nog bronnen van journalisten zijn direct tot het publiek kunnen komen en transparantie en onthullingen kunnen bieden?
"Absoluut. Journalisten kunnen daar hun rol in zoeken. Bedrijven zijn als de dood voor user generated content: je houdt niets meer onder de pet tegenwoordig."
Willen adverteerders nog journalistiek?
"Ik hoor met regelmaat mensen zeggen dat binnen drie jaar de mediawereld er compleet anders uit zal zien. Dat lach ik meestal weg. Het jaar 2006 kent ook de hoogste groei in reclamebestedingen op televisie tot nu toe. De groei met 9 procent in het eerste halfjaar is een record. Er komt geen finaal einde aan de 30 seconden spot. Adverteerders blijven 'eyeballs' volgen, dus ook een groot bereik van redacties. Maar adverteerders herschikken wel degelijk hun budgetten. Oude definities als above the line en below the line vallen weg. De online wereld gaat naar off line middelen, met het uitzenden van videoreclame, radio en muziek. Je ziet in de traditionele media typische online middelen als segmentatie op grond van cijfers aan invloed winnen. In het oude model betaalt de adverteerder de distributeur die de content verzamelt en inkoopt. Meer en meer werkt de adverteerder met de content zelf, tot en met tijdschriften en tv-zenders die helemaal door adverteerders zijn geregisseerd. Adverteerders willen hun boodschap kunnen integreren in amusement en informatie. Daar heeft de journalistiek een probleem, want die volgt vaak de rechte lijn: geen vermenging met reclame. En dat is maar goed ook natuurlijk."
Dat is wel een dilemma, want adverteerders verlaten dus journalistiek voor een deel voor amusement waarmee ze kunnen integreren. Dan moeten lezers meer gaan betalen of het volume aan journalistiek vermindert.
"Redacties passen zich aan door te verbreden. Ze bieden niet meer alleen nieuws en achtergronden, maar meer sport, reizen, lifestyle, koken, auto's en show. Dat is al een jaar of twintig aan de gang, al voor het internet er was."
De Volkskrant maakt televisie. Is dat een kant die uitgevers en redacties op moeten gaan?
"Ik vind dat een grappig experiment. Met een biertje in de hand hebben we daar wel eens met betrokkenen over gesproken. Boeiend, maar op hun plek zou ik niet op zoek gaan naar audiovisuele verbreding. Ik zie veel mogelijkheden voor verbreding van het uitgeven maar het vervaardigen en distribueren van professioneel gemaakte video lijkt me, persoonlijk, een stap te ver gaan. Er zijn zoveel apparaten waarin je in verschillende combinaties je nieuws en andere dingen kunt verspreiden.
Op i-mode van KPN Mobiel is teletekst enorm populair. Dat is ook beeld. Dat voldoet aan een bevrediging van snelle behoeften. Drie keer per dag raak je op je de hoogte. Ook nieuws in foto's doet het goed op mobiel. In bewegend beeld kan dat ook, maar moet je dat als krantenuitgever willen produceren of is dat een stap te ver? De uitgever PCM experimenteert terecht breed en daar hoort een proef met Volkskrant TV zeker bij."
U zegt twee dingen: journalistiek en uitgevers moeten nog veel meer multimediaal versterken, op verschillende platforms distribueren. En ze moeten meer segmenteren, wat vaak betekent durven kiezen om bepaalde zaken niet meer te doen?
"Absoluut. Ze moeten nog meer besef ontwikkelen van de plaats en reikwijdte van hun merk. Waar staan we voor? Welke behoeften vervullen we? Dat is een zoektocht en de Volkskrant experimenteert daar heel goed mee. Nu nog zien of ze keuzes durft te maken. Sommigen zullen zeggen: waar zijn ze in vredesnaam allemaal mee bezig, maar je hebt dat wel nodig om vooruit te komen."
U bedoelt dat er tegenstand moet zijn, de these en antithese, dat dwingt tot beter nadenken?
"Dat is afhankelijk van de vorm. Je hebt tegenstanders die geen verandering willen omdat ze zich veilig voelen bij de situatie zoals die altijd geweest is. Anderen verzetten zich met argumenten om je op andere gedachten te brengen. Die laatste vorm van tegenstand ontmoet ik graag. Die vindt is heerlijk en daar leef ik van. Die eerste vorm van tegenstand zie je nog heel veel in media, en je doet er goed aan om die zo snel mogelijk te ontwortelen..."
Interview met Peter Schrurs
Als er één omroep is die internet heeft omarmd, dan is het de VPRO wel. De VPRO was als eerste Nederlandse omroep actief op het net en vervult nog steeds een toonaangevende functie. Wat betekent de opkomst van internet voor programmamakers? Een gesprek met Peter Schrurs, directeur van de VPRO, over crossmedialiteit. "Er zijn mensen die alles kunnen, maar die zijn nog zeldzaam. Je moet niet denken dat je als krantenjournalist zomaar televisie kunt maken."
U bent in augustus 1998 directeur geworden bij de VPRO. Wat wist u op dat moment van internet?
Schrurs: "Ik was voor mijn aantreden bij de VPRO directeur van de School voor Journalistiek. Daardoor wist ik aardig wat van het gebruik van internet als bron, maar nog weinig van internet als publicatiemiddel. De VPRO liep wel voorop op internetgebied. In 1994 was de VPRO als eerste omroep gaan experimenteren met internet. Vlak voor mijn komst, in mei 1998, was 3VOOR12 van start gegaan. Dat was een protest op internet tegen het verdwijnen van de VPRO van Radio 3. Toen ik begon, was één van de eerste vragen of we moesten doorgaan met 3VOOR12. Er waren geen miljoeneninvesteringen mee gemoeid en veel mensen hadden er een goed gevoel over, dus we zijn doorgegaan. Met veel succes."
Is het vak van journalist of programmamaker veranderd door internet?
"De essentie van de journalistiek is niet veranderd. Journalisten spelen nog steeds een belangrijke rol in de maatschappij en voor de democratie. Maar door de technologische ontwikkelingen is er natuurlijk wel van alles bijgekomen. Aanvankelijk hadden sommige journalisten en programmamakers de neiging om te zeggen: zo'n website bijhouden is allemaal extra werk. Inmiddels is het voor de meeste mensen een vanzelfsprekendheid geworden. Je bent toch bezig. De verschillende media – radio, televisie, internet en onze gids – krijgen steeds meer met elkaar te maken."
Moet de journalist van vandaag alles kunnen? Tv en radio maken én een website bijhouden?
"Er bestaat een spanning tussen de vakman aan de ene kant en het idee dat iedereen alles moet kunnen aan de andere kant. Het is een misverstand om te denken dat radiomaken hetzelfde is als televisiemaken of dat een tv-programma maken hetzelfde is als een programma voor internet of een digitaal kanaal. Dat zijn verschillende disciplines. Er zijn mensen die alles kunnen, maar die zijn nog zeldzaam. Je moet niet denken dat je als krantenjournalist zomaar televisie kunt maken. Dat is een misverstand. Je moet oppassen dat je niet in die valkuil trapt. Dat leidt al snel tot slappe aftreksels. Een andere valkuil is dat televisiemakers en radiomakers zeggen: aan mijn lijf geen polonaise. Journalisten moeten wel openstaan voor nieuwe ontwikkelingen. Als ik nu nog aan de School voor Journalistiek zou werken, zou ik ook erg stimuleren dat studenten verschillende vaardigheden onder de knie krijgen. Dat soort mensen hebben we in de toekomst nodig. Maar dat is wat anders dan dat je een 40-jarige radiomaker dwingt om alles te kunnen."
Wat is er zo anders aan televisiemaken dan bijvoorbeeld een filmpje voor internet maken?
"Televisie is een massamedium. Daar hebben mensen bepaalde verwachtingen van. Op internet en op onze digitale kanalen is ruimte voor wat wij rafel-tv noemen. Als je bewust naar internet gaat om een interview met een schrijver te zien, maakt het niet zoveel uit hoe de belichting is. Op televisie kan dat niet: dan moeten de beelden er goed uitzien. Tenzij je van tevoren aankondigt dat de beelden om wat voor reden dan ook niet van professionele kwaliteit zijn, bijvoorbeeld bij een uitzending van 'Andere Tijden' met filmpjes van kijkers."
Wat betekent de opkomst van internet voor de organisatie van de VPRO?
"Wij zijn niet een club waar je de organisatie zomaar kunt 'kantelen'. Je gaat hier natuurlijk niet roepen: iedereen moet meedoen. Want dan kun je meteen je biezen pakken. Bij ons zie je eerder procesmatige veranderingen. Mensen die het leuk vinden om met verschillende media bezig te zijn, geven we de ruimte. Daarnaast zetten we mensen bij elkaar die voor verschillende media met hetzelfde onderwerp bezig zijn. Iedereen die met popmuziek bezig is, zit nu bijvoorbeeld in dezelfde ruimte. Hetzelfde geldt voor film. En we zijn nu ook bezig met een project over energie, waarbij mensen als vanzelf bij elkaar komen. De makers van Tegenlicht doen er wat mee en de makers van De Ochtenden ook. Vervolgens bedenken we hoe we er in de gids aandacht aan kunnen besteden en komt iemand met het idee om voor internet een game over het onderwerp te maken."
Zijn alle onderwerpen geschikt voor alle media?
"Nee, niet elk verhaal is geschikt voor alle media. Neem een programma als Holland Sport. Dat is een prachtig tv-programma. Daar moet je verder vanaf blijven. Bij de verslaggeving vanaf een evenement als Lowlands daarentegen kun je wel weer heel goed verschillende media inzetten. Op radio en tv kun je de optredens horen en zien, terwijl op internet bijvoorbeeld weer meer aandacht is voor wat er op de camping gebeurt. De bezoekers van Lowlands gaan na afloop van het festival het internet op om die camping-filmpjes te bekijken. Die video's worden krankzinnig vaak opgehaald. Dat vinden mensen leuk: om naar zichzelf te kijken. Daarom hebben we na afloop van Lowlands altijd nóg een bezoekerspiek op onze website, van mensen die het festival hebben bezocht en die nog eens willen zien wat er is gebeurd."
Dankzij internet is het voor het publiek veel makkelijker geworden om in contact te treden met journalisten en programmamakers. Wat merken jullie daarvan?
"Vroeger belden mensen, tegenwoordig sturen ze een e-mailtje. Dat is een stuk makkelijker. Omdat de techniek het toelaat, krijgen we daarom ook meer reacties. Maar het verschilt enorm. Bij de ene uitzending van Zomergasten komen er veel meer reacties dan bij de andere uitzending."
Hebben jullie wat aan al die reacties?
"Ja. Het publiek wil meepraten en daar moet je gebruik van maken. Het publiek weet meer dan jij alleen. Je moet het publiek erbij betrekken met behoud van vakmanschap, daar gaat het om. Wij redeneren steeds meer in de vorm van een piramide. Bovenaan zit de programmamaker, onderaan het publiek. De kunst is om gebruik te maken van de deskundigheid van je publiek. De makers van een boekenprogramma kunnen bijvoorbeeld nooit zoveel boeken lezen als het publiek. En het publiek kan een heel goede recensent zijn. Daar moet je gebruik van maken.
"Ander voorbeeld. We proberen mensen die verstand hebben van energie te betrekken bij ons energieproject. Er zit heel veel kennis bij onderzoekers en universiteiten die wij zelf niet in huis hebben. Dat zijn gratis researchers. Je maakt een netwerk rond een onderwerp van mensen die daar verstand van hebben."
Waar houdt de rol van het publiek op?
"Bovenaan de piramide blijft de journalist/programmamaker zitten die er iets van maakt. Het is niet zo dat het publiek ook filmmaker kan worden. Wetenschappers die veel verstand hebben van energie, moet je geen filmpjes laten maken. Al kun je onderzoekers die een paar maanden op expeditie zijn, bijvoorbeeld wel weer een recordertje meegeven. Dat scheelt een partij geld, anders zou je een verslaggever mee moeten sturen. Uiteindelijk blijft de programmamaker natuurlijk bepalen wat wél en wat niet kan worden uitgezonden.
"De vragen die je bij dit soort projecten moet stellen, zijn: waar houdt de deskundigheid van het publiek op? En: waar begint jouw vakmanschap? Veel jongere journalisten gaan daar al heel vanzelfsprekend mee om. De journalist is dan een intermediair tussen een deskundig publiek en een lekenpubliek. Als programmamaker stel je de vragen waar een deskundige zelf niet meer aan denkt."
Sommige mensen menen dat dankzij internet iedereen (burger)journalist kan worden. Heeft straks iedereen zijn eigen tv-kanaal?
"Nee. De opkomst van desktop publishing software heeft er ook niet toe geleid dat iedereen zijn eigen krant is begonnen. Dtp-software wordt vooral gebruikt om een krantje te maken voor de bruiloft van opa en oma. Zo zullen er nu ook niet allerlei tv-kanalen ontstaan. Je moet niet vergeten dat de journalist een vakman is. En dat is iets anders dan een amateur.
"Het aanbod neemt wel toe, maar tegelijkertijd neemt daarmee ook de behoefte aan een betrouwbare gids toe. Als je oneindig veel kanalen hebt, word je gek. Je kiest er gewoon een paar. En bij die keuze kunnen journalisten en een organisatie als de VPRO een belangrijke rol spelen. Mensen zullen heel dankbaar zijn als er een club voor hen is die zegt: dit is iets voor jou.
"Neem bijvoorbeeld het IDFA. Daarbij heb je keuze uit honderden films. Je kunt ook naar de VPRO-dag waarvoor wij zeven documentaires uitkiezen. Die is elk jaar uitverkocht. Het kan het zo zijn dat één film op de VPRO-dag drie keer niks is. Maar over het algemeen weet je dat de documentaires goed zullen bevallen. Wij zullen niet zomaar een TROS-film opnemen in het programma."
Vorig jaar antwoordde u in een enquête van De Nieuwe Reporter op de vraag welke trend de Nederlandse journalistiek de meeste schade zal toebrengen dat de scheiding tussen redactie en commercie steeds dunner wordt. Hoe merkt u dat?
"Er is steeds minder geld voor de publieke omroepen. Vroeger kon je het je permitteren om je niets van de commercie aan te trekken. Televisie is waanzinnig duur als je het goed wilt doen. Het mag niet zo zijn dat je alleen met steun van sponsors een documentaire kunt maken. Maar zover is het al. Het kan niet zo zijn dat je alleen maar een duur kunstprogramma kunt maken als de schouwburg meebetaalt. Belachelijk, onmiddellijk mee ophouden! De overheid moet ervoor zorgen dat er een afgeschermd gebied is waar programmamakers ongestoord kunnen werken aan mooie programma's. Voor onderscheidende programmering moet gewoon goed geld zijn."
Is commerciële inmenging altijd verkeerd?
"Ik ben daar niet per se tegen. Het blijft uiteindelijk altijd aankomen op de integriteit van de journalist. Op internet is die grens tussen commerciële invloed en service verlenen soms ook moeilijk te trekken. Als op Cinema.nl (filmsite van de VPRO en de Volkskrant, MR) een film wordt besproken, maakt de techniek het mogelijk om die film direct te bestellen. Dat is service verlenen. Zolang het maar duidelijk is dat je bij het bestellen van de film de site van de omroep verlaat. De bezoeker moet weten dat de redactie van Cinema.nl onafhankelijk is. Het wordt pas een gevaar als iemand zegt: jullie krijgen een zak geld als jullie als onze films positief bespreken op Cinema.nl."
Interview met Paul Molenaar
Paul Molenaar, algemeen directeur van Ilse Media: "Originaliteit gaat winnen"
Wat doen jullie aan journalistiek bij Ilse?
"We creëren relatief veel content met relatief weinig redactie. Dat is het model: zo veel mogelijk content, zo interessant mogelijk maken met lage kosten.
We kijken bij Nu.nl wel naar mogelijkheden voor uitbreiding. We kijken of we verder kunnen gaan dan het distribueren van 'commodity' - een heel veel nieuws beschouwen we als 'commodity' - met het optimaal distribueren van content van journalistieke aard naar consumenten. En daar een commercieel model aan kunnen verbinden.
Bovendien zijn we rond onder meer Web-log.nl aan het kijken of we met kwalitatieve inhoud een breed publiek kunnen bereiken en adverteerders kunnen trekken. Of je hun werk dan al of niet journalistiek kunt noemen is nog een discussie apart, maar misschien niet zo relevant." Hoe zien jullie de mogelijkheden voor het bundelen van externe content?
"Ik vind het hele terrein van weblogs nog ontzettend vers, ook al praten we inmiddels over honderdduizenden blogs bij Weblog.nl. Structureel beschouwd gebeurt er nog niet zo heel veel dat boven het maaiveld uitkomt. In de zakelijke markt, vooral met vakinformatie, zie je wel snelle commercialisering van weblogs naast print of andere traditionele media. Vaak is dat van journalisten die op een meer persoonlijke manier nieuws vergaren van het web en/of dat analyseren en in context plaatsen.
Consumenten die individueel nieuws posten doen dat met een heel andere bedoeling dan wat we over het algemeen onder journalistiek verstaan. Maar aan afnemerszijde is dat de maatstaf niet. Daar is een alsmaar groeiende behoefte aan persoonlijk getint nieuws, ook kleinschalig, als je dat nieuws wild noemen. Het komt in elk geval voort uit nieuwsgierigheid."
Hoe breng je het beste naar boven?
"Naarmate internet vordert met allerlei vormen van nieuwsvoorziening groeit de behoefte bij consumenten om het nieuws dat hun interesseert ook werkelijk onder ogen te krijgen. Dat is de belangrijkste trend volgens mij op dit moment. Of het nu om YouTube video gaat of rond weblogs.
Wat ik nog onvoldoende zie, ook bij Ilse, is aanbod voor een breed publiek van combinaties van content die op moderne manieren is gemaakt. De distributiemechanismen lopen achter op de behoefte in de markt. We zijn er zelf nog niet zo ver in, maar ontwikkelen wel intensief."
Dus jullie beogen ook het mixen van wat professioneel wordt vervaardigd, onder meer door journalisten, en wat door consumenten wordt gepubliceerd?
"Precies. We kijken momenteel of we creativiteit rond het journalistieke product, of beter gezegd rond informatieproducten, ook een podium kunnen bieden bij Nu.nl. We willen het publiek een breder aanbod bieden, maar tegelijkertijd onszelf beïnvloeden door met het nieuwe platform meer creativiteit van buiten aan te trekken."
Zijn journalisten te passief?
"Eigenlijk weet ik niet of je het nog zo specifiek moet hebben over journalisten als beroepsgroep. De definitief van journalistiek en van journalisten erodeert door de veelheid van vormen van verzamelen, publiceren en distribueren, alles gericht op het bevredigen van de nieuwsgierigheid van consumenten. Voorheen was de journalist degene die namens de eigenaar van een titel informatie selecteerde en in beeld, geluid en tekst componeerde tot interessante, afgebakende producten. Nu zie je mensen vanuit hele andere disciplines aan informatieproducten werken, bijvoorbeeld programmeurs. Nu.nl was misschien de eerste nieuwsdienst waar geen journalist aan te pas kwam. We zien makers van user interfaces op een hele mooie manier 'commodity nieuws' samenbrengen in een nieuwe omgeving. Die is ineens attractief voor grote groepen. We willen nu juist dat degenen die zich geen journalist noemen - dus geen klassieke hoor en wederhoor scholing gevolgd hebben - de ruimte krijgen om het publiek te bereiken. Ik zou graag zien dat iedereen die op een innovatieve manier een informatieproduct maakt hun plek krijgen om dat over het voetlicht te brengen. Dat kunnen uiteraard ook journalisten zijn, maar dat hoeft niet. Dit alles gezegd hebbende denk ik inderdaad dat journalisten te veel vasthouden aan wat ze al kennen en waarmee ze vertrouwd zijn."
Uitgevers zijn in de war, journalisten evenzeer, of tenminste zoekende naar de nieuwe heilige graal. Zoiets als de reisbranche waar de vertrouwde verticale keten door internet werd aangevreten en een aantal partijen afwachtte en anderen het voortouw namen voor nieuw initiatief. De eersten zagen het over zich heen rollen. Staat dat ook een aantal media-exploitanten en hun personeel te wachten?
"De mediamarkt ziet twee belangrijke veranderingen tegelijkertijd op zich afkomen. Ten eerste is de markt voor traditionele mediaproducenten niet zo florissant. Ten behoeve van aandeelhouders wordt vooral gekeken naar bescherming van bezittingen. Met innovatieve ideeën kom je direct klem te zitten in de ruimte die voorhanden is om die te realiseren. Toch is het aantal kansen zo groot dat heel moeilijk te bepalen welke keuzes je wel en vooral niet moet maken. Volkskrant kiest voor video en weblogs, op zich lovenswaardige initiatieven. Toch zijn het, vermoed ik, voor deze titel niet de juiste antwoorden. Dan vrees ik, wat je zegt, dat het over hen heen rolt.
De mediamarkt zal nog even meer te lijden krijgen en daarna ontstaan er grote veranderingen. Dar wordt wel op ingespeeld, bijvoorbeeld met nrc.next dat op een veel innovatiever manier wordt gemaakt dan traditionele titels."
Hoe ziet een ideaal product er dan uit als dat inspeelt op die grote veranderingen na dat dieptepunt?
"Dat zal een soort van samengestelde krant moeten worden die op verschillende manieren beschikbaar komt. Technologisch is dat al lang mogelijk: doe mij maar regionieuws van het Haarlems Dagblad, cultuur van Het Parool, sport van het AD, wetenschap van de Volkskrant, economie van NRC en shownieuws van De Telegraaf, zoiets.
Daar gaan we ook absoluut naar toe. Je ziet dan dat de huidige titels zich dus in hun krachtigste bastion concentreren op het allerbeste dat ze in huis hebben. Middelmatigheid gaat verloren en daar hoeven we niet rauwig om te zijn."
NRC.next bereikt met 80.000 exemplaren nog minder dan 1 procent van de lezende Nederlanders, niet zo bijster relevant ondanks alle aandacht van collegajournalisten. Marginaal en elitair toch?
"Elitair is niet erg, integendeel misschien. Je moet willen en durven uitblinken en daar keuzes voor maken als journalistiek. Massapubliek hoeft niet het uitgangspunt te zijn. Ik vind wel dat je als beroepsgroep met klassieke hoor en wederhoor er alles aan moet doen om je publiek te blijven boeien. Onvermoeibaar strijden voor het beste verhaal, want daar komt het toch in de toekomst ook op aan: de beste verhalen. Dat is niet de honderdste bewerking van dat ene persbericht maar een werkelijke toevoeging aan het landschap."
Is dat de kern: de beste willen zijn op je terrein en weg van de grote stroom? Google News laat zien dat tientallen zich nog op hetzelfde onderwerp storten, met veel middelmaat tot gevolg?
"Ja, dat is de kern, weg van de middelmaat en voortreffelijke verhalen vertellen. Ik heb jarenlang bij de regionale Typhoon in de Zaanstreek gewerkt en met veel inzet persberichten zo goed mogelijk bewerkt. Maar dat kun je als beroepsgroep niet dagelijks met honderden of misschien duizenden blijven doen.
Google News en andere manieren om content te presenteren zijn inderdaad de scherprechters op dit moment van commodity. In web 2.0 omgevingen geven bovendien consumenten nog eens ongezouten aan of ze een verhaal goed vinden of niet."
Maar jullie Nu.nl is ook middelmaat, of nog lager, toch? Hoe gaan jullie erbovenuit tornen?
"Je blijft wel commodity houden, zeg maar generiek nieuws. Partijen die zich daarin bewegen moeten dat op de meest efficiënte manier naar de consument brengen. Of dat nu Nu.nl is of Google News: het 81ste bericht over hetzelfde onderwerp voegt weinig toe aan het 80ste bericht dan overleeft degene die het meest efficiënt een groot publiek bereikt. Nu.nl heeft bewezen dat goed te kunnen."
Dus Nu.nl hoeft juist niet zo nodig origineel te worden, want is het meest efficiënt in distributie van generiek nieuws?
"Klopt. Nu.nl distribueert bijzonder efficiënt, en kan dat ook voor producties van anderen zijn. We zitten zelf niet in de originele journalistieke productie. Er spelen twee dingen: degenen die originele content willen maken, moeten zich voortdurend afvragen of ze qua inhoud en qua vorm echt origineel zijn. En hoe dat op de meest efficiënte manier bij de consument terechtkomt.
Journalisten zullen veel meer specialisatie en originaliteit moeten zoeken. Dat is niet voor iedereen weggelegd. Uiteindelijk betekent dit in de journalistieke branche, zeg maar het metier van hoor en wederhoor, zo'n tweederde van de werkgelegenheid zal zien verdwijnen. Dat is een kwestie van het wegstrepen van wat niet origineel is en wat er bij kan komen aan originele content die een voldoende publiek bereikt."
Ilse.nl zit niet echt te wachten op originele journalisten van het oude metier?
"Als je een keuze daarvoor maakt brengt dat risico met zich mee. Wat is je terrein? Dat is efficiënte distributie. We kunnen wel een enorm podium bieden aan degenen die een verhaal te vertellen hebben en een plek zoeken. Dat is dan het beste punt voor freelancers om hun bereik willen maximaliseren."
In een vorm van opbrengstdeling?
"Bijvoorbeeld. Maar het aandeel daarvan is dat de opbrengst van een individueel artikel altijd tegenvalt, uitzonderingen daargelaten. Je zult als maker meer moeten doen dan alleen een stukje tekst, video of foto leveren, maar werkelijk iets interactief moeten maken dat de betrokkenheid van het publiek vergroot.
Daar ontstaan ook veel meer mogelijkheden voor adverteerders. Dan gaat het niet meer alleen om de hoeveelheid publiek, maar meer en meer de tijd die ze eraan aan willen besteden. Dat gaat zwaarder wegen: hoeveel aandacht weet je te trekken?"
En dat je doe je eerder met een smeuïg onderwerp of iets nuttigs als tuinaanleg dan met een artikel over creperende asielzoekers in Oost-Groningen?
"Dat weet ik nog zo net niet. Het gaat er veel meer om hoe je het brengt. Hoe krijg je de emotie in het verhaal over asielzoekers? Het kan harder raken dan die tuin. En dan praat je niet over alleen een stuk tekst met hoor en wederhoor."
Maar die vormen moeten we ontdekken, en ook adverteerders nog?
"Ja, voor die grote veranderingen staan we allemaal nog. Nu.nl is tot nu toe een succesvolle omgeving voor adverteerders, dus die kan wellicht die nieuw platforms commercieel en qua content helpen ontwikkelen. Maar het begint niet met adverteerders, maar met het verhaal. Kunnen we dat op een pakkende manier over het voetlicht brengen? Dat vereist nogal een stap. Ik ga die niet uit de weg. We gaan die strijd aan met zo'n platform met de kosten die daaraan verbonden zijn."
Welke titels doen het goed voor jou?
"Met de nodige humor en met passie voor het onderwerp ben ik al snel tevreden. En dan kies ik persoonlijk bijvoorbeeld het blad Make dat online Makezine maakt, een moderne Elektuur zeg maar. Ik doe het nog met klassieke sites, als daar voldoende wordt gedaan aan terugkoppeling: hoe vaak is een artikel gelezen, kan ik reageren, etc.? De BBC staat voor mij aan top, al wordt die site met veel overheidsgeld gemaakt waar ik principieel tegen ben. Dat is m'n eigen paradox, ja..."
Interview met Joop Daalmeijer
Joop Daalmeijer, hoofdredacteur van de Wereldomroep en voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), ziet internet niet als een bedreiging voor de journalistiek. "Je hoort voortdurend dat jongeren geen krant lezen. Maar mijn ervaring is heel anders. In de trein leest iedereen de Metro en de Spits."
Speelt internet een belangrijke rol op uw werk?
Joop Daalmeijer: "Ja, ik maak veel gebruik van internet. E-mail is binnen ons bedrijf hét communicatiemiddel. Ik luister onze uitzendingen via de stream op internet. Dat is de enige manier waarop je in Nederland naar de Wereldomroep kunt luisteren. Daarnaast gebruik ik internet elke ochtend op hoogte te geraken van het nieuws. Ik maak een rondje langs de site van BBC News, Nu.nl en onze site. Op die manier kan ik beoordelen of onze sites actueel zijn."
En hoe zit het met het thuisgebruik van internet?
"Ik heb thuis al lang een internetverbinding. Ik had al heel snel een isdn-verbinding. En toen adsl kwam, ben ik meteen overgestapt. Ik heb niet alleen een snelle downstream maar ook een hoge upload-verbinding zodat ik grote bestanden kan versturen. Ik maak een klassieke-muziekprogramma. Dat neem ik thuis op met een montageprogramma en vervolgens stuur ik het bestand van twee uur geluid door."
De Wereldomroep biedt ook podcasts van radioprogramma's aan.
"Ja, daar zijn we als één van de eerste in Nederland mee begonnen. Als ik 's ochtends mijn laptop uit de cradle haal en in de trein stap, heb ik de programma's van het afgelopen uur beschikbaar. Dat is buitengewoon prettig. We zijn nu ook bezig met een systeem waarbij je op elk moment het allerlaatste nieuws kunt downloaden voor je iPod. Redacteuren die een bericht hebben geschreven, lezen dat meteen voor in een headset. Dat geluidsbestand komt in een bak. Als je vervolgens je iPod aan je pc koppelt, wordt dat bestand opgehaald."
Welke mensen bedient de Wereldomroep op internet?
"In ieder geval niet de vakantiegangers: die maken nauwelijks gebruik van internet, zo blijkt uit onderzoek. Op campings is internet vaak duur, als ze het al hebben. Emigranten en expats daarentegen maken wel weer veel gebruik van internet. We hebben een speciale afdeling van twee mensen die alle e-mails van Nederlanders in het buitenland beantwoorden. Binnen twee dagen krijgen mensen antwoord. Voor sommige mensen zijn die mails de enige draad met Nederland. Tussen de mensen die mailen en de mensen hier ontstaan relaties, waarbij ze elkaar met de voornaam aanspreken."
Maar vakantiegangers bereikt de Wereldomroep nog voornamelijk via de radio?
"Niet alleen. We hebben in juli en augustus een krant gemaakt voor campings. Dat is een pdf-bestand van zes A4-tjes die we per e-mail naar 2200 adressen sturen. Campings printen de krant en hangen 'm elke dag op een bord. Het voordeel van een digitale krant is dat je heel laat kunt zakken. Om zeven uur 's ochtends zijn we klaar en om half acht ligt de krant bij de campings in de inbox. Op die manier hebben we tweehonderdduizend mensen bereikt. De komende zomer gaan we daarmee door. We willen uitbreiden met een editiestelsel, zodat je in Frankrijk een andere krant krijgt dan in Italië. Het weerbericht en de lokale berichtgeving verschillen dan."
Hoe bevalt het om een krant te maken?
"Het is natuurlijk een ander vak. Gelukkig werkt Wim Jansen, de voormalige adjunct-hoofdredacteur van Trouw, hier nu."
Kost het schrijven van krantenartikelen niet veel tijd?
"De grondstof voor de krant is al aanwezig. Alle berichten die op de radio worden voorgelezen, zijn eerst geschreven. Die kun je ook gebruiken in de krant. Of op internet. We hebben een geïntegreerde redactie, waarbij geen onderscheid is tussen verschillende media. Van iedereen wordt verwacht dat ze berichten leveren aan sites."
U klinkt heel enthousiast over internet.
"Ja, ik zie internet als een verrijking van de journalistiek. De structuur van internet zorgt ervoor dat journalisten sneller en beter kunnen werken. Een fotograaf die in het buitenland zit, kan zijn foto's op zijn laptop bewerken en binnen een paar seconden doorsturen naar de redactie. Dat kon je je vroeger niet voorstellen. Internet biedt geweldige mogelijkheden. Alles is beschikbaar. Je kunt eenvoudig achtergronden zoeken voor een stuk. Als je op locatie zit, kun je ANP-berichten binnenhalen om te zien of je op de juiste weg zit. Bij de Wereldomroep zijn we de telefoon langzaam aan het verlaten. Al onze correspondenten zitten op Skype. Dat werkt heel goed. De nieuwe vorm van Skype geeft bijna studiokwaliteit. Het gebruik van voip scheelt enorm aan transmissiekosten. Onze post in Warschau was vroeger 1300 à 1400 euro per maand kwijt aan telefoonkosten. Dat is nu teruggebracht tot een paar honderd euro."
U denkt niet dat internet een bedreiging is, bijvoorbeeld voor de kranten die te kampen hebben met dalende oplages?
"Je hoort voortdurend dat jongeren geen krant lezen. Maar mijn ervaring is heel anders. In de trein leest iedereen de Metro en de Spits. Dat zag je al die jongeren tien jaar geleden niet doen. Ze lezen dus wel een krant, maar dan een andere krant."
Maar gaan die jongeren ooit nog een betaalde krant lezen?
"Lezen de jongeren van nu over tien jaar nog steeds de Spits? Zijn ze nog steeds in hetzelfde geïnteresseerd als ze kinderen hebben en andere verantwoordelijkheden krijgen? Ik weet het niet. Bij de publieke omroep heb je dezelfde discussie. Ik pleit al jaren voor een cohort-onderzoek. Selecteer een paar honderd jongeren en volg die groep vijftien tot twintig jaar. Dan kun je pas zeggen of de jongeren van nu verloren zijn voor de publieke omroep en de betaalde kranten. Nu is het allemaal nattevingerwerk, waar helaas wel beleid op wordt gebaseerd. Dat leidt tot paniekbeslissingen. Buitengewoon dramatisch."
Volgens Paul Molenaar van Ilse Media blijft maar 20 procent van de huidige journalisten over.
"Ik ben altijd zo benieuwd hoe die mensen dat weten. In welke glazen bol kijken ze? Ik ben een gelovig iemand, maar ook ik weet niet zeker wat de toekomst gaat brengen. Zo'n uitspraak van Paul Molenaar is flauwekul, nergens op gebaseerd. Ik kan net zo eenvoudig de stelling betrekken dat het aantal journalisten met 80 procent zal toenemen."
Hoe kijkt u aan tegen het fenomeen burgerjournalistiek? Kan iedereen vandaag de dag journalist worden?
"Natuurlijk niet. Daar geloof ik niks van. Wat heb ik aan dat tantebetjes-gepraat? Je kunt natuurlijk zeggen: ik voel me journalist omdat ik op mijn blog schrijf wat ik op school heb meegemaakt. Heel interessant allemaal, maar ik lees dat niet. Dat heeft niets met journalistiek te maken. Het is soms zo ontzettend knullig geschreven. Het aantal bijvoeglijke naamwoorden is vaak niet te tellen. Journalisten gaan daar toch wat zuiniger mee om. Je moet heel voorzichtig zijn met weblogs. Het is niet altijd even makkelijk in te schatten hoe betrouwbaar ze zijn."
U leest geen weblogs?
"Jawel, ik heb diverse weblogs bij mijn favorieten. Ik ben een enthousiasteling van het weblog van Wim de Bie, Bieslog. Dat multimediaal gedoe is echt fantastisch. Wat die man zegt, daar denk je twee keer over na."
Sommige weblogs zetten zich behoorlijk af tegen de traditionele journalistiek. Wat moet de journalistiek daarmee?
"Met kritiek kun je altijd wat doen. Journalisten zijn zelf ook kritisch op anderen, dus je moet ook kritisch kunnen zijn op jezelf. Sommige opvattingen zijn het waard om gedeeld te worden. Verder heb je natuurlijk ook de scheldblogs. Daar kun je je aan ergeren, maar je kunt het ook niet lezen. Geenstijl is bijvoorbeeld niet voor mij gemaakt, maar mijn dochter vindt het mooi."
Geenstijl noemt vaak de achternamen van Nederlandse verdachten en veroordeelden. Veel traditionele media doen dat (nog) niet. Denkt u dat dergelijke journalistieke conventies onder invloed van internet verschuiven?
"Nee, daar ben ik niet bang voor. Elke redactie heeft eigen regels. Daarbij laat je je niet beïnvloeden door internet. Je bepaalt zelf of je mee verandert."
Wat is het beleid van de Wereldomroep op dit punt?
"Wij huldigen de opvatting dat we geen achternamen gebruiken. Daar is intern wel discussie over. We hebben een Engelse site en in Engeland noemen de media wel de achternamen. Dat vinden mensen dan heel raar of bespottelijk, maar ook op onze Engelse site heet Samir A. gewoon Samir A. Dit bedrijf vindt dat het zo hoort."
Interview met Michael van Os
Kluwer liep met reclamevakblad Adformatie voorop met internet, maar mistte de eerste en tweede weblogboot. Oorzaak: intern gesteggel. Ex-hoofdredacteur Michael van Os is daarvan verlost, werkt voor de inmiddels wel begonnen weblog van het blad en begint voor zichzelf te publiceren bij Blogonline. Michael van Os is geboren in Londen in 1944, war zijn vader redacteur was van Radio Oranje. Hij begon daar ook in de vakbladjournalistiek en bij persbureau Universal News Services, en terug in Nederland werkte hij als correspondent van Wall Street Journal, Time, Economist en Financial Times. Daarna voegde hij Nederlandse uitgaven als Volkskrant, NieuwsNet, Management Totaal, Elan en Adformatie aan zijn cv toe. Was bij Adformatie laatste 11 jaar hoofdredacteur en twee jaar adjunct. Doe nu wat freelance en in media-adviezen, en geeft bijles Nederlands op een ‘zwarte’ Amsterdamse basisschool. "Dat zouden meer mensen moeten doen."
Wat doe je zelf op internet passief en actief?
"Ik ben actief op de blogs van Adformatie, Adfoblog, en van zusterblad Communicatie, Commlog. Dat alles onbezoldigd, want betaling mag niet voor Kluwer het kader van de VUT-regeling. Wel kan dat voor het werk voor nieuwsbrief Media & Marketing Europe in Londen, en met media-adviezen hier en daar.
"En ben druk doende om, jawel, eigen blog op te zetten, over allerhande reclameontwikkelingen. Geen concurrent van Adfoblog, maar puur voor de Nederlandse in reclame geïnteresseerde consument. Die belangstelling is er, verwacht ik. En hoop ik. Hopelijk ontstaan er discussies en komen er vragen, kan ik bij branchegenoten te rade gaan. Leuk lijkt me dat. Heb me daartoe aangesloten bij het netwerk van Ben Blog van Blogonline. Hij heeft de technologie klaarstaan, zo maar voor mezelf beginnen is niet eenvoudig."
Welke journalistieke titels doen het volgens jou goed op internet, vanuit Nederland en daarbuiten. Om welke redenen?
"Ik noem mij absoluut geen kenner van internet, wel een meer dan gemiddeld nieuwsgierige. Vanwege mijn al gevorderde leeftijd heb ik misschien wat extra’s te bewijzen? Ik volg Adfoblog, Commlog en Molblog, van nog een zus van Adformatie, Tijdschrift voor Marketing, en enkele andere brancheblogs dagelijks. Ook sites van dag- en weekbladen, Advertising Age en Adweek in de VS en PR Week in Engeland. Heb ook geen idee of ze het goed doen op internet. De ideeën die ik opdoe en tot artikelen leiden komen nog steeds voornamelijk uit de Nederlandse media.’’
Welke fases heb je doorlopen met internetbewustzijn en ideeën over het net tijdens je eigen bewind bij Adformatie?
"Adformatie heeft al z'n dertien jaar een site, begonnen destijds onder mijn voorganger Henne Pauli. En dagelijkse en wekelijkse nieuwsbrieven verschijnen ook al jaren. Toch zijn we als redactie altijd wat huiverig geweest. Het oude verhaal: gaat het internet je blad kannibaliseren? En vragen kwamen op als: ‘moet je er ook primeurs op zetten?’ Maar ook commercieel: moet je personeelsadvertenties, een kurk waarop het weekblad drijft, ook online zetten als controlled circulation titel?
"Dus veel discussies gehad, met de eigen collega’s, maar ook met directie en uitgever. Die begonnen vele jaren terug en houden nooit op. Ik ben er nu weg, maar ik weet zeker dat er vragen aan de orde komen als: hoeveel eigen mankracht zet je op het blog? Wie vervangt ze dan? Moet je er wel redacteuren voor vrijmaken? Gaat dat extra werk niet ten koste van het blad, waar nog wél substantieel geld mee wordt verdiend?
"Laten we wel wezen: iedereen krabt zich achter de oren met internet: zoveel tijd, vreselijk veel energie en onder de streep verdien je een schijntje in vergelijking met print. Je kunt toch niet zomaar overstappen omdat de goeroes dat roepen? Terugkijkend is het toch al erg snel gegaan."
Waar resulteerde dat zoal (niet) in? Hoe was met internet de omgang met de uitgever?
"De uitgevers van de laatste jaren stelden zich welwillend op. Alleen waren niet altijd voldoende middelen beschikbaar. Kluwer is een zuinige uitgever en gelooft er niet in dat de kost voor de baat uitgaat. Denk ik wel eens. Je kijkt omhoog in je organisatie voor een strategie, waaraan je bijdraagt als redactie. En dan ga je of je gaat niet, maar je niet half. En als je gaat voor iets, moet je er ook geld in stoppen. En het moet ook snel gaan, zonder al te veel discussies met iedereen.
"Maar jeetje, al die vergaderingen bij Kluwer. Hoe moeilijk is het niet om iedereen op één lijn te krijgen. Te veel politiek. Zeker als het project toch controversiële kanten heeft. Je zal je blad maar kannibaliseren. Maar ja, doe je het zelf niet, dan doet iemand anders het, nietwaar?
"En die partij heeft geen enkel begrip voor wat jij probeert te beschermen. Kunstmatig, ik geef het toe. Zeker in de groep waarvan Adformatie deel uitmaakt, de Adformatie Groep, is het niet makkelijk snel spijkers met koppen te slaan. Iedereen heeft weer andere belangen. Ik snap dat ook wel. Maar de baas moet beslissen en die speelt dingen vaak terug naar de groep, die er dan weer niet goed uitkomt.
"Maar we zaten er wel bovenop: televisie maken bij AT5 met Fons van Westerloo, later met RTL. Maar als vakuitgave voor een beoogd breed publiek was dat moeilijk. We hebben nog audio gemaakt voor verspreiding via de telefoon, werd niets. Maar radio met BNR Nieuwsradio loopt wel weer goed."
Krijgen journalisten nu in het algemeen en/of online meer te maken met commercie en hoe verandert dit hun houding?
"Dat zit wel goed bij Adformatie, al bijna 35 jaar. Moet ook wel, anders overleef je niet, als je over zo’n bedrijfstak schrijft als reclame, media en marketing. Dat is commercie, commercie, commercie. Je wordt bijna dagelijks op het spek gebonden, dus je moet wel een rechte rug hebben.
"Op internet, op de blogs zal het wat anders liggen. Die worden wat meer als marketingtools gebruikt ten behoeve van de andere producten van de groep. Logisch, want veel geld wordt er niet mee verdiend. Zo vervullen ze een extra nuttige rol in ieder geval. Niet altijd zijn die boodschappen als commercie herkenbaar, daarop moet nog iets worden gevonden. Maar de wil om redactie en commercie goed gescheiden te houden, net als bij print, is er beslist. We hebben als merk een imago hoog te houden. Ook op het net."
Hoe kijk jij tegen het dilemma aan van meer vrijheid voor publiceren enerzijds en anderzijds veel meer concurrentie?
"Weet je, ik ben blij dat ik deze ontwikkelingen nog mee kan maken, als actieve journalist. Fantastisch! Er gebeurt zoveel. Mijn oudste zoon in Los Angeles leest dagelijks een Nederlandse krant op internet, kijkt vaak naar het Journaal en soms ook naar Uitzendinggemist.nl, beluistert Nederlandse radiozenders. En allemaal gratis! Dat kan toch niet lang goed gaan zo?
"Maar aan meer concurrentie ben ik gewend. Toen ik Adformatie begon, was er geen concurrent, nu zijn er verschillende. En op bloggebied is het nog drukker. Maar ook daar ontstaat een koude sanering, verwacht ik. Ik zie brancheblogs waarop bijna niemand reageert, dan denkt de uitgever toch ook een keer: ga jij je maar weer op je blad concentreren. Maar ik zie ook dat men de snelle interactie op blog leuker vindt dan je artikelen inleveren die dan pas een maand later verschijnen. Bloggen is vaak gewoon leuk. Net als met bladen: uiteindelijk zullen de besten overleven. Maar dat duurt nog enkele jaren."
Welke goede en slechte reacties zie je op dit dilemma in de praktijk in Nederland en daarbuiten?
"Ik houd me daar nog niet zoveel mee bezig, eerlijk gezegd. We zitten toch nog in een pioniersfase. Dat komt allemaal nog wel. Kwestie van prioriteiten. De eerste zorg is: wordt het wat met die blogs? Hoe diep ga je erin? Hoe combineer je ze al dan niet met je site, de nieuwsbrieven die je al jaren verzorgt? Gaan we er geld mee verdienen, zo ja, hoeveel en wanneer? Moet je er nu al je beste mensen opzetten, afhankelijk van je inschatting van toekomstige ontwikkelingen? Moet je je businessmodel van je printtitel veranderen? Enzovoorts.
Google News leert dat per onderwerp er dagelijks wel zo'n 30 ongeveer dezelfde artikelen in Nederland verschijnen.
Waar leidt dit toe?
"Ik moet altijd denken aan die vacaturesites, die als paddestoelen uit de grond schoten enkele jaren geleden. Ik dacht bij Adformatie: jeetje, dat moeten we niet hebben zeg. Zo’n hausse en dan een recessie, als dat maar niet tegelijk komt. En dat deed het. Toen dacht ik: ik hoop maar dat er honderd van die jobsites komen, dan wordt iedereen er gek van en willen ze lekker die personeelsadvertenties in Adformatie blijven doorbladeren.
"Nu zijn er enkele sterke vacaturejongens overgebleven en Adformatie pakt nog steeds zijn personeelsadvertenties mee. Prima, hopen dat het zo blijft. Uiteindelijk ben je een merk en dat moet je goed onderhouden. Dan komt het wel goed. En dan heb je een natuurlijke voorsprong op anderen. Mits je nieuwe activiteiten even of bijna even kwalitatief zijn natuurlijk. De lezer, waar dan ook, zal altijd kwaliteit herkennen. Ook in de vakinformatiewereld."
Kan Nederlandse journalistiek internationaal expanderen met het net? Waarom wel/niet? En zo ja, hoe dan?
"Ik geloof het niet. Het Nederlandse taalgebied is domweg te beperkt. Maar het zal net zo gaan als bij Endemol. Een goed programmaconcept valt te exporteren, denk aan Idols of Big Brother. GeenStijl of Kieskeurig of Reiswijzer zal het ook in andere landen goed doen, als ze daar nog niet bestaan. Maar ik weet zeker dat internationale medische blogs, vanuit Nederland opgezet en in het Engels, het ook goed zullen doen, bijvoorbeeld. Maar daaraan heeft Elsevier twee jaar geleden al gedacht natuurlijk.
"Zelf overleg ik met reclamebureauverbond VEA over een Engelstalige nieuwsbrief. Maar behoedzaam, want we brachten ooit Engelstalig nieuws in Adformatie, dat roemloos en ongezien aan de kant is geschoven."
Is er krimp of groei van journalistiek en wat zijn daarvoor dan de verschillende krachten en oorzaken?
"De journalistiek groeit alleen maar, maar met de beunhaas gaat het ook goed ineens. Voor elck wat wils. Iedereen kan schrijven tegenwoordig, iedereen noemt zich journalist. Erg onbeschermd, dat vak. Maar ja, wat is journalistiek? Ik zie zoveel slecht geschreven teksten op blogs, daarvan moeten we ons toch kunnen onderscheiden?
"Ik zie veel minder banen ontstaan bij de gevestigde bladen en kranten en bij de betere programma’s van de Publieke Omroep hoeven ze ook geen incentives te bieden om iemand binnen te halen als redacteur. In die zin is er sprake van een enorme verschuiving. Aan de bovenkant, bij de gevestigde kwaliteitsmedia, komt er weinig meer bij, onderaan en in de popibizz wordt het dringen en zal het stikken van de nieuwe intreders.
"En de jeugd heeft steeds meer de toekomst. Iemand van boven de 40 met printervaring die zijn vaste baan beu is, zal vaker zijn hakken in het zand zetten. Want veel mogelijkheden zijn er niet meer om te hoppen. Voor deze groep ben ik somber gestemd, mits ze bereid zijn om zich om te scholen op journalistiek gebied."
Denk je dat adverteerders zich meer van journalistiek zullen verwijderen nu ze zo veel meer kanten op kunnen? In verband hiermee: hoe zie jij financiering? Worden journalisten Google Adwords-slaven, taks gesponsord door Microsoft en Philips, of valt het allemaal wel mee?
"Adverteerders zijn opportunisten. Maar wel voorspelbaar. Ze zoeken naar aandacht van specifieke doelgroepen, waar ze die ook kunnen krijgen. En dat mag je ze ook niet kwalijk nemen, ze betalen er genoeg voor. Trek je met een log, een nieuwsbrief, een krant, een tv-uitzending, een sportevenement de juiste aandacht, dan kun je op ze rekenen. Zolang de journalist zich daar mee bezig blijft houden en daar kwaliteit levert en de kosten beperkt houdt, is er weinig aan de hand. Die Google- Philips slaven zien ik niet zo populair worden hoor, maar misschien ben ik te optimistisch en volg ik de ontwikkelingen nog niet goed genoeg...."
Interview met Pieter Kok
Is internet een bedreiging voor de krant? Pieter Kok, uitgever Volkskrant, lijkt zich weinig zorgen te maken. Hij is juist enthousiast over alle nieuwe ontwikkelingen. "We zijn nu een internetredactie die ook één keer per dag een krant uitgeeft."
Nu.nl is de best bezochte nieuwssite van Nederland. Hebben de kranten het laten liggen op internet?
Pieter Kok: "Ja. De kritiek dat kranten het belang van internet te laat hebben ingezien, is terecht. Kranten zijn te lang blijven geloven dat zij de enige nieuwsbron waren. Maar tegelijkertijd is dat niet onlogisch. Krantenmakers geloven in hun product. De krant is en blijft het ultieme nieuwsproduct. Voor mensen die weinig tijd hebben of in een beslispositie zitten, blijft de krant superieur. Als je minister-president bent, pak je 's ochtends even de krant en dan heb je heel condensed alle informatie. Vervolgens wil je wel weten hoe dingen ontwikkelen. En om in die informatiebehoefte te voorzien heb je andere media nodig."
De manier waarop mensen nieuws consumeren is veranderd?
"Ja. Vroeger was er één moment waarop mensen informatie tot zich namen. 's Ochtends bij het ontbijt lazen ze de krant. Nu is er een veel fragmentarische, continue informatiestroom op gang gekomen. Mensen horen in de loop van de dag wel wat er aan de hand is. Multitasking is zeker voor jonge mensen de leidende manier van denken geworden. Vroeger was je alleen bezig met autorijden bijvoorbeeld, terwijl je nu tegelijkertijd ook zit te bellen en te sms'en. Daarom is ook de functie van de informatieleverancier veranderd. Je moet nu overal en altijd aanwezig zijn. Dat vergt een cultuurverandering. Dat heeft enorme gevolgen voor journalisten."
Wat merken de journalisten van de Volkskrant daarvan?
"Eind 2005 zijn we het project 'newsroom of the future' gestart. Sinds eind mei heeft de Volkskrant een nieuwe organisatie. We zijn nu een internetredactie die ook één keer per dag een krant uitgeeft. Er zijn voortdurend deadlines. De site van de krant wordt de hele dag geüpdate, bij grote gebeurtenissen gaat er een sms uit, om vier uur 's middags verschijnt er een pdf-krant, er is videonieuws en sinds 1 september bieden we ook tv in taxi's aan. Dat zijn allemaal nieuwe initiatieven waarbij we laten zien dat we de lezer de hele dag kunnen bereiken."
Hoe passen de Volkskrant-journalisten zich aan deze nieuwe ontwikkelingen aan?
"We organiseren trainingen voor de redacteuren van de Volkskrant. In groepen van twaalf gaan ze een week lang naar Duitsland. Daar leren ze hoe je een podcast en moblog maakt, hoe je een foto-slideshow in elkaar zet en hoe je een video-standup doet. We hebben inmiddels vijftig mensen getraind en gaan hiermee door tot we de hele redactie hebben getraind."
Moeten journalisten alles kunnen?
"Nee. De redacteuren die op training zijn geweest zijn nog geen volleerde cameramensen of multimediajournalisten. Multiskilled journalisten zijn een heel uitzonderlijk soort. The New York Times heeft er ook maar drie op een redactie van vierhonderd mensen. Maar redacteuren moeten wel leren nadenken over de nieuwe mogelijkheden. Nu denken veel mensen nog dat al die technische toepassingen rocket science zijn. Door zo'n training leren redacteuren dat iedere boerenlul een slideshow kan maken om een verhaal kracht bij te zetten. Dat is handig om in het achterhoofd te hebben als je een reportage maakt. Als je een multimediale organisatie wilt zijn, moet je zorgen dat de redacteuren er in gaan geloven."
Welke rol speelt u als uitgever bij deze nieuwe ontwikkelingen?
"De rol van de uitgever is om dergelijke nieuwe ontwikkelingen te faciliteren. Dat kan alleen door journalisten de tools te geven. Blackberries bijvoorbeeld, om mee te mailen en bellen. Het liefst zou ik de vaste telefoons afschaffen en vervangen door mobiele telefoons. Ik heb Pieter Broertjes (hoofdredacteur van de Volkskrant, MR) nu zover gekregen dat hij zijn desktop heeft ingeruild voor zijn laptop. Dat is een majeure verandering voor die man. Daar is hij twee weken hoogzwanger van. Maar hij doet het wel, hij gelooft er in."
Zullen er in de nieuwe generatie journalisten meer multiskilled journalisten zitten?
"Ja, dat aantal zal zeker toenemen. Ook omdat jongeren al veel meer gewend zijn om te multitasken."
Zie je op de huidige redactie ook dat jongeren enthousiaster zijn over de nieuwe mogelijkheden dan oudere journalisten?
"Believers en disbelievers zie je in alle generaties. Het opmerkelijke was juist dat de mannen die het meest enthousiast waren over de 'newsroom of the future' de Nico Goeberts van deze wereld waren. Zij hadden het idee dat ze hun oude vak weer terugkregen. Ze waren weer nieuwsmakers geworden."
Waren ze dat dan niet meer?
"Er is natuurlijk een tijdje het idee geweest dat nieuws niks voor de Volkskrant was. Dat kon Nu.nl beter. Wij moesten achtergronden doen. Dat is natuurlijk bullshit, aperte onzin. Nu.nl zit met vijf, zes man ANP-berichten door te plaatsen. Ze doen er helemaal geen moer aan. Dat moet een redactie van 220 man toch een stuk beter kunnen."
Haalt de Volkskrant Nu.nl binnen tien jaar in?
"Eerder wel."
Hoe belangrijk is internet voor de Volkskrant?
"Waanzinnig belangrijk. Met onze site bereiken we 1,2 miljoen unieke bezoekers per maand, met de krant zitten we op een bereik van 750.000 mensen. En de trends zijn duidelijk: internet groeit, terwijl de krant krimpt."
Maar kun je wel geld verdienen met een nieuwssite?
"Dat is nu nog het zwakke punt in het hele verhaal. Adverteerders zijn nog heel conservatief. Tegelijkertijd zie je dat het geld dat wordt uitgegeven aan krantenadvertenties afneemt, terwijl er online jaarlijks 30 procent bij komt. Een probleem is wel dat de concurrentie op internet veel groter is. De toelatingsdrempel om op internet uitgever te worden is nihil."
De Volkskrant is druk bezig met het maken van video's. Hoe gaat dat?
"Het eerste jaar leken de filmpjes nergens naar, maar je ziet dat er nu heel leuke video's online staan. Je kunt er nog van alles op aanmerken, bijvoorbeeld over de kwaliteit van de voiceovers, maar ik voorspel dat we binnen twee jaar heel goed zijn."
Peter Schrurs, directeur van de VPRO, zegt dat krantenjournalisten niet moeten denken dat ze zomaar tv kunnen maken.
"De arrogantie van tv-mensen die denken dat krantenjournalisten dat niet kunnen, zou wel eens het gekookte-kikker-syndroom kunnen blijken. Lineair programmeren, zoals de omroepen zijn gewend, is einde verhaal. Broadcasten gaat steeds meer naar narrowcasten. Voor kranten is het veel eenvoudiger om zich aan deze nieuwe situatie aan te passen dan voor omroepen. Het is makkelijker voor krantenjournalisten om te upgraden naar internetkwaliteit dan dat het voor tv-makers is om terug te schalen naar internetkwaliteit. Tv-producties kosten nu enorm veel geld. De omroepen zullen het moeilijk krijgen om hun 'geld is geen probleem'-leven op te geven. Voor de VPRO is het duizendmaal moeilijker om een camerateam niet met hdtv-camera maar met JVC-camera van 5000 euro op pad te sturen dan voor ons. De consument vindt het genoeg als je voor een reportage twee man in een autootje zet met een camera. Daarom zijn citizen journalism sites ook zo populair: omdat het om de inhoud gaat en niet om de kwaliteit van de beelden."
De omroepen gaan het moeilijk krijgen?
"Weinig mensen hebben het door, maar we zijn bezig een frontale aanval op de omroepen te doen. Bij PCM zijn plannen om eigen zender te maken. We zenden nu uit in taxi's. Als het daar lukt, lukt het overal. Dan kunnen we onze tv-dienst ook aanbieden in de trein, via de mobiele telefoon et cetera."
Gratis kranten zijn geduchte concurrenten voor de Volkskrant. Zij werken tegen lagere kosten. Heeft de Volkskrant niet een vergelijkbaar probleem als de VPRO?
"Tuurlijk, tuurlijk, dat is zo. We hebben onvoldoende oog gehad voor de behoefte van de klant. Gratis kranten zijn altijd beschouwd als een inferieur product. Maar voor jonge mensen zijn Metro en Spits geen inferieur product. Een gratis krant past bij hun gebruik. Ze willen een samenvatting van wat er aan de hand is. Daarin verschillen ze niet zoveel van de lezers van de Volkskrant. Die lezen ook voornamelijk koppen en intro's. Als je 's ochtends maar een kwartier de tijd hebt kun je ook niet zoveel anders. Iedere dag wordt nog geen 10 procent van de krant gelezen.
"We zijn eindeloos bezig geweest om concepten voor een gratis krant te maken. Dat is verdomd moeilijk. De eerste neiging is om een Volkskrant-min te maken. Maar wat je moet doen is een Metro-plus maken. Voor ons is neerdalen naar een gratis krant net zo moeilijk als voor het de VPRO is om terug te schalen."
De Volkskrant biedt lezers de mogelijkheid om een weblog te beginnen. Een opmerkelijke stap.
"De Volkskrant is van oudsher een lezerskrant geweest. We plaatsen veel lezersbrieven en we waren de eerste krant met een ombudsman. We willen ook een podium zijn voor de lezers."
Bij de lezersbrieven maakt de redactie een selectie, op de weblogs kan elke gek zijn mening geven.
"Dat is inderdaad een discussie waar we nog niet helemaal uit zijn: moeten we de weblogs modereren of niet? Ook op de redactie hebben we de rekkelijken de preciezen, mensen die vinden dat je wel moet modereren en mensen die vinden dat je de weblogs met rust moet laten. Als we een beetje gaan modereren, heb je direct allerlei internetgoeroes die beginnen te mekkeren dat we het niet kunnen en niet snappen. Aan de andere kant: als je alles toestaat, kan de hoofdredacteur daar dan de verantwoordelijkheid voor nemen?"
Op de weblogs van de Volkskrant wordt soms ook forse kritiek geuit op de krant.
"Dat hoort er een beetje bij. Als ze nooit over je zeiken, doe je het niet goed. In de krant plaatsen we ook niet alleen de brieven waarin we de hemel in worden geprezen. De Volkskrant is een kritische krant voor kritische mensen. Als je de lezer altijd geeft wat hij wil, ben je binnen de kortste keren dodelijk saai. De journalisten en de hoofdredactie van de Volkskrant zijn zelf ook kritisch op hun krant. Als je iets doet, weet je altijd dat 30 procent het niets vindt, en dan heb je mazzel. Meestal is het 50 procent. Mensen vragen we me wel eens hoe ik het volhoud om hier te werken. Maar uiteindelijk geldt toch: het is een rotkrant, maar het is wel onze rotkrant."
(Op het moment dat het interview plaatsvond, waren de plannen voor de lancering van een gratis dagblad van de Volkskrant nog niet bekend.)
Interview met Thomas Bruning
Thomas Bruning is algemeen secretaris van de NVJ. De journalistenvakbond slaagt er nog niet in veel internetjournalisten en webredacteuren aan zich te binden. En dat terwijl er voor internetjournalisten nog een wereld is te winnen. "Het werk dat internetjournalisten doen, wordt op dit moment niet op juiste waarde geschat. Er is sprake van onderwaardering."
De dag voor dit interview vond in Amsterdam een debat plaats over het nut van de Raad van de Journalistiek. Er is op dit moment maar één Nederlandse site die zich onderwerpt aan de uitspraken van de Raad…
Thomas Bruning: "Ja, dat is Planet Internet. Materieel vallen er natuurlijk veel meer sites onder, zoals de sites van de omroepen en dagbladen. Maar het maakt wel duidelijk dat er werk aan de winkel is. De Raad moet het digitale gebied beter in kaart brengen. Het is belangrijk dat ook op internet fouten worden rechtgezet. Foute informatie blijft je op internet immers veel langer achtervolgen dan een eenmalige publicatie in een krant. Kijk naar Hans Melchers, die ten onrechte in verband werd gebracht met drugshandel. Die moest langs alle sites, inclusief Google. Er hoeft maar één site te zijn die de fout niet rechtzet en over tien jaar staat het er nog." Hans Melchers heeft nu een fonds opgericht om 'slachtoffers' van de media financieel te ondersteunen.
"Hij heeft wel een punt dat het heel kostbaar is om al die sites af te gaan. Voor veel mensen is dat onbetaalbaar. Tegelijkertijd speelt het probleem ook aan de andere kant. Je hebt genoeg kleine media op internet die eveneens armlastig zijn. Bij een normaal medium zeggen ze als ze een brief van een advocaat binnenkrijgen: we zien het kortgeding wel komen. Een kleine publicatie denkt wellicht: als ik voor de rechter moet verschijnen, kan ik mijn hele toko wel sluiten. De kwetsbaarheid zit op internet soms ook bij providers. De digitale-burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom heeft een keer een test gedaan waarbij ze bij internetaanbieders klaagden over auteursrechtinbreuk, omdat een abonnee een tekst van Multatuli online had gezet. Hoewel het auteursrecht op die tekst al was verstreken, bleken de meeste providers de tekst toch te verwijderen. Bij andere media zou zoiets ondenkbaar zijn."
Hoeveel internetjournalisten en webredacteuren zijn er lid van de NVJ?
"We hebben iets van 110, 120 internetjournalisten in ons ledenbestand. Het werkelijke aantal ligt hoger, omdat sommige mensen die op internetredacties werken, zijn aangemeld als dagbladjournalist of als lid van de omroep. Desondanks blijft het aantal 'internet'-leden hangen op een niveau dat lager is dan het potentieel. Internetjournalisten zijn minder goed georganiseerd dan traditionele journalisten. Het is heel moeilijk om echt greep te krijgen op die groep."
Hoe komt dat?
"De belangrijkste verklaring is dat veel internetjournalisten werken in kleine bedrijfjes die niet zijn ingebed in bestaande mediabedrijven. Als je op de internetredactie van een krant of omroep werkt, is het vanzelfsprekender om lid te worden, omdat er bij dergelijke organisaties een collectief geheugen bestaat van mensen die al jarenlang in de journalistiek actief zijn. De voordelen van de NVJ zijn daar ook duidelijk zichtbaar. Denk aan de CAO's en arbeidsvoorwaarden."
Startende bedrijven hebben een broertje dood aan CAO's.
"Ja, niet alle kleine bedrijven zitten daar op te wachten. Er is vaak ook geen Umfeld waarin je zaken als beloning en arbeidsvoorwaarden makkelijk aankaart. Veel mensen die als journalist aan de slag gaan bij internetbedrijfjes, zijn bovendien niet afkomstig van de Scholen voor Journalistiek waar ze ook sneller in contact komen met de NVJ. Dat betekent voor ons dat het moeilijker is om internetjournalisten te bereiken. We moeten actief naar hen op zoek."
En hoe doen jullie dat?
"Via internet en door middel van activiteiten. Alleen al door mensen samen te brengen en onderwerpen te bespreken die in de groep internetjournalisten leven, kun je laten zien dat de NVJ wat kan betekenen. De bijeenkomsten van de internetsectie van de NVJ zijn redelijk succesvol. Omdat veel internetredacteuren niet op grote redacties zitten, heb je daar minder snel een uitwisseling van gedachten bij de koffieautomaat. Bijeenkomsten kunnen die lacune vullen."
Ik kan me voorstellen dat jullie voordeel hebben gehad bij het uiteenspatten van de dotcom-zeepbel. Bij dreigend ontslag kan de steun van een vakbond wel prettig zijn.
"Dat is inderdaad wel een moment geweest waarop we zichtbaar konden worden op plaatsen waar we al een aantal leden hadden, zoals bij Planet Internet. Bij reorganisaties heb je een soort automatische entree. Op het moment dat je binnen bent, zien anderen dat ook."
Een voet tussen de deur is belangrijk?
"Ja. Je ziet dat ook als bedrijven worden opgeslokt. Kijk bijvoorbeeld naar BNR Nieuwsradio. De BNR-journalisten zitten nu bij Het Financieele Dagblad en zien hun collega's elke maand een heel ander bedrag toucheren. Dan ontstaat er vanzelf het gevoel dat zij ook wat moeten. Dat moment is bij internetjournalisten nog niet zover."
Worden internetjournalisten onderbetaald?
"Het werk dat internetjournalisten doen, wordt op dit moment niet op juiste waarde geschat. Er is sprake van onderwaardering. Journalisten bij bedrijven als Planet en Neos zitten duidelijk een slag onder het salarisniveau dat wij hebben weten te bereiken voor tijdschrift- en dagbladjournalisten. En dat terwijl zij qua capaciteiten, analytisch vermogen en werkdruk recht moeten hebben op meer."
Er zijn webredacteuren die zich voornamelijk bezighouden met het modereren van reacties. Kun je dat nog wel journalistiek noemen?
"De binnenkomende berichten: díe hebben niets met journalistiek te maken. Het selecteren en op een rij zetten van reacties is daarentegen wel degelijk journalistiek. De berichten krijgen een meerwaarde als iemand daar iets mee doet. Vergelijk het met een interview. Als ik word ondervraagd, betekent dat nog niet dat ik journalist ben. Tussen modereren en interviewen zit niet zoveel verschil. In beide gevallen heb je basismateriaal en dat geef je meerwaarde door de ene uitspraak of reactie te gebruiken en de andere weg te flikkeren."
Wordt de moeilijkheidsgraad van de internetjournalistiek onderschat?
"Ja. We laten wel eens journalisten van De Journalist meedraaien met Villamedia. Dan zien ze pas dat het wat anders is dan een knipselkrant. Het is niet eenvoudig om in tien regels de essentie van een nieuwsfeit weer te geven en er een goede kop boven te zetten. Natuurlijk, iedereen wil graag groot onderzoek doen, maar ondertussen moeten de krant en de site wel worden gevuld. Als je die basisbeginselen niet onder de knie hebt, begin je niks. Dan kun je wel heel spannend onderzoek doen, maar wat heb je daaraan als je het op een knudde-manier presenteert?"
Welke nieuwssites hebben de toekomst?
"Uiteindelijk komen er, net als in de omroep- en tijdschriftenwereld, groepsnamen waarop je vertrouwt. Die selecteren uit een enorm aanbod wat voor jou relevant is. Daarom heb je voldoende journalisten nodig om meerwaarde te verschaffen. Verder is succes ook afhankelijk van zoiets banaals als een paar letters. Ik ben een basale internetgebruiker. Ik heb geen software waarmee automatisch het nieuws van mijn favorieten wordt binnengehaald. Ik tik een internetadres nog lekker even in, en dan kom je al snel op sites met twee letters, zoals Nu.nl of Ad.nl. De Volkskrant gebruikt nu ook Vk.nl: heel slim. Mensen haken af als ze een lang adres moeten typen. Dat is net als bij de omroep. Nederland 1, 2 en 3 hebben een basisaantal kijkers omdat ze bij de meeste mensen onder de eerste knoppen van de afstandsbediening zitten. Daar kun je journalistiek geen moer aan doen. Dat is het voordeel van de eerste zijn of een aantrekkelijke naam hebben."
Er is een school die meent dat iedere weblogger in feite een (burger)journalist is. Kunnen al die bloggers zich straks aanmelden bij de NVJ?
"Wij willen nooit in de inhoud treden. De NVJ gaat niet beoordelen of Boulevard of Privé journalistiek is of niet. Als je je brood verdient met verspreiden informatie, ben je journalist. Huisvaders die een site over Ajax hebben, vallen af tenzij ze voldoende geld verdienen en kunnen aantonen dat ze zekere mate van onafhankelijkheid hebben. Al hebben we die onafhankelijkheid tot nu toe niet hard geregeld."
Vormt het leger van burgerjournalisten geen obstakel bij het invoeren van een wettelijk geregeld verschoningsrecht voor journalisten? Straks start Willem Holleeder een weblog en noemt hij zichzelf journalist.
"In België is dit probleem op een slimme manier getackeld. Daar geldt het verschoningsrecht in beginsel voor mensen die betrokken zijn bij het brengen van informatie naar een breder publiek. Uiteindelijk kun je het dan wel aan een rechter overlaten om een oordeel te vellen over de vraag of iemand journalist is of dat het hem alleen maar te doen is om het verschoningsrecht en een perskaart."
Deze zomer bepaalde het Arbitragehof in België dat ook onbezoldigde webloggers die journalistiek actief zijn, zich mogen beroepen op het verschoningsrecht.
"Dat lijkt me wel goed. Het is natuurlijk niet meer zo dat elke gevoelige onthulling wordt gebracht door een journalist met een opschrijfboekje. Als je de definitie van journalist te nauw gaat formuleren, loop je het gevaar dat je geen bescherming meer biedt aan de klokkenluiders, terwijl dat juist de groep is die je wilt beschermen."
Hoe komt het dat de oplages van de betaalde dagbladen dalen? Komt dat door internet of door de gratis kranten Metro en Spits?
"Het speelt allebei een rol. De gratis kranten tonen wel aan dat je blijkbaar nog steeds veel jongeren kunt aanspreken met het krantenproduct. Wel moet alles sneller, korter en gratis. De krant is dus nog niet aan het eind van zijn levensloop, al hoef je met mij niet lang te discussiëren dat de oplagen van de betaalde kranten in huidige vorm niet overeind blijven."
Leidt het niet tot oppervlakkige journalistiek: Metro en Spits die voornamelijk ANP-berichten overnemen?
"Dat is een discussie die ik ook wel eens voer met de hoofdredacteuren van de gratis kranten. Bart Brouwers van Spits zegt: wij schrijven niet alleen maar nieuws over van het ANP. Maar ik denk toch dat hij met die tweehonderd mensen die hij in Limburg had, dieper kon gaan dan met de twintig schrijvende redacteuren die Spits heeft. Dan ben je toch sneller geneigd om een persbericht over te nemen. Ik vind het verder leuk wat de Spits-redactie doet, maar de NVJ maakt zich wel degelijk zorgen om de verschraling van de journalistiek."
Waar blijkt die verschraling uit?
"Zaken als een onafhankelijke blik op regionale politieke discussies, de aanwezigheid in het buitenland en de verslaggeving over wat er in Europa gebeurt, delven het onderspit door alle bezuinigingen. Het is niet voor niets dat wij in een notitie aan de formateur signaleren dat er de afgelopen drie jaar meer dan duizend banen zijn verdwenen in de dagbladjournalistiek. Daardoor verlies je aan inhoud. De journalistiek speelt een wezenlijke rol: als waakhond en als samenbindende factor in een samenleving. Daar moet je menskracht voor hebben."
En dus pleit de NVJ voor het financieel ondersteunen van kranten.
"Ja, maar dat is niet eenvoudig. Je moet zoeken naar manieren waardoor het geld niet meteen wegvloeit naar investeerders als Apax. Een echte oplossing voor dat probleem heb ik nog niet. We moeten daar eens goed voor gaan zitten en kijken wat er in andere landen gebeurt."
De meeste kranten zitten niet op steun van de overheid te wachten.
"Ja, dat is slappigheid. Ze schreeuwen moord en brand als er bezuinigd wordt op de redactie, maar als wij nadenken over manieren waarop je de kranten zou kunnen ondersteunen, voelen ze zich daar te chique of onafhankelijk voor."
Komt de onafhankelijkheid van kranten door subsidies niet in het geding?
"Nee, wat denk je dan? Dat Zalm zal zeggen: ik trek me terug omdat die krant slecht over mij heeft geschreven. Dat is een denkfout. Dan kun je net zo goed zeggen: de publieke omroep is een grote farce. En ik denk nog steeds dat de NOS en de verschillende informatieve programma's prima onafhankelijk hun werk doen."
Op internet wordt het NOS Journaal wel regelmatig aangeduid als het Staatsjournaal.
"Dat is gelul. Dat is LPF. Dat is Herben met zijn appeltje. Luister: we hebben de afgelopen jaren reorganisatie na reorganisatie moeten afsluiten. Voor berichtgeving vanuit het buitenland en Europa geldt: kan niet meer, gebeurt niet meer. Het is vervolgens heel stoer als je hoofdredacteur zegt dat je niets nodig hebt, maar als beroepsvereniging willen we graag iets meer doen."
Wie is Internetjournalist?
Een van de belangrijke vragen in het onderzoek naar de internetjournalistiek is eigenlijk: over welke journalisten hebben we het nu eigenlijk en waar werken zij? Om een aanvang te nemen met het onderzoek daar is geprobeerd een lijst samen te stellen met het aantal FTE's dat in de internetjournalistiek gestoken werd.
Dat is het begin van een complex karwei. Immers, wie telt als een webjournalist? En niet minder belangrijk: als ze niet in de traditionele welbekende sectoren werkzaam zijn, hoe vinden de onderzoekers hen dan?
Uitsnede
Om toch alvast een idee te krijgen van de groei van de Nieuwe Media sector is besloten er een uitsnede van te pakken. De belangrijkste journalistiek TV-programma's, radioprogramma's, kranten en tijdschriften (lijst op basis van het NuV) zijn benaderd met enkele vragen: hoe vaak wordt de site ververst, hoe veel mensen werken er aan het web en hoeveel FTE is dat ten opzichte van de gehele redactie.
Niet uitputtend
Uiteraard kan zo'n aanpak niet tot een uitputtende lijst leiden, maar het geeft niettemin toch een stevig beeld van de groei van het internet in de traditionele journalistieke sector. In de lijst hebben we alleen die media opgenomen (en dat bleek zo'n 70%, die op de oproep van onze enquete gereageerd hebben. Het resultaat: zelfs met al deze beperkingen kon 613 internetjournalisten, 413 FTE kon worden gelokaliseerd.
Werkgelegenheid
Wellicht een verrassend resultaat: de dagbladen, landelijk opgeteld bij regionaal, liggen in deze meting nu voorop met 160 FTE, gevolgd door de omroep, TV opgeteld bij Radio, met 139. De selectie aan tijdschriften volgen met toch nog altijd 101 FTE. Die werkgelegenheid verast weer niet als men ziet welke hoge eisen men over het algemeen stelt aan de actualiteit van de website: nagenoeg elk journalistiek medium ververst de site dagelijks en uitbesteding van de journalistieke poot komt niet of nauwelijks voor.
Het gehele Excell bestand van traditionele media die hebben gereageerd op een vraag naar nieuwe mediaformatie:
Onderzoekformatie (xls)
Mediaconvergentie
Convergentie. Enkele jaren geleden was het een toverwoord. Verschillende media zouden steeds meer samenvloeien. Met name televisie en internet zouden steeds meer naar elkaar toegroeien. Diensten als WebTV (internet op je televisie) speelden daar op in en ook voor interactieve tv-programma's werd een grote toekomst voorspeld. Een groot succes werd het huwelijk tussen tv en internet echter niet. Pogingen om via televisie internet aan te bieden, mislukten. WebTV werd een flop. En ook op interactieve tv-programma's zaten maar weinig mensen te wachten. Mensen zijn nog net bereid om tijdens een programma een sms'je te sturen of om een rode knop op de afstandsbediening in te drukken, maar daarmee houdt de bereidheid tot interactie echt op. Degenen die er heilig van overtuigd waren dat internet en televisie zouden samensmelten, vergisten zich in de menselijke natuur, oordeelden critici. Tv-kijken en internetten zijn wezenlijk andere bezigheden. Wie tv kijkt, doet dat bij voorkeur onderuitgezakt op de bank. Internetten doe je op een stoel, het lichaam lichtelijk voorovergebogen. Televisie is een passieve bezigheid, op internet wordt aanmerkelijk meer initiatief van de gebruiker verwacht.
Exit convergentie? Niet helemaal. Bij KPN is het mogelijk om een tv-dienst af te nemen die de huiskamer binnenkomt via het koperdraadje van de telefoon. De dienst, Mine geheten, is een vorm van iptv: televisie via het internetprotocol (ip). Hoewel een dergelijke vorm van televisie meer interactie mogelijk maakt dan gewone televisie, is de dienst eigenlijk niet te onderscheiden van een andere vorm van tv. Je kunt gewoon op je tv-toestel kijken. Hier is sprake van een technische convergentie.
Op andere terreinen lijkt een vergelijkbare evolutie plaats te grijpen. Internet, televisie, radio, krant en telefonie zijn voor een belangrijk deel nog altijd gescheiden werelden. Maar ondertussen is het wel mogelijk om met je mobiele telefoon te e-mailen en te internetten. Via internet kun je tv-programma's terugzien en naar de radio luisteren. Veel kranten, zoals De Telegraaf en de Volkskrant, bieden via internet een integrale elektronische versie van hun papieren krant aan. En de Belgische krant De Tijd is inmiddels zelfs te lezen op elektronisch papier.
Zit de consument erop te wachten?
Het is de vraag of consumenten op al deze innovaties zitten te wachten. Maar sommige zaken slaan wel degelijk aan. Terwijl de oplagecijfers van de kranten dalen, mogen de sites van diezelfde kranten zich verheugen in sterk stijgende bezoekcijfers. Ook videosites zoals Uitzendinggemist.nl en YouTube zien het bezoek exponentieel groeien.
Vincent Everts van het bedrijf PcZapper (video kijken op de pc) steekt zijn enthousiasme over de mogelijkheden van nieuwe technologieën nooit onder stoelen of banken. Volgens hem komt de convergentie van media er alsnog, zij het in een wat rustiger tempo dan enkele jaren geleden werd voorspeld. "We besteden nu 15 minuten per dag aan muziek en video via internet. Daarmee is internet het vijfde tv-station van Nederland. Alleen RTL4, Nederland 1, Nederland 2 en SBS6 slagen er in om de Nederlander langer te boeien. En dit is pas het begin."
Uit Brits onderzoek van november 2006, uitgevoerd door ICM, blijkt mensen die veel video's op internet bekijken, minder naar de gewone televisie kijken. Een kanttekening is hierbij wel op zijn plaats. De groep waarbij dit veranderde mediagebruik zichtbaar is, is nog altijd een minderheid. De digitale voorhoede die regelmatig op internet naar video's kijkt, beslaat vooralsnog maar 9 procent van de Britse bevolking. Tweederde van de Britten kijkt nog helemaal geen video via internet en is ook niet van plan om daar het komende jaar mee te beginnen.
Gevolgen voor de journalistiek
Hebben deze veranderingen in de mediaconsumptie gevolgen voor de journalistiek? De commissie-Wallage, die advies uitbracht over het toegankelijk maken van overheidsinformatie, dacht in 2001 van wel. "[Er] ontstaat (..) door de convergentie van verschillende soorten media ook een nieuwe type journalist, namelijk een die meerdere typen media bedient."
Nu is het natuurlijk allesbehalve nieuw dat journalisten voor verschillende typen media werken. Denk bijvoorbeeld aan de in 1997 overleden Joop van Tijn. Die was niet alleen (hoofd)redacteur van Vrij Nederland, hij was ook betrokken bij tal van radio- en tv-programma's, waaronder het radioprogramma 'Welingelichte Kringen' dat hij jarenlang presenteerde. Wel nieuw is dat veel redacties zich niet langer tot één medium beperken. Een krant is niet langer alleen een krant, maar – om in managementjargon te spreken – een merk. Onder de vlag van dat merk worden vervolgens tal van activiteiten ontplooid: internet, audio, video.
In 2004, toen een vorige editie van dit onderzoek verscheen, kwamen de voorbeelden van mediaconvergentie zonder uitzondering uit buitenland: de siteredactie van Sports Illustrated integreerde in de papieren redactie; The New York Times en de Washington Post plaatsten audio-interviews met hun correspondenten online; en de BBC en een Argentijnse radiozender voorzagen hun verslaggevers van mobiele telefoons met camera's voor het maken van korte videofilms.
Convergentie in Nederland
Inmiddels is het net zo makkelijk om vergelijkbare Nederlandse voorbeelden te geven. Op veel Nederlandse redacties vervagen de verschillen tussen internet, papier, radio en tv. Kijk bijvoorbeeld naar de NOS. Volgens de site van de omroep is de NOS een 'multimediale nieuwsorganisatie die 24 uur per dag en 7 dagen per week actief is'. De verschillende redacties – radio, televisie, teletekst en internet – worden in elkaar geschoven. Of neem Radio Nederland Wereldomroep. De teksten die worden voorgelezen op de radio, verschijnen ook op de website. En spectaculairder: de omroep geeft in de zomer een krant uit die via e-mail naar honderden campings wordt verstuurd.
Omgekeerd houden kranten het al lang niet meer bij papier alleen. NRC Handelsblad maakt het dagelijkse tv-programma Who's Next voor RTL 7, waarbij twee NRC-journalisten (Robert van de Roer en Monique Snoeijen) met een min of meer bekende Nederlander de Nrc.next van die ochtend doornemen. Behalve op RTL 7 zijn de video's ook te zien via de site van de krant. Vrijwel alle andere Nederlandse kranten experimenteren op hun sites eveneens met video en audio.
Bij de FD Mediagroep is mix van media wellicht het verst doorgevoerd. De redacties van Het Financieele Dagblad en BNR Nieuwsradio zitten in één grote ruimte. Radio, krant en internetredactie werken nauw samen. Zo verschijnen in de online artikelen van Het Financieele Dagblad geluidsfragmenten die afkomstig zijn van BNR Nieuwsradio. De redacteuren van Het Financieele Dagblad hebben een cursus radio gevolgd en BNR Nieuwsradio zet hen regelmatig in om als expert commentaar te leveren op de actualiteit.
Mulltiskilled journalisten
Voor al deze nieuwe activiteiten zijn (technische) vaardigheden nodig waarover de journalisten die bij een bepaald medium werken, niet noodzakelijk beschikken. Een krantenjournalist kan niet van de ene op de andere dag een tv-programma presenteren en monteren. Een radiomaker kan niet direct een krant maken en een tv-redacteur vult niet zomaar een website.
Er zijn nog maar weinig journalistieke alleskunners. "Multiskilled journalisten zijn een heel uitzonderlijk soort. The New York Times heeft er ook maar drie op een redactie van vierhonderd mensen", zegt Volkskrant-uitgever Pieter Kok in een interview voor dit project. "Er zijn mensen die alles kunnen, maar die zijn nog zeldzaam", concludeert ook Peter Schrurs, directeur van de VPRO en daarvoor van de School voor Journalistiek. Wel verwachten Kok en Schrurs dat nieuwe generaties journalisten minder moeite zullen hebben met de verschillende media. Schrurs: "Als ik nu nog aan de School voor Journalistiek zou werken, zou ik ook erg stimuleren dat studenten verschillende vaardigheden onder de knie krijgen. Dat soort mensen hebben we in de toekomst nodig." Everts: "Jongere generaties zijn veel meer gewend om allerlei verschillende zaken naast elkaar te doen."
Bas Broekhuizen van de Volkskrant is waarschijnlijk één van de weinige journalisten die in aanmerking komen voor het predikaat multiskilled journalist – hij werkte op de internetredactie, schreef stukken voor de krant en is nu chef video. Zelf gruwt hij van de term multiskilled journalist. "Het idee van de multimediajournalist heb ik de afgelopen jaren achter me gelaten. Het kan best zo zijn dat een journalist meerdere talenten heeft, maar het is lastig om ze tegelijk uit te oefenen. Dan krijg je een onbevredigende situatie, waarbij je twee dingen half doet."
Scheiden van de taken
Een flink deel van de Volkskrant-redactie is wel op cursus geweest om kennis te maken met de nieuwe mogelijkheden, maar volgens Broekhuizen is het niet de bedoeling dat schrijvende journalisten nu massaal de camera ter hand nemen. "Als krantenjournalist ga je heel anders te werk dan als je met een camera op pad gaat. Schrijvende journalisten gaan redelijk blanco ergens naartoe, terwijl je bij het maken van video's van tevoren een plan moet maken. Voor tv of op de radio heb je duidelijke quotes nodig, als krantenjournalist gaat het in eerste instantie om het verhaal. We zijn wel eens samen op pad gegaan, maar dat werkt niet. Je stelt andere vragen en je loopt elkaar in de weg."
Dat betekent niet dat Broekhuizen geen rol ziet weggelegd voor de schrijvende redacteuren van de Volkskrant. "Het voordeel van een multimediale organisatie is natuurlijk dat we de journalistieke expertise van de redacteuren hier kunnen gebruiken voor onze audiovisuele producties – vooral in de voorproductie. We hebben een bureauredactie van tweehonderd man. Daarnaast is het natuurlijk geen probleem als onze journalisten vóór de camera verschijnen, bijvoorbeeld om een standup te doen." Zo presenteert filmrecensent Ronald Ockhuysen een filmrubriek op de Volkskrant-site.
"Ik ben niet van de school zie zegt dat je elke journalist een videocamera mee moet geven. Met het oog op het productieproces is het juist veel efficiënter om taken op te delen", meent Broekhuizen. Hij spreekt uit ervaring. Toen het Utrechtse katern van de Volkskrant verdween, experimenteerde de krant korte tijd met multimediale journalistiek. "We probeerden een onderwerp steeds multimediaal uit te werken: een stuk in de krant en video op de site. Maar dat werkte niet. Het zijn twee verschillende disciplines. Tv-maken is een vak apart, net zoals een stuk voor de krant schrijven."
Opleidingen I: volledig geïntegreerd
De kennis van docenten was onvoldoende, de interesse voor internetjournalistiek nam af, collega-docenten zagen de ontwikkelingen op internet niet voor vol aan. Deze en andere conclusies rolden 3 jaar geleden uit een vragenronde onder de docenten nieuwe media op de scholen voor journalistiek (Lees het artikel uit 2003). Nu, aan het einde van het onderzoek “De Digitale Journalist” van de NVJ, blijken de zaken er veel rooskleuriger voor te staan. Internet is niet meer weg te denken uit de huidige opleidingen.
Internet volledig geïntegreerd in opleidingen
Het barsten van de internetbubbel was er in 2003 debet aan dat ook veel studenten journalistiek hun vertrouwen verloren in het nieuwe medium. Het aantal leerlingen dat zich inschreef voor de internetjournalistieke vakken, nam enorm af. Dat is anno 2006 geen issue meer. Internet en haar journalistieke toepassingen zijn volledig geïntegreerd in de journalistieke opleidingen. “De interesse van zowel vol- als deeltijdstudenten voor internet is zelfs zeer groot. Die interesse strekt van het gebruik van internet als bron, tot communicatiemedium maar met name als publicatiemedium”, zegt Hans Invernizzi, praktijkcoördinator voor School of Media van Christelijke hogeschool Windesheim (HBO journalistiek Zwolle). En Job Twisk, docent internetjournalistiek van de School voor Journalistiek in Utrecht, stelt: “Internet is haar excentrieke status kwijtgeraakt. Wat voorheen als “bijzonder” gold, is nu een standaard deel van de opleiding.” Alle studenten komen gedurende hun studie in aanraking met internet. Al tijdens de eerste twee jaren standaard journalistiek onderwijs wordt aandacht besteed aan internet als researchtool en internet als publicatiemedium. In het derde en vierde jaar wordt tijdens de specialisatie dieper op de stof ingegaan. “Dat moet ook wel”, vindt Ruud Vos van de Christelijke Hogeschool in Ede. “Want ook in het dagelijkse leven kun je er niet meer omheen. Er wordt weer geïnvesteerd in de nieuwe media. Vergelijk het aantal aangeboden vacatures op VillaMedia maar eens: internetjournalistiek steekt met kop en schouders boven het aantal werkplekken bij dagblad of tijdschrift uit. De scholen moeten op die ontwikkeling inspringen.”
Afstudeerrichting internet geschrapt
De school in Ede is zelfs zover gegaan met de integratie dat men de afstudeerrichting internetjournalistiek heeft geschrapt. Alle journalistieke producten kunnen immers digitaal worden verspreid. "Wij leren studenten de klassieke journalistieke vaardigheden vervolgens leren we hen hun product toe te passen voor internet en multimedia", zegt Maarten Bakker, docent in Ede. Bakker geeft wel aan dat er momenteel overwogen wordt een nieuwe afstudeerrichting multimedia op te zetten.
Bij de school in Zwolle wordt internetjournalistiek niet meer als apart vak gezien, laat Hans Invernizzi weten. “Het is volledig vervlochten met de andere vakken. We werken bijvoorbeeld crossmediaal met nieuws uit de Zwolse wijken op de website http://www.zwolsnieuws.nl en we organiseren steeds vaker stages internetjournalistiek". Ook de andere opleidingen plaatsen hun stagiaires steeds vaker bij multimediale bedrijven, zo laat men weten.
Multimediaal redactiebedrijf
Tilburg start dit jaar een nieuw project: nieuwsbedrijf.nl. Daarin werken de verschillende gespecialiseerde redacties (RTV, geschreven pers, internet) samen op 1 nieuwsvloer. “Elk medium moet het andere voeden. Er moet gebruik gemaakt worden van elkaars specialiteiten. Zo leert iedere student omgaan met de verschillende media. En leert hij of zij de sterke punten, maar ook de tekortkomingen van elk medium. Op basis daarvan kan de student een betere afweging maken voor zijn mediumspecialisatie die op de Tilburgse opleiding blijft bestaan”, zegt Wiel Schmetz, directeur van de Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg. Hij was voorheen docent nieuwe media / massacommunicatie en heeft een pioniersrol gespeeld bij het invoeren van internetjournalistieke lessen op de school.
Vergeet de specialisatie niet
Job Twisk (Utrecht) wil wel waarschuwen voor de overtreffende trap in multimediaal opleiden. “Schoenmaker blijf bij je leest”, zegt hij. “Ik ben mij steeds meer gaan realiseren dat crossmediale journalistiek een uitgeefconcept is, en niet een journalistieke manier van werken. Dat je als journalist voor twee, drie verschillende media materiaal verzamelt om dat vervolgens op de redactie te verwerken tot verschillende producties, is niet te doen. Dat neemt niet weg dat wij onze studenten zo opleiden dat ze bij verschillende media aan de slag kunnen. Meer media kennen, vergroot hun kansen op de arbeidsmarkt.” Daarin ziet hij ook een verantwoordelijkheid voor de opleidingen. De studenten moeten natuurlijk aan alle facetten van de journalistiek kunnen ruiken, maar een gedegen specialisatie mag niet ontbreken.
Opleidingen II: Vakgerichte kennis
Vakgerichte kennis internetjournalistieke docenten op peil: Docenten doen al lang niet meer onder voor hun studenten. Aldus blijkt uit de antwoorden van de docenten op de scholen voor journalistiek in Nederland. Tijdens eerder onderzoek bleek dat studenten vaak over meer online kennis beschikten dan hun docenten, wat goed lesgeven wel eens in de weg stond. Vandaag de dag is daarvan weinig meer over, en weten de onderwijzers nog steeds voor openbaringen te zorgen. “Technisch gezien komt het nog wel eens voor dat een leerling ons in kennis voorbij is”, geeft Wiel Schmetz aan. Hij is directeur van de Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg. “Maar vooral de vakgerichte kennis is bij de docenten internetjournalistiek meer dan voldoende aanwezig.” Job Twisk, docent internetjournalistiek bij het HBO in Utrecht vindt zelfs dat de studenten van nu bar weinig weten van de internetjournalistiek. “Iedereen weet bij binnenkomst hyves te vinden. En hun msn staat de hele dag open. Web 2.0 zit bij hen al standaard geïntegreerd. Maar wat ze er vervolgens mee moeten om een doelgroep aan te spreken? Dat weten ze niet. Ik vind studenten nog erg terughoudend, en weinig assertief in het gebruiken van techniek in ons beroepsveld”.
Doceren combineren met praktijk
Ruud Vos van de Christelijke Hogeschool in Ede, deelt Twisks opvatting. “Ze komen niet veel verder dan Nu.nl. Maar als je over de praktische toepassingen van RSS begint, dan zijn de gezichten een groot vraagteken.” Vos heeft zijn eigen manier gevonden om de studenten voor te blijven: naast de twee dagen in de week die hij lesgeeft in Ede, heeft hij een baan in het journalistieke werkveld. 3 dagen in de week werkt hij voor Reed Business Information aan op de internetredactie van een magazine.
Internetkennis collega-docenten stimuleren
Het meedraaien op een internetredactie is voor meer collega docenten journalistiek een aanrader. De neerbuigende houding van de “reguliere journalistiek”docenten ten opzichte van hun internet-collega’s is weliswaar vrijwel geheel verdwenen (en heeft vaak zelfs plaatsgemaakt voor enthousiasme!), maar het internet-kennispeil mag nog wel omhoog.
Hans Invernizzi, praktijkcoördinator voor School of Media van Christelijke hogeschool Windesheim (HBO journalistiek Zwolle) meldt dat de docenten bijgeschoold zijn. “De meesten zijn nu goed op de hoogte van inhoudelijke mogelijkheden van internet. Daarnaast draait bij ons al jaren een content management systeem op intra- en internet. Dat vergt van docenten niet zoveel technische kennis, maar scherpt ze wel in het ‘internetdenken’. Ook hebben we veel jonge collega’s aangenomen die verse kennis uit de praktijk inbrengen.”
Ruud Vos en Job Twisk nodigen op hun respectievelijke scholen regelmatig sprekers uit, vanuit de internetwereld, die vervolgens vrij informeel vertellen over hun vak. Zowel studenten als docenten zijn hier welkom. Het valt zowel Twisk als Vos wel op dat van de docenten vaak dezelfde gezichten te zien zijn. Twisk: “Ach er blijft altijd een groep die gewoon niet mee wil komen. Gelukkig behoort de situatie van 3 jaar geleden, toen er nog collega’s waren die geen email gebruikten, inmiddels tot het verleden”.
Opleidingen III: De Weblog
Het blog is een blijvertje, dus ook daarin moet onderwezen worden: Zoals docenten en de reguliere journalistiek eerst negatief schreven over het internet als medium, zo is nu het weblog de gebeten hond. We doen er neerbuigend over, zien het als een nare vlieg die om ons hoofd blijft zoemen. We hadden natuurlijk moeten zien aankomen dat het insect zich, net als het vorige nieuwe medium, snel zou settelen. Ondanks de felle protesten: het blog is een blijvertje. De journalistieke opleidingen kunnen niet achterblijven en besteden ook aandacht aan het blog. Jazeker. Alle docenten met wie we gesproken hebben, zijn overtuigd van het feit dat er geïnvesteerd moet worden in het fenomeen blog op de journalistieke opleidingen. De school in Utrecht besteedt er zelfs al ruimschoots aandacht aan. In het eerste en tweede jaar wordt de invloed van de blog behandeld, zo laat Job Twisk van de School voor Journalistiek in Utrecht weten. Daarnaast loopt er een project over excellente journalistiek, waaraan ook een blog gekoppeld is. Studenten zowel als docenten posten daarop. En ook Hans Invernizzi (Zwolle) laat weten dat blogs komen aan bod in de opleiding, al kan het nog wel uitgebreider.
Blog voorziet in nuttige informatie
Wiel Schmetz, directeur van de Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg, zou graag meer aandacht geven aan de weblogs. Hoewel hij meent dat een blog een uiting is, en geen professionele journalistiek. “Iedereen kan berichten posten, maar is daarmee nog geen journalist,” meent Schmetz. Studenten moeten gewezen worden op de nuttige informatie die vaak op blogs te vinden is. “Het is natuurlijk zaak dat de informatie gechecked wordt, dat geven we onze studenten ook mee. Blogs kunnen, als je juist zoekt, prachtige scoops opleveren, of naar aanleiding van de reacties op een artikel: een goed vervolgverhaal.”
Dit jaar cursus bloggen?
Ook Ruud Vos van de HBO-opleiding in Ede pleit voor meer aandacht op de opleidingen voor de blogs. Hij geloofd in de kracht van de blog als journalistiek medium. En vindt daarom dat studenten journalistiek les moeten krijgen in hoe ze moeten posten. “Ik pleit voor een cursus bloggen. Zo kun je leren valkuilen te vermijden, en hoe je de beste respons krijgt. Wellicht kunnen we er komend schooljaar al mee beginnen”.
Weblogsoftware
De toegankelijkheid van goede weblogsoftware is een belangrijke factor geweest in de ontwikkeling van de internetjournalistiek. De vorm waarin weblogs hun teksten aan lezers presenteren, zijn voor een belangrijk deel door de techniek geïnspireerd. En op hun beurt vormt de laagdrempeligheid van de weblog een belangrijke inspiratiebron voor de internetjournalistiek.
Vooruitgang wordt vaak gestuurd door technische innovatie. Voor de journalistiek is dat niet anders: de drukpers, de pc en de camera hebben de journalistiek gemaakt tot wat het vandaag de dag is. De vernieuwingen van de afgelopen jaren dragen namen als Blogger, Pivot, Wordpress en Web-log; weblogsoftware. Eigenlijk zijn het kleine contentmanagementsystemen (CMS) die er uitsluitend op gericht zijn een weblog online te publiceren. Ze bieden aan journalisten en redacteuren minder technische mogelijkheden dan een uitgebreide CMS, maar daar staat dan ook tegenover dat de meeste weblogsoftware weinig of niets kost en ook voor minder gevorderde gebruikers geschikt is.
Pivot
Bob den Otter, programmeur van het Nederlandse systeem Pivot, denkt dat er voordat de systemen op de markt kwamen er eigenlijk nog weinig vraag naar was: "de drempel om online te publiceren wordt zoveel lager dat het vraag heeft gecreëerd. Met een aantal muisklikken kun je een weblog draaien, losse html-pagina's worden automatisch in archieven aan elkaar geknoopt en goed door Google geïndexeerd. De essentie van webloggen is dat je een stuk tikt en met één druk op de knop publiceert. En dat ideaal wordt tegenwoordig benaderd. Het blijft uiteraard gokken, maar er is ongetwijfeld een duidelijk verband tussen het voorhanden zijn van burgerjournalistiek en de toegankelijkheid goedkope CMS'en in de vorm van weblogsystemen. In die zin hebben ze hun duidelijke invloed gehad op de journalistiek. " Den Otter gaf in 2001 de eerste versie van Pivot vrij, en inmiddels maken tussen de 3000 en 4000 mensen gebruik van Pivot. Den Otter: "ik heb Pivot geschreven omdat ik destijds de bestaande software, vijf jaar gelden vooral Greymatter en Blogger, niet erg geschikt vond. En er waren geen alternatieven. Vandaag de dag zijn er tientallen goedwerkende varianten van weblogsoftware. En ook een site als Blogger.com is behoorlijk verbeterd."
Onliners en standalones
In feite zijn er twee soorten weblogsystemen, de onliners en de standalones. De onliners, vertegenwoordigd door Blogger.com (inmiddels een service van Google) en Web-log (inmiddels van Ilse Media), kenmerken zich doordat een weblog met eenvoudige stappen online is aan te maken, en er dus geen eigen hostingruimte noodzakelijk is. Deze weblogservices zijn extreem laagdrempelig en in eerste instantie bedoeld voor de beginnende weblogger. Den Otter: "de standalones, zoals Pivot, kunnen zo uitgebreid zijn als je zelf wilt. Omdat ze geïnstalleerd en gehost moeten worden op een eigen serverruimte, en over het algemeen wat meer mogelijkheden bevatten, zijn ze geschikt voor wat meer gevorderde gebruikers. De online systemen zijn niet bedoeld om eindeloos aan te sleutelen, het is een kwestie van een accountje, een login en tikken maar. In principe is elke weblogsoftware op het principe gebaseerd dat je met één knopje iets kunt publiceren, maar voor deze online systemen geldt dat nog in sterkere mate. Je kunt er minder mee, maar dat trekt wel heel veel mensen aan."
Gemakkelijk
Zoals freelance journalist Hendrik Jan Korterink, misdaadverslaggever. Op de Misdaadjournalist.web-log.nl geeft hij dagelijks zijn visie op de gebeurtenissen in crimineel Nederland en dat gaat boven verwachting goed: "de weblog heeft dagelijks 500 tot 700 bezoekers, en ik krijg veel reacties, die zijn interessant. Daar zijn ook tips bij waar ik mee verder kan. Dat is voor mij het belangrijkste. Ik volg vele zaken voor bladen als Panorama, Nieuwe Revu en Actueel toch al, dus het is weinig moeite er ook een weblogartikel over te tikken." Volgens Korterink was hij nooit met een weblog begonnen als de techniek hem dat niet zo eenvoudig had gemaakt. De drempel is laag. Korterink: "bij web-log is het opzetten van een site niet zo ingewikkeld. En dat is belangrijk want ik ben niet zo'n ster in de techniek die daarbij komt kijken. Maar toen ik zag dat het zo gemakkelijk was, dacht ik: waarom eigenlijk niet?"
Reacties
Niet alleen zorgt weblogsoftware ervoor dat meer mensen online kunnen publiceren, maar het ordeningsprincipe van de weblog heeft ook invloed op de inhoudelijke kanten van de journalistiek. Zo geeft Korterink ruiterlijk toe dat de reactiemogelijkheid onder een artikel leidt tot een iets persoonlijkere manier van schrijven: "het is niet alleen ontzettend leuk om reacties te krijgen, ze zijn voor mij belangrijker dan bezoekers. En dus ga je het iets prikkelender en persoonlijker opschrijven. Ik blijf er wel de journalistieke normen op nahouden, ik wil geen domme vervelende reacties met onbewezen geroddel. Ik blijf hoor en wederhoor toepassen. Ik blijf, zoals de Raad voor de Journalistiek ook onlangs heeft vastgesteld, ook als weblogschrijver een journalist. Daarnaast is het grote verschil met een papieren medium dat je een lijn kunt volgen, doordat je met een link kunt verwijzen naar een stuk dat je eerder al schreef. Je hoeft niet alles meer samen te vatten. Dat is duidelijk een voordeel van ICT."
Koppelingen
De invloed van de techniek op de journalistiek beperkt zich natuurlijk niet tot het verleden. Den Otter ziet ook vandaag de dag duidelijk welke innovaties hun sporen in de webjournalistiek zullen gaan nalaten: "Nu is een weblog veelal chronologisch georganiseerd, de meest actuele items staan bovenaan omdat dat voor reguliere bezoekers gemakkelijk is. Dat zorgt ervoor dat veel sites er hetzelfde uitzien. Maar doordat men steeds meer met tags, labels die door de gebruiker zelf bepaald worden, begint te werken, zullen ook andere manieren van ordenen en lay-outen gaan optreden. Nog belangrijker is dat weblogsoftware niet elke functionaliteit probeert te integreren. Een programma als Pivot probeert koppelingen te maken met software die een specifieke functie allemaal nu al veel beter doet. Bekende voorbeelden zijn YouTube, de site waar je video's kunt bekijken en Flickr waar je je digitale foto's kunt stallen. Als je CMS met deze diensten naadloos samenwerkt, zul je zien dat internet meer uit beeld en minder uit tekst gaat bestaan. Daar komt bij: er zal ongetwijfeld een telefoon op de markt komen die digitale foto's direct en gemakkelijk op je weblog kan plaatsen."
Journalistiek en bronnen
Een van de respondenten van het onderzoek in 2006 stuurde de onderzoekers een e-mail met de mededeling dat hij het niet zo zag zitten om de vragenlijst in te vullen. Hij vond het onderzoek onzinnig, omdat in zijn ogen het gebruik van internet in de Nederlandse journalistiek inmiddels net zo vanzelfsprekend is als leidingwater voor de Nederlandse bevolking. En daar lijkt het inderdaad op. Voor zo'n beetje elke Nederlandse journalist gaat er geen dag voorbij zonder e-mail en surfen op het world wide web. Internet is overduidelijk een niet meer weg te denken hulpmiddel voor de hedendaagse informatiegaring en nieuwsproductie. Journalisten gebruiken het medium om op een snelle manier aan nieuws en achtergrondinformatie te komen, bronnen en informanten te vinden en nieuwe ideeën op te doen. Daarnaast gebruiken ze het web voor aanvullende activiteiten die belangrijk zijn in het journalistiek werk zoals informatie controleren, concurrerende media volgen en op de hoogte blijven van de actualiteit.
Vast tijdsbudget
Ondanks dat internetgebruik doodnormaal is geworden in de journalistiek, blijft het zinvol om in kaart te brengen op welke manier journalisten internet gebruiken en welke consequenties dat heeft voor hun berichtgeving. Op die manier kunnen allerlei speculaties over de rol van internet in de journalistiek met onderzoeksgegevens worden onderbouwd of juist weerlegd. Bijvoorbeeld de veronderstelling dat journalisten steeds meer hun informatie verzamelen via internet. Door de cijfers over het internetgebruik van journalisten in 2002 en 2006 met elkaar te vergelijken kunnen we constateren dat het adoptieproces, gekeken naar tijdsbesteding, in de Nederlandse journalistiek reeds in 2002 was voltooid. De tijd die journalisten aan internet en e-mail besteden, is de laatste jaren namelijk niet toegenomen. Blijkbaar beschikken journalisten over een min of meer vast tijdsbudget voor online informatiegaring.
Hoewel de tijdsbesteding aan internet dus min of meer constant is gebleven, is er wel een duidelijke toename in diversiteit van gebruikte internettoepassingen. In 2002 werden voornamelijk toepassingen als e-mail, websites en zoekmachines gebruikt. In vier jaar tijd is echter het gebruik van elektronische nieuwsbrieven verdubbeld, het gebruik van nieuwsgroepen, elektronische knipseldiensten, instant messaging verdrievoudigd, en het chatten is zelfs vertienvoudigd. Journalisten gebruiken in dezelfde tijd dus een grotere diversiteit aan toepassingen.
Een dergelijk patroon vinden we ook terug bij de diverse functies die internet en e-mail vervullen in de journalistieke praktijk. We zien een toename van bijna alle onderzochte functies, terwijl het aantal journalisten dat internet nooit gebruikt voor die functies, in zijn geheel is afgenomen.
Tijd niet toegenomen
Het lijkt een tegenstelling: Het gebruik van diverse internettoepassingen is toegenomen, evenals de functies waarvoor journalisten internet gebruiken, maar journalisten zijn er niet meer tijd aan gaan besteden. Vermoedelijk hebben journalisten in hun werkweek een bepaald aantal uren die ze besteden aan verschillende werkzaamheden. Ze zijn tijd kwijt aan redactievergaderingen, interviews houden, artikelen schrijven en reportages monteren. Daarnaast spenderen ze een aantal uren aan zaken als nieuwsgaring, informatie verzamelen, feiten controleren en bronnen zoeken. In 2002 gebruikten ze hier internet al voor, hoewel de toepassingen over het algemeen beperkt bleven tot e-mail, websites bezoeken en zoekmachines gebruiken. De tijd die ze in 2006 besteden aan de genoemde werkzaamheden is blijkbaar niet toegenomen, en de rol van internet daarbij ook niet. Maar wel is het aantal journalisten gegroeid dat allerlei andere internettoepassingen is gaan gebruiken, zoals nieuwsbrieven, nieuwsgroepen en elektronische knipseldiensten. Bovendien kan een rol spelen dat journalisten door de langere ervaring, meer handigheid hebben gekregen in het gebruiken van internet, waardoor ze in dezelfde tijd efficiënter met allerlei internettoepassingen hebben leren omgaan.
Kritischer
Journalisten zijn de laatste jaren wel wat kritischer geworden over het gebruik van internet in hun werk. Hoewel ze ervaren dat internet hun werk vergemakkelijkt, tonen ze zich in 2006 een stuk kritischer over het gebruik van internetinformatie. De groep journalisten die zorgvuldig de betrouwbaarheid van informatie zegt te controleren is substantieel gegroeid.
Ook over de gevolgen die het gebruik van internet kan hebben voor de journalistiek is de kritische houding toegenomen. Daarbij valt direct op dat onder journalisten vooral de zorg is genomen dat collega’s te makkelijk gebruik maken van informatie van internet. Blijkbaar maakt het medium het journalistieke werk makkelijker, maar de journalistiek niet beter, volgens het oordeel van veel journalisten. Dit komt ook tot uitdrukking in de opvatting van een grote groep journalisten dat de journalistiek door het veelvuldig gebruik van internet oppervlakkiger wordt en de zorgvuldigheid afneemt. Indien dit de ingeschatte gevolgen zijn voor het professionele beroepsveld, dan is het onmiskenbaar belangrijk om de gevolgen van het gebruik van internet in de journalistiek ook de komende jaren te monitoren.
Spagaat
Alles overziend kent de opmars van internet in de journalistiek een opvallend verloop. Aanvankelijk (voor 1997) bestaat er veel scepsis onder journalisten over het nut van internet. Vervolgens is er rond 2002 breed gedragen optimisme over de nieuwe mogelijkheden voor informatiegaring en de ongebreidelde schat aan informatie op het web. Dat optimisme is er nog steeds, maar inmiddels kijkt een substantiële groep met een kritische blik naar het eigen internetgebruik en naar de gevolgen van internet voor de journalistiek. Ze ervaren de voordelen, maar onderkennen tevens negatieve kanten. Dat heeft vermoedelijk te maken met het karakter van de hedendaagse informatievoorziening. Die verloopt niet langer op overzichtelijke wijze via de massamedia, maar is veranderd in een permanente vloedgolf aan berichten en nieuwtjes die zich via talloos veel kanalen verspreidt. Nieuwssites en blogs zorgen voor een wilde, ongecontroleerde stroom aan nieuwe informatie. Journalisten voelen de noodzaak om daarin mee te gaan en niet achter te blijven. De actualiteit is dwingender dan ooit, wie het nieuws niet onmiddellijk brengt loopt achter de feiten aan en verliest aan zeggingskracht. En dat wil geen journalist. Niet voor niets noemen journalisten het zo snel mogelijk brengen van nieuws naar het publiek een cruciaal aspect van het vak. Dat is hun missie. Maar juist in die aanzwellende stroom aan nieuws en informatie is het ook de taak van journalisten om het kaf van het koren te scheiden. Dat is lastig als de druk hoog is om snel te publiceren of uit te zenden. Het onmiddellijk brengen van nieuws is nu eenmaal moeilijk te verenigen met journalistieke principes als het controleren van feiten en toepassen van wederhoor. Het lijkt erop dat journalisten ervaren dat de combinatie van actualiteit en journalistieke betrouwbaarheid een spagaat is die steeds moeilijker is vol te houden.
Trendanalyse 2005
Om te illustreren hoe de internetjournalistiek zich ontwikkelt, is er een dwarsdoorsnede gemaakt van het internetnieuws op Internetjournalist.nl en Villamedia.nl. Het totaal van inmiddels nagenoeg 1000 nieuwsberichten (download: samenvatting in Word) tussen augustus 2004 en april 2005 leidt tot een brug tussen de twee enquêtes die de pijlers van het ‘onderzoek naar de digitalisering van de journalistiek’ vormen. Immers, het laat zien, hoe in concreto de uiteindelijke enquêteverschillen 2002 - 2005 kunnen worden geïllustreerd. Uiteraard kunnen aan de hand van het jarenlang volgen van de actualiteit trends worden gesignaleerd. Dat moet wel begeleid worden door een heldere waarschuwing: veel van de resultaten van onderzoeksinstituten spreken elkaar tegen en uiteraard biedt een grondige blik op de nieuwsfeiten ook niet altijd kennis van de processen die zich op de achtergrond afspelen; processen die alleen met gedegen onderzoek kunnen worden blootgelegd. Als we deze vermaning als relativering zien, maar verder even pragmatisch terzijde schuiven om trends te kunnen signaleren, maakt een korte blik op de feiten maakt het direct duidelijk: de situatie is significant anders als bij de rapportage van fase 1 van dit onderzoeksproject. Toen werd nog gesproken van afnemende werkgelegenheid, malaise in de sector en gebrek aan opleiding. Anno 2005 zou men nog kunnen beweren dat slechts de digitale scholing van journalisten in het werkveld fundamenteel gebrekkig is.
2003 en 2004 waren overduidelijk de jaren van de kranten en de weblogs en van het begin van de overheidsbemoeienis met het internet. Daarnaast trad er een nog duidelijkere systematisering van het bronnen materiaal op. Een beetje weggezakt zijn de mailbrieven of e-zines, hoewel allesbehalve duidelijk is of dat ook verband houdt met een afname aan abonnementen. Weer in opkomst, zeker in de nadagen van 2004 en begin 2005 is een hernieuwd positivisme over de toekomst van de combinatie van ‘Nieuwe Media’ en journalistiek, in combinatie met een grote groei aan werkgelegenheid in aanpalende journalistieke gebieden. Deze is waarschijnlijk zelfs zo significant dat men van een tweede emanciperingsgolf kan spreken. We gaan op deze deelaspecten nog even kort in.
Hernieuwd positivisme en werkgelegenheid
"'Het trage en ietwat ouderwetse krantenbedrijf moet een swingend multimediabedrijf worden of een enkeltje nemen naar het Persmuseum." Het zou een citaat van een internetgoeroe uit 1999 kunnen zijn, uit de tijd dat het zelfvertrouwen van de sector Nieuwe Media niet kapot kon; zoals bekend leidden de overspannen verwachtingen tot een beurscrash en het bijstellen van de digitale investeringen van mediabedrijven. Maar de opmerking komt uit 2005, van de hoofdredacteur van de Volkskrant. Broertjes geeft hiermee uitdrukking aan het hernieuwde geloof in een nieuwe mediatoekomst. Die wordt ook al weer voorzichtig in 2004 en wat zelfbewuster in 2005 ook al door vertegenwoordigers uit de internetsector uitgedragen. De oplagecijfers van kranten en met name vaktijdschriften staan onder druk, terwijl de commerciële parameters voor internetuitgaven weer interessante vooruitzichten laten zien. In Amerika maakt uitgeverij Dow Jones al meer winst op internet dan met de dagbladen in portefeuille en in Nederland kunnen Marktplaats en Startpagina miljoenenwinsten noteren, terwijl - voor de journalistiek dichter bij huis - de Volkskrant niet onsuccesvol is met betaalde digitale krantenabonnementen.
Uiteraard leidt dat ook tot een groei in de werkgelegenheid in de digitale media. Er zijn dagen dat deVillamedia vacaturesite 25 redacteuren voor Nieuwe Media kent, terwijl er slechts 3 voor kranten en opinietijdschriften worden gevraagd; toch een saillant verschil. Maar voorzichtigheid is geboden bij de conclusie: veelal wordt die werkgelegenheid ingevuld in de media met een voorlichtingstaak. Ministeries, grote instellingen en bedrijven completeren veelal hun communicatiebeleid. Wellicht kan die voorlopige samenvatting worden gestaafd in het derde deel van onderzoekstraject.
Illustraties uit de Villamedia Onderzoek 'Stand van Zaken':
24-2-05
De 'oude' media zijn ten dode opgeschreven. De toekomst is aan internet, want dit is het favoriete medium van jongeren tussen de 9 en 15 jaar. Deze conclusie kan getrokken worden uit een grootschalig onderzoek naar het mediagebruik van de Nederlandse jeugd door Kaboem, een platform voor jeugdmarketing dat onder meer de jongerensite Kaboem.nl exploiteert.
27-4-05
Steeds meer jongeren laten de oude media links liggen en lezen het nieuws op nieuwsportals, aldus dit onderzoek van de Carnegie Reporter.
9-5-05
Massamedia zijn uit. Weblogs van amateurs vormen zowel een bedreiging als een uitdaging voor uitgevers, concludeert internetjournalist Peter Olsthoorn in een onderzoek naar online uitgeven en journalistiek.
10-5-05
Het is 2014. De traditionele pers bestaat niet meer. Nieuws komt nu van Googlezon (Google/Amazon) en bestaat uit weblogs, meningen, wetenschappelijke ontdekkingen, persoonlijke voorkeuren en willekeurige gedachten, verzameld en opgemaakt door computers en redacteuren. De New York Times is een nieuwsbrief geworden voor de elite en de ouderen. Die situatie schetst de 8 minuten durende documentaire Epic 2014 van de Amerikaanse journalisten Matt Thompson en Robin Sloan. Meer bij de NY Daily News
De Nederlandse kranten en het internet
De verwachtingen vanuit de krantensector naar de digitale media beginnen grafisch inmiddels op een grillige bergetappe te lijken. Waar na de bloei-jaren de Nieuwe Media na het doorprikken van de zeepbel en masse door krantenuitgevers en -journalisten in de ban werden gedaan, is er inmiddels weer sprake van een verhoogd bewustzijn op dit gebied. Terwijl er in 2001 nog werd gesproken van een mogelijke ‘teletekstisering’ - dat wil zeggen het zich beperkingen tot een zeer sobere online berichtgeving om kosten te besparen - is het aantal online initiatieven dat de kranten met name in 2004 ontplooiden nagenoeg niet te tellen. Waar het karakter van de specifieke inspanningen vaak nog als inhoudelijk weifelend en commercieel voorzichtig kan worden aangeduid zijn de inspanningen om tot een meer multimediale aanpak van de krant te komen, toch onmiskenbaar. Zo heeft de Volkskrant drie journalisten omgeschoold om ook de camera te kunnen bedienen en daar kleine online documentaires voor de regio Utrecht van te maken. Het Limburgs Dagblad en de Haarlemse Courant werken met geld van het Bedrijfsfonds aan een wijksite voor buurten waarmee ze het contact dreigden te verliezen. Opvallend ook: in 2004 en 2005 kozen veel kranten, nationaal en regionaal voor de inzet van een redactieweblog, en denken uitgevers duidelijk na over een meeromvattendere weblogstrategie, waar wellicht ook meeschrijvende lezers een plaats vinden. Aangezien de mogelijkheden tot multimedialisering en digitale vernieuwing volgend de meeste deskundigen van vitaal belang zullen zijn voor de overlevingskansen van de krant als geheel, kent de Villamedia Onderzoekssite een apart dossier ‘Kranten en digitale media’.
Illustraties uit de Villamedia Onderzoek 'Stand van Zaken':
12-5-05
Online kranten trekken meer bezoekers
Nederlandse dagbladen maken op internet een flinke groei door qua bezoekcijfers. Vooral de Volkskrant zag het aantal unieke bezoekers per dag sterk stijgen, meldt Webwereld.
22-3-05
Vlaamse kranten sterk op internet
De recent vernieuwde websites van Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad trekken steeds meer bezoekers, schrijft Mediafacts.
18-2-2005
Kranten en RSS-feeds
Marketingfacts berekende dat zeven van de 37 Nederlandse dagbladen ínmiddels een RSS-feed aanbieden. Uitgedrukt in percentages overstijgt het de feeds die Amerikaanse kranten op het internet aanbieden.
1-12-04
Meer online erbij dan in print eraf
De digitale editie van de Volkskrant heeft na een jaar, met 10.000 betalende lezers, het verlies opgevangen van de 4.717 papieren abonnees die vertrokken bleken na het 4e kwartaal van vorig jaar. Het facsimileabonnement (met de zaterdagkrant in print als extraatje) kost 150 euro per jaar, de gewone krant 244. De weglopende papieren lezers kosten de krant dus 707.550 euro, terwijl de grotere digitale aanwas 1.500.000 oplevert
29-9-04
Trouw, NRC en Volkskrant definitief met Parship
Na NRC Handelsblad bieden ook de sites van zustertitels Volkskrant en Trouw de relatiebemiddeling van Parship voorgoed aan.
10-5-05
Ook de regiokranten webloggen
Ze zitten helaas een beetje verborgen, maar ook het Utrechts Nieuwsblad en de Amersfoortse Courant houden onderhouden al een tijdje een weblog.
Tijdschriften en omroepen, relaxed of te zorgeloos?
Experimenteren kranten inmiddels, gedwongen of niet, volop met internet als medium, de meeste omroepen en tijdschriften lijken daarvan minder overtuigd. Uiteraard is de publieke omroep nog steeds één van de meest investerende digitale uitgeverijen en is een doelgroeptijdschrift als Adformatie al jarenlang actief op internet. Maar dat kan niet verhullen, dat zij, getuige de bijna afwezigheid van digitaliseringsnieuws uit deze sectoren, de grip op innovatie lijken kwijt te raken. De publieke omroep was jarenlang dè voorloper op het Nederlandse net, maar lijkt de wet van de remmende voorsprong te leren kennen. Inmiddels lijkt de digitalisering van beelden, oud en nieuw, een vanzelfsprekend proces te worden, zodat Hilversum nog kansen genoeg heeft sterke kaarten op tafel te leggen. Het is mogelijk dat de nagenoeg onafwendbare ontmanteling van de Publieke Omroep op dat proces een positieve ('meer kaarten op goedkope informatievoorziening') of negatieve impuls ('ontmantelen niet-kerntaken') zal geven. De commerciële omroep lijkt, als men afgaat op de frequentie van nieuwe ontwikkelingen, in dit proces opvallend genoeg minder en minder een belangrijke internetspeler te worden; wel heeft zij vanaf het allereerste begin affiniteit met mobiele interactie en SMS-acties. Inmiddels duiken de eerste identificeerbare 'vijanden' op: web-TV en podcasting, bijzonder gedifferentieerde en goedkope manieren om beeld en geluid naar een mediaconsument te brengen, zijn sterk in opkomst. De publieke omroep, in de gedaante van BNN, blijkt daarvan een 'early adaptor'.
Internet is uitstekend in staat sterk afgebakende doelgroepen rondom een site te formeren en vast te houden. Dat zal op termijn zeker een belangrijk effect hebben op opinie-, doelgroep en vakbladen. Inmiddels zien de oplagecijfers er nog aardig uit voor tijdschriftenland, en dat zou één van de verklaringen kunnen zijn, waarom zij over het algemeen allesbehalve voorop lopen in de digitalisering van de journalistiek. Daarbij wordt tevens vaak het argument gebruikt dat internet met name geschikt is voor nieuws en niet voor achtergrondverhalen en beeldreportages. Of dat argument valide is, daarbij kan men zeker de nodige vraagtekens zetten. Maar het leidt zeker tot een stagnatie van zoiets als online magazines of multimediale tijdschriftenconcepten.
Illustraties uit de Villamedia Onderzoek 'Stand van Zaken':
Weblogs voor Reeds zakenbladen
Reed Business Informations 140 zakenbladen moeten allemaal op korte termijn een internetstrategie opstellen. Weblogs kunnen daar nadrukkelijk in voorkomen. Een grote titel als FEM Business heeft er al een. En daar is ook reclame op mogelijk. Meer op de weblog staatsgeheim.com
24-11-2005
Geen toegevoegde waarde
Tijdschriften moeten beter nadenken voordat ze online een site lanceren. De site van Elsevier bijvoorbeeld heeft weinig toegevoegde waarde, schrijft Adverto, weblog in online marketing.
29-11-2004
Tijdschrift op DVD
De autobranche is een nieuw tijdschrift rijker: de Auto DVD, zo heet het blad. Behalve op papier verschijnt het periodiek ook op internet en DVD, gevuld met zestig minuten aan autonieuws en een game.
17-11-2004
Elsevier lanceert nieuwssite
Opinieweekblad Elsevier lanceert haar eigen nieuwssite. De site wil concurreren met Nu.nl en de sites van de dagbladen.
5-4-05
Geld verdienen aan een weblog
Volgens webloguitgever Michiel Frackers is een weblog met een duidelijke doelgroep kansrijker dan grote publieksweblogs als GeenStijl of Retecool.
20-12-04
BNN in podcasting
BNN gaat de Radio 1-programma's BNN United, Weg Met BNN en Storing via podcasting aanbieden.
29-9-04
Casema met commerciëlen door in digitale 'webtv'
Kabelbedrijf Casema geeft nu ook de tv-signalen van de HMG- en SBS-zenders via breedbandinternet. Alle Casema en Wanadoo Cable-klanten kunnen via de pc tv kijken in dvd-kwaliteit.
De jaren van de weblog
De mediumvorm e-zine (of online nieuwsbrief) komt nauwelijks voor in de geactualiseerde stand van zaken. Er zijn duidelijk aanwijzingen dat de grote hoeveelheden spam (ongewenste e-mail) die vanuit de gehele wereld verstuurd worden, evenals de spamfilters die nodig zijn die stroom in te dammen, negatieve effecten hebben op de e-mailuitgeverij. Daarbij komt nog, dat mailbrieven inmiddels tot het standaardrepertoir behoren van online krant, omroep of nieuwssite. Verder is de ontwikkeling van het e-zine vormelijk tot een stilstand gekomen, zo lijkt de afwezigheid van nieuws hierover te willen uitdrukken. Dat de tijdschriftensector dit medium allesbehalve heeft omhelsd (zie vorige paragraaf) kan tevens als een belangrijk element worden gezien. De afgelopen twee jaar zijn, als je spreekt over de mogelijke digitale uitgeefvormen, ongetwijfeld de jaren van de weblog geweest. Het online dagboek heeft, mede gesteund door de voorradigheid van een aantal goede en kostenefficiënte en zelfs gratis weblog Content Management systemen, vooral in de afgelopen jaren een grote verspreiding gekend. De meeste webloggers zijn amateurs, wiens schrijfsels over het dagelijks leven geen enkele journalistiek relevantie bezitten, maar er zijn ook weblogs die zich inmiddels de waakhonden van de traditionele media, aanmeten. En in veel gevallen met succes. Daarnaast, ook de traditionele journalistiek voelt zich inmiddels aangetrokken tot de eenvoudige publicatievorm. Nagenoeg elke krant kent inmiddels op een of andere wijze de weblog binnen de eigen redactiegelederen. Daarom ook is er op de stand van zaken afdeling op Villamedia een apart dossier ‘weblogs’ opgenomen.
Illustraties uit de Villamedia Onderzoek 'Stand van Zaken':
30-12-04
Weblogs als waakhonden
"In de VS sturen webloggers presentator Dan Rather met pensioen. In Nederland moet officier van justitie Joost Tonino het veld ruimen", schrijft WebWereld. Weblogs blijken in staat carrières te breken.
26-11-04
Les in democratische journalistiek
De nieuwssite MSNBC omarmt na een succesvol experiment de weblogger.
30-11-2004
Web-log.nl niet winstgevend
Ilse Media verdient nog geen geld aan Web-log.nl. De blogcommunity herbergt inmiddels wel 50.000 weblogs.
2-12-04
Weblogs verslaan nieuwssites
Het nieuws over de dood van prins Bernhard verscheen woensdagavond eerder op een aantal weblogs dan op de grote nieuwsites.
4-5-2005
Weblog als serieuze nieuwsbron?
Lezersredacteur Michael Arrieta-Walden van de Amerikaanse krant The Oregonian signaleert dat hij steeds vaker door lezers bestookt wordt met de vraag waarom de krant niet publiceert over verhalen die ze hebben gelezen op weblogs.
Overheid steeds meer 'betrokken'
Dat de internetportal Planet.nl in 2005 toetreedt tot de raad voor de journalistiek, is wederom een teken dat internet toetreedt tot de ‘laag van de gevestigde orde’. Internet is van fenomeen een gegeven geworden. Dat betekent ook dat zowel de internationale als de nationale overheid zich de afgelopen twee jaar meer betrokken is gaan voelen bij het nieuwe medium. Die betrokkenheid kan, als je kijkt naar de nieuwsitems in die periode op twee manieren worden uitgelegd. Enerzijds voelt de overheid zich meer verplicht tot een transparanter online communicatiebeleid en daarmee de ontwikkeling van nieuwsvoorziening en de bijbehorende werkgelegenheid.
Anderzijds leidt dat tot meer justitiële overheidsbemoeienis met internet. Van de tapplicht voor internet en telefonieproviders tot de opsporing van online stalkers, hackers en haatzaaiende sites, meer en meer is de overheid een speler in het digitale tijdperk. Dat heeft uiteraard voordelen, maar in dit tijdperk van de groeiende angst voor terrorisme en de nog niet opgebouwde weerstand van online mediabedrijven, kan bij het beleid van de overheid ook zeker vraagtekens worden gezet. Immers, nu nog onduidelijk is wat de digitale persvrijheid en vrijheid van meningsuiting inhoudt, is ook niet helder welke impact het overheidshandelen heeft.
Illustraties uit de Villamedia Onderzoek 'Stand van Zaken':
29-3-2005
De digitale overheid groeit
Afgelopen week werd tijdens de Kennismarkt Elektronische/Andere Overheid de 'Overheid.nl Monitor 2004/2005' gepresenteerd. Uit deze monitor, die in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is uitgevoerd, blijkt dat de elektronische dienstverlening van de overheid in 2004 met 9% is gestegen tot 49%.
10-2-05
Transparante overheid
In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is een nationale standaard voor webmetadata ontwikkeld voor digitale informatie van de Nederlandse overheid.
21-10-04
Webrichtlijnen overheidssites
Advies Overheid.nl heeft `webrichtlijnen` voor overheidswebsites gepubliceerd. De richtlijnen moeten de duurzaamheid en toegankelijkheid van de webpagina's waarborgen en zijn in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgesteld.
9-11-04
Krakers overheidssites opgepakt
Na alle commotie rond de laksheid in de opsporing van de groep computerkrakers die begin oktober een aantal overheidssites lam legde, meldt het Openbaar Ministerie in Den Haag dat vandaag twee vermoedelijke leden van de zogenaamde '0x1fe Crew' zijn opgepakt.
9-12-04
PvdA: haatzaaiende sites hacken
De Nederlandse overheid moet 'hackers' inschakelen om de haatzaaiende informatie afkomstig van buitenlandse sites in te dammen, vindt de PvdA.
21-10-04
Confiscatie Indymedia-servers krijgt politiek staartje
Waar het Nederlandse Openbaar Ministerie met dreigbrieven zwaait naar Indymedia NL (IJ 19/10), gaan politici in België in de tegenaanval. Zo stuurt Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Media Geert Bourgeois (NVA), naar aanleiding van de brutale inbeslagname van twee Indymedia-servers in Groot-Brittannië op 7 oktober, eerstdaags een brief naar de Amerikaanse ambassade met de eis om een verklaring.
Ethiek in de internetjournalistiek
Internet heeft een unieke structuur ten opzichte van de andere media. Een structuur waarvan we nog lang niet alle facetten kennen. En waarmee we proefondervindelijk leren werken. Interactiviteit, de aanwezigheid van andere technische instrumenten en de volledige beschikbaarheid van de informatie, kunnen leiden tot een andere journalistieke mores. In het kader van het onderzoek tweede fase 'Journalistiek en Internet' heeft Lotte van Doorn voor de NVJ daarom een ethiek-enquête onder internetjournalisten gehouden. 130 professionals (waaronder ongeveer 65% mannen en ongeveer een kwart - deels of geheel - freelancer) hebben de lange vragenlijst ingevuld. Het resultaat is een uitgebreide aanvulling op het "Wie-Wat-Waar" onderzoek dat hiervoor vermeld werd; immers, nu we wat beter weten wie de internetjournalist is, is het interessant vervolgens vast te stellen hoe die precies journalistiek bedrijft en wat de verschillen zijn met de 'traditionele media'.
Privacy
Aan de periferie van de journalistieke mores, is de privacy van de digitale nieuwsconsument van belang. Anders dan bij radio, tv of krant verkrijgt de redactie namelijk altijd gegevens over iedere individuele luisteraar, lezer of abonnee. Internetjournalisten zijn op dit gebied streng, zo blijkt uit een enquête, uitgevoerd voor dit onderzoek. Bijna 50% beschouwt alle ongevraagde mail als 'spam' en nog eens 30% betitelt alle ongevraagde mail van organisaties als 'spam'. Omgekeerd gebruiken veel respondenten zelf wel ongevraagd mailadressen in lezers / klantenbestanden. Volgens 65 % mogen die bestanden gebruikt worden voor enquetes, 43 % zou ze ook inzetten voor persberichten, maar dat lijkt de grens, want slechts14 % vindt het ok om de adressen te gebruiken voor commerciële doeleinden, en de bestanden doorverkopen aan derden wordt slechts goedgekeurd door 6 %. Slechts 2 van de respondenten geeft aan dat hun zelf werkgever e-mailadressen verkoopt, en slechts 6,4 % van hen koopt ze in. Op de site gepubliceerde privacystatements, mededelingen over de manier waarop de site omgaat met die gegevens, zijn populair: ruim 80 % vindt dat ze nodig zijn. Echter slechts een dikke 50 % heeft op de site ook daadwerkelijk een statement geplaatst. De reden waarom er nog zo’n groot aantal sites zonder privacyverklaring draait, lijkt voort te komen uit het feit dat men niet precies weet wat er wel of niet in moet. Bijna driekwart van de ondervraagden is voor de opstelling van een standaard privacystatement die als basis gebruikt kan worden voor de eigen site.
Over de persoonsgegevens die op internet rondslingeren, de privacy van het journalistieke subject, is men ook aardig streng in de leer. Zo had meer dan 70 % de uitgelekte email waaruit bleek dat Maxima zwanger was niet gebruikt, of pas na gedegen verder onderzoek. Als dezelfde informatie per ongeluk echter op de site van de Rijksvoorlichtingsdienst gekomen zou zijn, dan had meer dan 85 % de informatie wel geplaatst. Indien er echter eerst een slotje omzeild moet worden om online bij de info te komen, zijn de internetjournalisten alweer wat behoudender: 45 % had de informatie dan niet gebruikt. Men vindt ook dat je op internet beter moet checken of je feiten kloppen. Iedereen kan immers op internet publiceren. Dik 60 % doet beter onderzoek naar een online bron dan men dat zou doen bij de gevestigde media. Daarnaast beschouwt bijna 70% het professioneel anoniem mailen danwel publiceren als verwerpelijk en geldt dat voor de helft van de online journalisten als het gaat om bezoekersparticipatie. Journalistiek dient met open vizier te worden bedreven, zo kan de conclusie luiden.
Commerciële druk
De internetjournalistiek kent geen traditionele weerstand tegen de krachten van de commercie. De vraag wordt dan relevant, of internetjournalisten meer inhoudelijke druk voelen vanuit de sponsor of adverteerder. De vraag luidde letterlijk: "Is de druk van de commercie op internet beter voelbaar dan bij andere media?" De meningen hierover bleken verdeeld. Iets meer dan 40 % vindt dat de commerciële druk inderdaad groter is online, de rest van de respondenten had daar geen last van.
Bezoekersparticipatie
Om de grenzen van de verantwoordelijkheid van de journalist af te tasten waar het aankomt op interactie met de site-bezoekers, kregen de enquêtedeelnemers een casus voorgeschoteld: "U schreef een artikel / maakte een item over Van Gogh. Bij het item / artikel staat een reactiemogelijkheid en nu vindt iemand het nodig om daar eens een fikse tirade af te steken over de achterlijkheid van bepaalde gelovigen. Censureert u?" De meerderheid van de antwoorden wezen duidelijk de kant op van de vrijheid van meningsuiting met een ondergrens. Meer dan 90 procent zou censureren (waarvan 72 procent alleen als het taalgebruik “onnodig grievend” is). Slechts een kleine minderheid censureert niet. Dat de rechter bepaald heeft dat ook reacties onder een artikel vallen onder de verantwoordelijkheid van de journalist, roept bij de respondenten gemengde gevoelens op: 48 % vindt dit wel juist, 47 % niet. 4 % onthield zich van een mening
Mocht de “Van Gogh”-discussie zich afspelen in de chatbox van de site, gelden hiervoor wat mildere regels. Hoewel nog altijd 80 procent zou schrappen in de discussie (waarvan 70 procent alleen als het taalgebruik “onnodig grievend” is). 16 procent van de internetjournalisten zou niets in de discussie veranderen. Bij een forum, behorend tot de eigen site, is men weer wat strenger, ook daar vindt 90 procent dat onnodig kwetsende tekst geschrapt moet worden.
Er bestaan mogelijkheden om de reacties op artikelen of in de forums / chatrooms van te voren te bekijken. Zo kunnen eventuele grove opmerkingen vooraf gefilterd worden. Van onze respondenten ziet bijna driekwart van de respondenten ziet wel wat in die software, eenderde van deze groep gebruikt al dergelijke machinaties. Toch vind een kwart van de internetjournalisten dat van te voren ingrijpen niet hoort.
Citeren of kopiëren. Waar ligt de grens?
"Ik gebruik internet als bron, voor het zelf schrijven van mijn teksten. Ik vermeld de bron, tenzij er door mijn eigen werk een nieuw nieuwsitem ontstaan is" Dat is zo ongeveer de werkwijze van 75 % van de internetjournalisten die meededen aan de enquête. De rest van hen knipt en plakt, al dan niet met het husselen van een paar woordjes, vanuit andere (online) media. Bronvermeldingen zijn 'usance'. Dat blijkt ook wel uit het feit dat 100% van de internetjournalisten vindt dat zij bronvermeldingen moeten hanteren. Iets anders ligt dat bij illustraties. Daar regelt 60% van de respondenten de zaakjes goed (inclusief toestemming en bronvermelding), maar er blijken nogal wat morele tussenvormen. Iedereen lijkt zich bewust van het auteursrecht, maar bijna 20 % gebruikt regelmatig foto's van internet zonder toestemming, ook als er copyright op zit (waarvan de helft zonder bronvermelding).
Rectificatie en wederhoor
Als men aan de internetjournalist vraagt of hij of zij vindt dat op internet dezelfde regels met betrekking tot rectificatie moeten gelden, als in de offline media, dan antwoord bijna 90% van hen bevestigend. Toch lijkt het principe van hoor en wederhoor licht onder druk te staan. De casus over een burenruzie ("Als u een item op de site plaatst over een burenruzie, en de ene buur heeft wel een site met zijn denkpunten over de ruzie, en de ander niet. Plaatst u die link dan?") wordt door dik 50 % door 'Ja' gevolgd, terwijl op een casus van een algemenere strekking ("Nee, recht op weerwoord bij internetproducties hetzelfde als bij producties in de andere media") meer dan 50% vindt dat het recht op weerwoord online net zo goed geldt als offline.
Ethiek, richtlijnen of controle
Ruim 40 % van de respondenten vindt dat de zogenaamde shockweblogs aan banden moeten worden gelegd. Repressie wordt niet zozeer op prijs gesteld, maar richtlijnen zijn aanmerkelijk populairder: meer dan 60 procent van de internetjournalisten vindt dat een gedragscode, speciaal voor internet, wenselijk zou zijn. Die moet wel, zo vindt een dikke meerderheid van bijna tweederde vrijwillig aan redactie worden aangeboden en niet worden opgelegd. Een speciaal controle-orgaan (à la Raad voor de Journalistiek) wordt echter niet door een meerderheid gesteund: 40 % ziet daar wat in. Maar als de controlerende “macht” wordt ingesteld, vindt wel ruim de helft van de ondervraagden dat de sancties bindend zouden moeten zijn. Het idee van een ombudsman speciaal voor internet krijgt net het merendeel van de stemmen. Dan zou er echter een moeten komen voor het hele journalistieke internet, en niet voor elke redactie apart, aldus 72 % van de stemmers.
CAO/redactiestatuut
Een verrassend groot aantal journalisten van het vrije medium internet (bijna 60%) acht het wenselijk dat er een journalistieke internet-CAO komt. Het doet vermoeden dat men het nodig vindt om inhoudelijk journalistieke zaken te regelen, want ook het redactiestatuut kan zich in een grote belangstelling verheugen. Meer dan 80% van de internetjournalisten acht een redactiestatuut voor internetsites nodig. Of het redactiestatuut dan ook openbaar op de site moet? 70 % van de respondenten vindt van wel.
Conclusie: roomser dan de paus
Voor een vergelijking met de 'traditionele' waarden van de journalistiek is meer analyse noodzakelijk. Immers, alleen al het definiëren van het corpus van die waarden is niet eenvoudig. Maar het is niet moeilijk om de grote lijn van het onderzoek vast te stellen: de online journalisten hechten er duidelijk aan, aan te sluiten bij de mores van de traditionele media. Of anders gezegd: het verschil in ethiek van online journalisten, op het gebied van privacy, commercie en auteursrecht wijkt niet fundamenteel af van dat van de kranten- tv- of radiojournalist. Sterker nog: men lijkt zelfs braver dan de collega’s van de traditionele media. Wellicht is dit een poging af te komen van het drukkende stigma dat op internet geen wetten gelden. Juist omdat alles wat er aan hoaxes, plagiaten of vuilspuiterij voorkomt op internet, leeft onder internetjournalisten de wens om alles “volgens het boekje” te doen. Vandaar de wens voor CAO’s, privacy-statements, redactiestatuten en een gedragscode.
Digitale kanalen I: Inleiding
Nieuwe kanalen: bedreiging en kans voor journalistiek
- Inleiding: bedreigingen en kansen
- Inventarisatie van digitale kanalen
- Digitale tv-zenders: vooral herkauwen
- Endemol: "macht gaat naar de consument"
- Wegener: " Journalisten moeten het anders durven doen"
- Fieldhockey.tv: toekomst van internet-tv al begonnen
Digitale technologieën zoals internet, digitale televisie en UMTS openen de deur naar een vrijwel onbegrensd aantal mediakanalen. Is dit gunstig of ongunstig voor journalistiek?
De distributie van journalistiek werk was tot voor kort overzichtelijk, wat weerspiegeld wordt in de indeling in secties bij de NVJ: omroep, dagbladen, tijdschriften, de laatste verdeeld naar vak- publieks- en opiniebladen. Die indeling is gericht naar de drager van de journalistiek, minder dan op inhoud dan wel doelgroep. Er is een groeiende sectie 'freelance', gestoeld op een economische onderscheidende factor. Sport (NSP) is weer gericht op een gebied. De enige sectie die op een bepaalde techniek is onderscheiden, is de fotojournalistiek. Daar kwam een paar jaar geleden een sectie 'internet' bij. Die indeling volstaat niet in de 21ste eeuw. Maar dat is een zorg voor de NVJ, die wel opdracht gaf aan journalistiek bedrijf Netkwesties, maker van Netkwesties.nl, tot een artikel . De vraag luidde: wat betekent de komst van digitale kanalen voor de journalistiek? Die vraag kunnen we op heel veel manieren beantwoorden, en vooral vaag en foutief. Het ging in eerste instantie om digitale televisie, maar we hebben dat verbreed met internet en wat mobiel. En er is niet 1 verhaal gemaakt, maar zes, plus stellingen voor de vergadering van de sectie Internet van de NVJ van 18 november 2004. Eerst terug naar de droge basis: wat doet een journalist? Het vak is een intermediair voor relevante selectie van gebeurtenissen, ontwikkelingen en opvattingen in de wereld, ten behoeve van een groot publiek of segment daarvan. Voor de exploitatie van deze 'waarheidsvinding' stelt de journalistiek zich afhankelijk van uitgeverijen en omroepen.
Veel intermediairs komen onder druk te staan door digitalisering, vooral als ze met informatie werken. Journalisten wekken de indruk dat ze menen, met vele beroepsgroepen die problemen ondervonden - muziekindustrie, reisbureaus - dat hun werk zo bijzonder is dat ze zich aan de economische wetmatigheden kunnen onttrekken. Hun krant en hun programma zijn hoe dan ook inhoudelijk superieur, dus dat blijft het publiek ook binden.
Wij denken van niet.
Journalistiek staat onder druk, vooral door concurrentie van amusement. Maar we weten eigenlijk niet precies hoe dat zit. De kwalitatieve en kwantitatieve waardering van de journalistiek is te weinig transparant, ook voor journalisten. Wie weet er nu wat er met zijn artikel en programma precies gebeurt in de huis- of werkkamer? Digitale kanalen zullen door toevoeging van meer communicatie met ontvangers van onze boodschappen daarin inzicht bieden, wellicht niet altijd ten goede, maar het gaat hier niet om een waardeoordeel. Beoordelingen zullen harder en scherper worden, en hopelijk komt dat de kwaliteit ten goede. Of vraagsturing dan een belangrijke leidraad moet worden, is nog maar de vraag. Maar er arrogant aan voorbij gaan volgens ons geen optie.
Bij tv en radio groeit de macht van klanten al vele jaren: ze kregen een afstandsbediening in handen om te kiezen uit een nog altijd toenemend aantal zenders. Nieuwkomer De Mol breidt ze in 2005 nog uit. Ook dijen de tijdschriftschappen van kiosken juist in 2004 wederom uit, al krimpt het aantal titels van opinie- en dagbladen. De keuze neemt toe, broedperiodes van nieuwe titels en formats worden korter onder druk van de eerste reactie in de markt.
MSN verdringt de aandacht
Digitalisering staat mede aan de wieg van veranderend mediagedrag. Het meest pregnant zijn de veranderingen die zich onder de jeugd voltrekken. 'MSN'en' is in twee jaar uitgegroeid tot, in tijd gemeten, hun belangrijkste media-activiteit, in 'multitasking'. Die term is door Microsoft met de komst van Windows 95 ge´ntroduceerd om aan te geven dat een computer meer taken tegelijkertijd kon uitvoeren. Negen jaar later blijkt ook de mediaconsument 'multitasking' te zijn. Dat was het traditioneel al voor de radio - Arbeidsvitaminen en in de auto - maar in de huis- en kinderkamer ook. Ontbijtlezen, tv-kijken en de krant onderwijl lezen, internetradio en Zembla beluisteren onder het e-mailen en surfen. Pure netto mediatijd komt er niet zo veel bij, maar ze komt wel: een voorbeeld is het mobiel internet in het openbaar vervoer. Daarover bestaan nogal hoge verwachtingen, maar de praktijk moet nog uitwijzen of de kosten en omstandigheden tot meer consumptie zullen lijden dan van soundbites.
Nu de aanbodzijde, maar die valt meer en meer samen met de consumptie. Communicatie betekent behalve ontvangen van wat journalisten verspreiden een weerwoord bieden. Weinig journalisten kunnen daarmee omgaan, niet zelden gehinderd door arrogantie. Hun fouten moffelen ze weg met een beroep op de volgende editie die aan de beurt is, of ze gaan op in het grote geheel.
Journalistiek zal volgens ons met de komst van een in principe oneindig aantal digitale kanalen en tweeweg verkeer meer dan nu een echt intermediaire functie worden. Bij veel radioprogramma's is dat al ontstaan, Stand.nl is een uitstekend voorbeeld: de journalist als primus inter paris, als discussieleider, als regisseur van heen en weer schietende meningen. Zijn rol van 'primus' blijft, hopelijk tot in lengte van jaren, die van het verschaffen van geverifieerde en relevante, in verband geplaatste feiten. (Probleem is wellicht dat die feiten er bij het publiek minder toe doen. Die moeten we dus ook nog eens aantrekkelijker verpakken om ze over het voetlicht te krijgen, geen aanlokkelijk vooruitzicht voor de meesten van ons.)
Amateurisme is al min of meer een bedreiging van de journalistiek. Kijk eens wat er bij Ilse Media aan de hand is: de ouderwets journalistieke taak is uitbesteed aan het ANP. De eigen informatietaken worden voornamelijk vervuld door duizenden amateurs met eigen pagina's. Journalistieke normering is afwezig. Waarom zouden we?, zegt de uitgever. En welke journalistiek heeft daar een economisch rendabel antwoord op?
De uitingsvorm weblog, eenvoudige software om chronologisch, in een soort dagboekvorm, te presenteren, heeft de deur naar persoonlijke publicatie heropend na een min of meer mislukte periode met persoonlijke 'homepages'. Weblogs zijn er inmiddels in talloze varianten, ook bij traditionele media waar de dagboeken van journalisten doorbraken met onder meer de oorlog in Irak. De meest opvallende uitingsvormen haalden recent twee actualiteitenprogramma's op televisie met een discussie over fatsoen versus hun frisse methoden en inhoud.
Deze weblogs tonen op de eerste plaats aan dat tekst als uitingsvorm nog springlevend is. Er is in deze zin geen 'ontlezing'. Wel komen er meer foto's bij, geluid en video zijn nog schaars gezien de tekortschietende technische mogelijkheden, kennis en durf. Maar het is niet moeilijk om te voorspellen dat tenminste een deel van de weblogs kan uitgroeien tot volwaardige multimediakanalen.
De vraag is of je journalistiek verder kunt komen met deze nieuwe uitingen dan ze slechts als makkelijk te plunderen bron te gebruiken of als goedkoop mikpunt omdat ze er andere dan traditionele normen op nahouden aangaande waardeoordelen, wederhoor en anonimiteit. En het gaat nu inderdaad even om GeenStijl.nl, rabiaat opiniërend en geld verdienend met advertenties en merchandising. Fokzine is een ander voorbeeld van een digitaal kanaal dat tienduizenden jongeren meer 'informatie' biedt dan menig bekende titel, ofschoon vaak weer gekopieerd van traditionele journalistiek.
Ze dagen traditionele journalistiek op zijn minst uit om eens goed in de spiegel te kijken, zoals Kazaa als nieuw digitaal kanaal de muziekindustrie in vertwijfeling bracht alvorens die in de tegenaanval dorst te gaan, en een begin maakten met fundamentele veranderingen. Wat leren journalisten van hun uitdagers, anders dan dat het brutale snotapen zijn? Hoe krijgen we de jongeren ge´nteresseerd in journalistiek die een paar stappen verder gaat dan de Metro en Spits?
Digitale themakanalen
Digitale televisie zelf biedt journalistiek vooralsnog niet veel soelaas. Ze zijn vooral gericht op het uitmelken van archieven, eventueel voor commercieel aantrekkelijke doelgroepen. De journalistieke regisseursfunctie uit zich hier op de eerste plaats in het handige verzamelen en combineren van verschillende soorten bestaand materiaal tot een coherent geheel. En dat (nu nog) zonder hyperlinks. Dit is een niet te onderschatten functie die ook nog leuk werk kan opleveren.
Mobiel is er wel meer geld beschikbaar voor nieuwe productie, maar dat vloeit voornamelijk naar amusement waar de grote partijen als een Vodafone hun miljardeninvesteringen mede mee terug moeten verdienen. Journalistiek komt hier, behalve met het herkauwen van bestaande producties als CNN-, Journaal- en sportfragmenten, nog nauwelijks in beeld.
Hoe komen we wel aan geld? Moet de subsidie voor pret bij de publieke omroep eigenlijk niet naar journalistiek in andere media gaan? Of moeten we juist veel meer sponsoring aantrekken van journalistiek?
En daarmee stuiten we op de exploitatie. Er is weinig tot geen geld voor investeringen in journalistiek. Toch zullen we daar naar op zoek moeten, indien we journalistiek ook in de nieuwe vormen professioneel willen houden. En dat is het volgende hoofdstuk, waar Netkwesties zich het eerste half jaar het hoofd over gaat breken.
Redactie Netkwesties
Peter Olsthoorn
Erwin Boogert
Tonie van Ringelestijn
Digitale Kanalen II: Inventarisatie
Inventarisatie van digitale kanalen
In het kader van de artikelenserie over de opkomst van digitale kanalen volgt hier een aantal voorbeelden van video/audio initiatieven online:
Nederlandse digitale themakanalen op tv:
* Draadloze digitale televisie (DVB-T en DVB-H): nog geen Nederlandse themakanalen via DVB-T (Digitenne) of DVB-H (mobiel digitale tv)
* Op de tv-kabel van onder meer UPC, @Home, Casema en CaiW: Vpro 3voor12-tv:
Nonstop videoclips van alternatieve muziek, op woensdagavond live-uitzending met optredens bands (gratis, enkele uren live, 24u, niet on demand);
(ook via internet)
Het Voetbalkanaal: 370 wedstrijden uit de Engelse Premier League en 125 UEFA Champions League wedstrijden (tegen betaling aan kabelmaatschappij meestal rond 15 euro, live en herhalingen, 24u, niet on demand)
Op internet
FTV.nl: dagelijks nieuwsvideo's van binnen- en buitenland (AT5 en Associated
Press), interviews met voetballers (DIPO), en live beurstips (gratis, frequent live en on demand) KPN
Breedbandportaal: vele honderden uren vooral oud materiaal, comedy, sport, filmtrailers etc. Planet
Internet: Concerten uit vanuit de Heineken Music Hall (bijlmerbierhal).
(voorbeeld). (Webcast door KPN, gratis, meestal niet on demand.) Oranje.nl van Planet-John de Mol: voetbalwedstrijden Oranje uit, tegen Macedonie en Andorra live. Op de eerste plaats bedoeld voor gebieden waar de zender Nickelodeon niet op de tv-kabel te zien is. Na de wedstrijd ook on demand de hoogtepunten.
Tiscali: Internetprovider Tiscali heeft de exclusieve distributierechten gekocht voor '0605 - de film', een speelfilm naar aanleiding van de moord op politicus Pim Fortuyn. Die gaat in december in premiere. GlobalGolf.tv: voor 12,50 euro een potje golf zien;
Fieldhockey.tv: zie voor verslag elders Yeahronimo.com: veel voetbalwedstrijden van de eredivisie-clubs, niet 'de grote drie' (live tegen betaling, 5 euro per wedstrijd, niet on demand) Regionale omroepen zoals RTV
Oost, Omroep Gelderland, Omroep Zeeland, RTV Noord Holland: live-streams van de televisiebeelden (gratis, 24u, live)
FabChannel.com: registratie van een selectie van muziekconcerten en andere bijeenkomsten vanuit Paradiso, Amsterdam (gratis, live, on demand)
Circuit
Zandvoort: oude Formule 1 races in beeld en ook live verslagen van autoraces met 14 camera's en 'pitcam' (gratis, live, incidenteel, niet on demand) QuoteChallenge.nl:
videoclips van extravagante autorace op de weblog van tijdschrift Quote (gratis, incidenteel, on demand)
Funda.tv:
programma's over bijzondere huizen en wonen (gratis, incidenteel, on demand) De Balie
TV: live verslagen van debatten (gratis, live, incidenteel, soms on demand)
KinkFM: zoals vele radiostations in de ether en online te beluisteren (gratis,
live, 24u, niet ondemand)
Kind.fm: pure internetradiozender, alleen kindermuziek (gratis, 24u, niet on demand)
Vodafone Live: videoclips, filmtrailers, nieuwsflitsen (on demand, tegen
betaling verschillende tarieven) A-Stream: live concert DJ Tiesto via GPRS, live verslag Ronde om Texel en andere zeilraces, 24u live Big Brother Duitsland en Big Brother Roemenie (live, kosten grps) MMS-soap Jong Zuid (1 euro per bericht)
Buitenlands voorbeeld
Comcast narrowcasting: een demo van wat Comcast, groot kabelbedrijf in de VS, internet-tv als uitbereiding van honderden tv-zenders op de kabel .
Digitale Kanalen III: DigiTV
Digitale tv-zenders: vooral herkauwen: Programma's worden meestal al digitaal opgenomen en bewaard. Transport van de zenders naar de kabelaars is ook digitaal. Echter, verspreiding naar kijkers geschiedt nog analoog. Dat wordt digitaal. Het eerste gevolg: meer ruimte, meer zenders en soms extra betaling voor pakketten doelgroepzenders. Behalve de tv-kabel en de ether biedt ook internet meer en meer mogelijkheden voor digitale distributie, vooral voor zeer specifieke kanalen met een relatief klein publiek. Nagenoeg elke publieke omroep en commerciële zenderexploitant beraadt zich momenteel op plannen voor digitale televisie en - radio. Staatssecretaris Medy van der Laan schreef half november in een brief aan de Tweede Kamer: "De Publieke Omroep ontwikkelt een conceptportfolio van digitale kanalen. Dit pakket met digitale tv- en radiokanalen kan met beperkte middelen reeds geproduceerde inhoud weer bij (nieuw) publiek brengen. Ook heeft de Publieke Omroep de ambitie om de tv-kanalen Nederland 1, 2 en 3 binnen de landsgrenzen live te gaan uitzenden via breedband internet."
De Vpro loopt voorop. Haar afdeling Digitaal, de internetafdeling, staat in de organisatie op gelijke voet met de onderdelen televisie, radio en gids. Alle popmuziekprogramma's en -producties dragen ongeacht het medium de naam 3Voor12. De afdeling Digitaal begon in januari 2004 acht radiozenders die enkel via internet uitzenden, met elk een aparte muziekstroming. Voor de muziek put Vpro uit de archieven die het over de loop van de jaren heeft opgebouwd. Behalve studio-opnames zendt de omroep eigen concertregistraties uit.
Aan 3Voor12 werd een videokanaal toegevoegd, ook via internet maar zonder al te veel moeite 'door te lussen' van de pc naar de tv. Zodoende ontstaat een alternatieve TMF of MTV, met eigen programmering. Wekelijks vinden live-uitzendingen plaats. Die live-beelden halen nooit de reguliere tv-programma's en worden speciaal voor het webpubliek gemaakt. Een computerprogramma selecteert uit de Vpro-archieven gedigitaliseerde beeldmateriaal en maakt er een digitale videostream van.
Met een maandelijks bezoekersaantal van, naar eigen zeggen, 400.000 trekt 3Voor12.vpro.nl meer kijkers, luisteraars en lezers dan sommige tv-programma's kijkers halen. Exacte cijfers over het internetkijk- en luistergedrag zijn er nog niet. KLO, de organisatie die dat soort metingen ook voor radio en tv verricht, werkt daarvoor nog aan een specifieke meetmethode. Naast de internetuitzendingen kunnen alle UPC-abonnees 3Voor12-tv in DVD-kwaliteit op hun televisie ontvangen, evenals de bewoners van glasvezelbuurt Kenniswijk in Eindhoven.
Er is veel recycling maar 3Voor12 verzorgt wekelijks live internetuitzendingen en is bij veel Nederlandse festivals aanwezig met een digitaal journalistenteam. Vpro's Projectmanager Festivals Reinier Bruijne over de 'mediamix': "Bijvoorbeeld de volledige registratie integraal op televisie, per item on demand op internet, de interviews uitgebreid via de radio en de samenvatting in steekwoorden via mobiele telefoons: 1 keer produceren, N keer distribueren" De webtv en -radiozender(s) worden overwegend gevuld met kopij waarvan delen reeds eerder werd uitgezonden in een andere context.
"De techniek voor een non-stop kanaal zoals 3Voor12 TV kost grofweg hetzelfde als drie uur traditionele televisie." Dat zegt Erwin Blom, hoofd van de afdeling Digitaal van de Vpro.
Lage kosten zijn mede te danken aan technische vaardigheden van journalisten. "Een interviewer doet bij kleinere producties behalve het vraaggesprek ook de opname en stelt licht en geluid goed in. Maar tijdens grote muziekevenementen bestaat een webtv-team uit 5 man: "2 cameramensen, 1 productiemedewerker, 1 audiospecialist en een regisseur. Laatstgenoemde zorgt ook voor de verbindingen en de schakelingen", aldus Bruijne onlangs bij een seminar over streaming video.
De makers moeten leren in verschillende kanalen te denken, zegt Blom: "Je krijgt extra mogelijkheden. De beste route is je af te vragen welk verhaal je wil vertellen, welke media ter beschikking staan en welk deel van het verhaal op welk medium te plaatsen is. Je moet je afvragen wanneer audio en video welke waarde toevoegen, functioneel denken. Voor veel nieuwsberichten is tekst toereikend."
Op een laptop monteert de journalist zelf, dus productie is goedkoper geworden en distributie eenvoudiger. "Maar je moet ook een goed verhaal kunnen vertellen en steeds scherp je medium kiezen." Al voorbeeld noemt hij geschiedenisprogramma Andere Tijden: de uitzendingen online met documenten maakt een uitgebreid archief. Uiteraard ook een nieuwsbrief en (nu al de vijfde) bundeling van de geschreven teksten tot een boek. Blom: "Als je het goed wil doen moet je alle media vanaf de ideeënfase meenemen. Een vast stramien ontbreekt, dus het is zo veel werk als je er zelf maakt."
Inhakend op het concept en het succes van 3Voor12 begint Vpro binnenkort twee nieuwe internettelevisiezenders: een documentaire- en geschiedeniskanaal. De archieven vormen daarvoor de basis, in een nieuwe context. Blom: "We hadden bijvoorbeeld pas geleden een documentaire over China als oprukkende economische macht. We voegen daar een documentaire van dertig jaar geleden aan toe, toen een Vpro-journalist een van de eerste buitenlanders was die opnamen mocht maken. Nieuwe context maakt nieuwe waarde. We beginnen klein met die dingen, om te leren wat het publiek wil."
Nieuwe nieuwszender
De publieke omroep als geheel werkt aan een 24 uurs digitale nieuwszender onder leiding van Joop Daalmeijer, de netmanager van TV2. Ook daarop vooral bestaande programma's: Journaals en 2Vandaag, Netwerk en Nova. Bij gebrek aan ÚÚn breed beschikbaar digitale tv-infrastructuur wordt internet wellicht om te beginnen het belangrijkste medium. Daalmeijer: "De kwaliteit is best redelijk via ADSL. Kijk maar naar Uitzendinggemist.nl. Ook voor radio is het geen probleem. De kwaliteit daarvoor is al uitstekend. Ik luister zelf bijvoorbeeld zondags naar een Deense klassieke radiozender via internet."
Hij verwacht, lerend van de BBC, een effectievere samenwerking tussen netbeheerders en programmamakers is in Hilversum, met kortere lijnen, directer. "Als de netmanagers hun wensen direct bij de programmamakers formuleren, krijg je geen auteursprogramma's maar ambachtelijke werken, dat beter aan de wensen van de kijkers voldoet."
Toekomstverkenning
Maar vooralsnog voorziet hij vooral archiefwerk, veel herkauwen. Gezien de kosten en zo lang 'analoge televisie' de maatstaf blijft zal dat ook zo blijven. Hoe die toekomstige vorm van televisie er uit zou kunnen zien, wordt momenteel onderzocht door een consortium Europese bedrijven met onder meer TNO STB en TNO Telecom. Ze werken voor een totaal budget van 7,5 miljoen euro mee aan New Media for a New Millennium (NM2), technologie om videobestanden te bewerken tot een nieuw geheel. Bijvoorbeeld "een romantische versie van Star Wars", schrijft NM2 op zijn website. Tijdens de vertoning van een film of serie kan de kijker de inhoud direct bepalen door bepaalde scÞnes te verwijderen. Zo kan een kijker ervoor kiezen bijvoorbeeld alleen de liefdes- of actiescÞnes van een speelfilm te zien. De onderliggende technologie moet de continu´teit van de verhaallijn waarborgen.
"Het filteren van kopij op zich is niet lastig. Het innovatieve van het project is dat er algoritmes worden ontwikkeld die een nieuw verhaal kunnen maken. Het aardige van dit consortium is dat het een combinatie is van technologiebedrijven en mediabedrijven", aldus Jeroen Heres van TNO. Onder meer British Telecom, Telefonica, Sony en documentaireproducent Illuminations Television doen mee. Ze maken 7 proefprogramma's, zowel documentaire als drama. Sony ontwikkelt met de deelnemende universiteiten de gezicht- en bewegingsherkenningssoftware.
NM2 wil ook gebruikmaken van de vaak honderden of duizenden uren niet uitgezonden materiaal van series en documentaires. Dit beeldmateriaal krijgt 'meta tags', digitale labels met een gecodeerde inhoudsbeschrijving, ten behoeve van een werkindex op de computer. Heres: "De software vormt op basis van de meta tags scÞnes die op betekenisvolle wijze aan elkaar worden geknoopt. Zo ontstaat een nieuw verhaal. Producenten kunnen met bestaand materiaal veel nieuwe producties maken."
TNO is optimistisch dat al zo vaak geopperde, maar nimmer waargemaakte sturing door de kijker de inhoud werkelijk mede zal gaan bepalen. In een van de pilotprogramma's binnen NM2 voor de Finse televisie kan de kijker straks via de mobiele telefoon aangeven wat de hoofdrolspeler moet gaan doen. De producent moet meer verhaallijnen opnemen. Maar zo wordt het toch juist duurder om televisie te maken? Heres: "Binnen het project gaat TNO na onder welke voorwaarden deze nieuwe vorm van televisie commercieel haalbaar is. Enerzijds zullen er kosten besparingen kunnen worden gerealiseerd door op slimme wijze beeldmateriaal opnieuw te gebruiken. Anderzijds vragen meerdere verhaallijnen om meer beeldmateriaal. Verder is het de vraag hoe kijkers deze nieuwe programma vormen zullen waarderen."
Lagere drempels
Maureen Thomas van de universiteit van Cambridge heeft met onder meer de BBC een specialisatie opgebouwd met gevarieerde verhaallijnen met digitale audio, video en animaties. Zij maakt de koppelingen tussen techniek en de verhalen voor NM2.
Welke betekenis heeft dit eigenlijk? Een antwoord is niet eenvoudig. De Britse documentairemaker John Wyver van Illuminations Television oppert de vermindering van de afhankelijkheid van traditionele tv-kanalen. De producent wordt minder afhankelijk van hun steeds meer door kijkcijfers gedomineerde selectie. Hij kan met reeds gefilmd materiaal meer doen en publiek ook eenvoudiger bereiken.
Drempelverlaging brengt ook Philips met Streamium radio en televisie die draadloos verbonden zijn met de pc in huis om video en audio de elektronica te brengen. Philips sloot met verscheidene Amerikaanse mediaproducenten distributieovereenkomsten. Hierdoor zijn, via Yahoo Movies, Launch en iFilm, alle trailers van nieuwe speelfilms maar ook de werken van onafhankelijke producenten van korte films. Werk dat normaal nooit op de Nederlandse televisie te zien zou zijn.
Student journalistiek
Lagere drempels, lagere kosten. Dat is ook de kern van Marijn Tijhuis' hogerejaarsproject aan de Academie voor Digitale Communicatie op de faculteit Communicatie en Journalistiek van de Hogeschool van Utrecht. Hoe kun je zonder budget live videobeelden via internet en het interne tv-net op school verspreiden? Tijhuis werkte met zogeheten 'streaming teams': een cameraman en een interviewer, al kunnen deze functies ook door 1 persoon worden vervuld. Een streaming team maakt reportages op het schoolterrein. De cameraman heeft een rugzak met een laptop, waarvan de harde schijf de beelden van de camera en het geluid van de microfoon opslaat. De laptop encodeert de signalen en zendt die direct via draadloos internet (wifi) naar het interne net van de school voor directe uitzending via internet of, via de regiekamer op het besloten tv-netwerk van de HvU.
"De kosten bedroegen in totaal 20 euro", legt Tijhuis uit. "Een paar tapes voor de DV-camera die op school al aanwezig was en 2 Firewire-datakabels. De school beschikte zelf over een camera en videobewerkingssoftware, de makers over laptops.
Tijhuis: "Met weinig budget kun je al een aardig resultaat halen. Journalisten een eye opener krijgen, inzien dat ze ook aan de slag kunnen met video. Het is veel minder moeilijk dan het op het eerste gezicht lijkt. Maar, interesse is een voorwaarde. Je ziet momenteel al tal van particulieren hun eigen video's opnemen en die via internet uitzenden. Zet Winamp5 maar eens aan en klik naar de rubriek Internet TV."
De grootste problemen van Tijhuis' project lag niet in de techniek, maar organisatorisch: "We ondervonden tegenwerking van de facilitaire diensten. Die zijn niet gewend dat studenten bandbreedte komen reserveren voor videouitzendingen via internet en in het wilde weg hotspots lijken op te hangen voor draadloos internet. Daarnaast blijkt ook het monteren van video-opnamen bewerkelijk te zijn. Dat kost veel tijd."
Uitzendinggemist.nl uitbreiden
De Nederlandse Publieke Omroep ziet welk merkbaar effect het groeiend aantal ADSL- en kabelinternetaansluitingen heeft. Op Uitzendinggemist.nl staan de eigen videoproducties van Nederlandse publieke omroepen on line. William Valkenburg, contentmanager van Omroep.nl, noemt op grond van cijfers van Kijk- en luisteronderzoek (KLO) tussen de 190.0000 en 230.000 bezoekers per maand tot en met augustus, bij 700.000 tot 940.000 opgevraagde pagina's. Exacte internetkijkcijfers kunnen technisch nog niet worden gegeven.
"Sinds september maken we extra promotie voor Uitzendinggemist.nl. TV-zender Nederland 1 heet nu dagelijks van 9.30 uur tot 16.00 uur ¦Uitzending Gemist¦. Dan worden op dat net programma¦s van alle omroepen herhaald en wordt regelmatig verwezen naar de website. Verder wordt er actief samengewerkt met internetproviders die hyperlinken naar de videospeler van Uitzendinggemist.nl. Zo bieden Casema, Chello, Compuserve, KPN en Zonnet inmiddels onze Uitzendinggemist in een eigen jasje. Met andere partijen zijn we nog bezig."
Daardoor steeg in september 2004 het aantal bezoekers tot 380.000 met 1,5 miljoen opgevraagde webpagina's. De meest opgevraagde videostreams van januari tot en met september 2004 waren, in volgorde van populariteit: Journaal (NOS), Kopspijkers (VARA), Jiskefet (VPRO), Familietrots (IKON) en NOVA (NPS/VARA).
Of Nederlandse internetgebruikers de programma's ook helemaal af kijken, wordt nog niet gemeten. Valkenburg: "Het lijkt er wel op dat ook langere programma¦s helemaal via het web worden uitgekeken. Opvallend in dat verband is de relatief hoge klassering", de tiende plaats "van Telefilms die via Uitzendinggemist.nl worden aangeboden."
Commerciële omroepen
Ook Nederlandse commerciële omroepen en producenten bekijken wat ze met digitale televisie kunnen en willen doen. RTL Nederland werkt samen met Endemol aan een gouwe-ouwekanaal, GO Channel. Voor die zender kan Endemol putten uit al het materiaal dat Joop van den Ende ooit voor televisie maakte. Endemol heeft de rechten over nagenoeg alle Van den Ende-programma's en kan uren per dag Dagboek Van Een Herdershond en andere melancholische programma's uitzenden. RTL-directeur Fons van Westerloo onderhandelt met de kabelbedrijven over de prijs.
Ook MTV en TMF, muziekzenders van hetzelfde moederbedrijf MTV Networks, beginnen vier nieuwe digitale zenders: 3 muziekzenders en kinderzender Nick Junior. Welke troeven John de Mol in zijn mouw heeft met een uitzendlicentie, zijn financiële belangen van 10,1 procent in Jetix, 8 procent in Viva Media AG (in Nederland actief met muziekzender The Box) en 25 procent in telecombedrijf Versatel is vooralsnog niet bekend. De miljardair is de fundamenten voor een nieuw mediabedrijf aan het opzetten en heeft kopij, een uitzendlicentie en beperkte distributiekanalen in handen. Zo veel is duidelijk.
Digitale Kanalen IV - Endemol
Endemol: "macht gaat naar de consument": De macht in het medialandschap komt volgens producent Endemol meer en meer bij de consument te liggen. Met de toename van het aantal digitale tv-kanalen via kabel, ether en internet verandert de functie van een zender. "De toekomst van Endemol is te omschrijven als 'merken en marketing'. Het kanaal op zich wordt minder relevant. De functie van de zender als programmeur komt daarmee onder druk. De kennis van de kanalen daarentegen wordt heel belangrijk", zegt producent Interactive van Endemol Nederland, Reinoud van Dommelen. Wordt een nieuw programma enkel via tv uitgezonden, op internet en tv en komt daar ook sms-interactie bij? Allemaal vragen die Endemol zichzelf al stelt bij het ontwikkelen van nieuwe formats. "Standaard", aldus Van Dommelen. Endemol Nederland zegt als mediaproducent vooral sßmen te willen werken met zenders om zijn materiaal te tonen. Maar ze zegt ook te overwegen een eigen digitale zender te beginnen. Het bedrijf voert onderhandelingen en oriënterende gesprekken met KPN, de kabelbedrijven en John de Mols mediahuis. "De macht gaat naar de consument", weet Van Dommelen zeker. "Die bepaalt wanneer hij wat ziet. Televisie wordt op termijn als internet gepresenteerd. Speciale computerprogrammaatjes kiezen voor jou uit welke programma's mogelijk interessant zijn voor je." Het in de tv of pc gebouwde programmaatje kijkt niet naar de naam van de zender maar enkel naar hetgeen op televisie is.
Met RTL Nederland praat Endemol over een gouwe-ouwe-zender, die gevuld kan worden met archiefmateriaal van Endemol. Immers, het bedrijf heeft de rechten over nagenoeg alle producties die Joop van den Ende en John de Mol ooit maakte voor televisie, inclusief melancholische programma's uit de jaren 70 en 80 toen er nog geen commerciële televisie was.
Televisie is niet per definitie het vertrekpunt voor nieuwe programma's. Bodyon.nl is een lifestyle magazine dat enkel op internet verschijnt. Dat slaat aan, mede door slimme internetmarketing. De mediamaker bekijkt nu of de internetsite een spin-off kan krijgen naar televisie. Dat is een omgekeerde manier van redeneren in het traditionele denkpatroon van tv-makers. Een ander voorbeeld is tv-programma Idols, niet door Endemol gemaakt. Op televisie werd slechts een selectie van de voorrondes getoond. Op internet zijn de audities van alle kandidaten in streaming formaat te bekijken, materiaal dat de tv nooit haalde.
Van Dommelen ziet het nog niet snel gebeuren dat televisiekijkers het verloop van een serie als Goede Tijden Slechte Tijden kunnen gaan bepalen vanaf de bank. "Dat gaat ver. De kanalen zijn nog niet geavanceerd genoeg voor verscheidene scripts. Sms is al een laagdrempelig retourpad, maar nog niet algemeen genoeg." Toch gaan bij Endemol de gedachten al uit naar gecombineerde internet- en tv-programma's. "Denk aan het tv-programma 1 tegen 100. Dat kan net zo goed 1 tegen 1.000 zijn. Of ÚÚn tegen allemaal. Kandidaten van quizshows kunnen dan thuis meedoen met het spel." Dat kan nu al, maar niet live.
Versplintering
Het versplinterende medialandschap heeft ook mindere gevolgen voor Endemol. "Het bereik versplintert en daardoor wordt de druk op de kosten groter. Daar moet je rekening mee houden bij het maken van een nieuw format", dat enkel van start gaat als de kosten gedekt kunnen worden. "En we verkeren niet in de luxe dat we zomaar complete archieven kunnen gaan digitaliseren om die opnieuw uit te zenden." Geld dat de publieke omroepen wel hebben. "We moeten ons iedere keer afvragen of er vraag naar is en wat het oplevert."
Endemol zegt genoeg materiaal en ideeën te hebben om tientallen zenders te kunnen vullen met content als drama, spelletjes en thuiswinkelprogramma's. Van Dommelen moedig: "Kom maar op met de kanalen".
Hoe de consument daar uiteindelijk voor betaalt is niet eenduidig te schetsen. Volgens de Endemol-producent zijn er tal van betaalmodellen mogelijk. Sms is er een van en zenders achter een decoder plaatsen is een ander voorbeeld, zoals Canal+ doet met voetbal en live voetbalwedstrijden. Een derde optie is dat het kabelbedrijf prijsafspraken maakt met een producent of tv-zender en de kosten doorberekend naar de eindconsument. Die kan dan kiezen uit meerdere kabelabonnementen. Hoe meer kanalen op tv, hoe duurder het pakket. Ook signaleert Endemol dat adverteerders met belangstelling deze ontwikkeling in medialand volgen. Voor hen komt de mogelijkheid dichterbij om eigen tv-zenders te beginnen. Nu al leunen programma's als RTL4's Life & Cooking zwaar op adverteerder Unilever. Binnenkort staat Unilever niets in de weg om bij kabelbedrijven aan te kloppen met een eigen kookzender, met equivalent op internet en mobiele afgeleiden.
Digitale Kanalen V: Interview Rimmelzwaan
Harold Rimmelzwaan, directeur van Wegener Multimedia:
"Journalisten moeten het anders durven doen"
Harold Rimmelzwaan leidt bij Wegener de Multimedia club, voorheen eMedia geheten. Hij leidt de exploitatie van de sites van de regionale kranten en de sites Jobtrack, Autotrack, Kleintjesmarkt.nl, Examen.nl, Weer.nl en Funda.nl met de makelaars (NVM). Rimmelzwaan wil in de aanval, met journalisten. Zijn jullie krantensites nu verlieslijdend of winstgevend?
Rimmelzwaan: "Als ik even niet de journalisten meetel - hoewel dat net als bij andere uitgeverijen maar kleine redacties zijn - dan draaien we daar inclusief de regionale omzet van sites als Jobtrack en Autotrack bij Wegener break-even mee."
Wat ligt er in het verlangde van de kranten om digitaal te doen
"We beschikken over een soort van Medialab binnen Wegener waar we redacteuren en eventueel anderen de mogelijkheden van de nieuwe media kunnen bij brengen en die demonstraties dat gaat vaak gepaard met discussies over de toepassing in hun praktijk."
Wat doen jullie behalve de sites van de regionale bladen met de centrale inlog, Jobtrack, Autotrack voor banen en autohandel, Funda, Kleintjesmarkt. Wat is er nog meer?
"We experimenteren met betaalde content. Ga je naar BN De Stem.nl dan moet je nu betalen voor het regionale nieuws. Dat is niet zo revolutionair, maar het is een eerste stap in een zoektocht om te komen tussen een goed evenwicht voor online uitgeven. Je wilt geen abonnees verliezen, je bereik op de sites vergroten en in het geheel de opbrengsten laten toenamen. Dat lukt naar mijn overtuiging allen maar als je in een goed afgestemde mix toegevoegde waarde weet te leveren. Je moet aanvullingen bieden die aansluiten op het papier. Dat is eenvoudige als het over need-to-know financiële informatie gaat van bijvoorbeeld The Wall Street Journal, maar een hele klus in de meer nice-to-know informatiemarkt waarin Wegener zich met de regionale bladen toch voornamelijk begeeft." "Als je kijkt wat je extra zou kunnen doen op de site dan kun je bijvoorbeeld de belegering van het Laakkwartier in Den Haag als voorbeeld nemen voor op de eerste plaats de redactie van de Haagsche Courant. Die sloot de krant om 12.00 uur, terwijl de verwikkelingen nog volop doorgingen en er grote behoefte was aan extra nieuwsvoorziening. Wat doe je dan? Ik denk dat je heel kunt en moet doen. Het ligt wellicht in de aard om dat om alles op de krant in te zetten, en dat is goed, maar juist op zo'n moment houdt het niet op met het zakken van de krant. Je kan bijvoorbeeld veel van je foto's online gaan zetten waarvoor in de krant toch geen plaats is.
Waarom doet de Haagsche Courant op dat moment niets met video en geluid, dat is toch tegenwoordig eenvoudig te hanteren?
"Dan moet je gaan nadenken over interactieve dingen, waarbij mensen ook nieuwsgierig gemaakt worden naar de krant omdat daar het hele overzicht in staat met leuke toevoegingen."
Vormen van samenwerking?
"We kijken nu samen met het ANP naar mogelijkheden om je platformrol in de regio en lokaal beter te vervullen. Dat kan bijvoorbeeld, met sport, door bij een wedstrijd van FC Utrecht de liefhebbers de gelegenheid te geven om een digitale persconferentie bij te wonen en eventueel vragen te stellen. ANP heeft voor persconferenties de technologie in huis, maar die is op meer manieren inzetbaar, ook met het gewone publiek op internet. Dat is een hele verbetering ten opzichte van de traditionele chatsessies in het verleden met beroemdheden, vaak bij grote providers, die niet als een groot succes de internetgeschiedenis zijn ingegaan. Zoiets zou je ook met burgemeesters kunnen doen of andere personen die dan in het nieuws zijn. Dat is niet eenvoudig te organiseren. Bij redacties loop je toch een beetje vast, die lopen er niet een-twee-drie warm voor, uitzonderingen daargelaten."
Hoe komt het dat journalisten vaak niet voorop willen lopen als het gaat om nieuwe toepassingen in hun vak?
"Het belangrijkste is vooral onbekendheid. Journalisten weten niet wat er te koop is en experimenteren er niet mee. En waar ze niet aan gewend zijn passen ze niet zo snel toe in de openbaarheid. Een daarmee samenhangend probleem is dat van de gemiddelde leeftijd van krantenredacties. Er ligt een generatiekloof. Ik vraag me ook af of er in de opleidingen wel voldoende breed en diep op de nieuwe mogelijkheden wordt ingegaan."
Maar dan is er toch een hoofdredactie die wat, eventueel zachte, drang kan uitoefenen?
"Het is ook geen kwestie van op een goede dag mensen die spullen in hadden duwen om ze te verplichten ermee te werken. Maar je ziet dat de dagbladen zich een beetje in het verdomhoekje voelen zitten. Dat is natuurlijk niet reëel. Als er ÚÚn medium is dat een enorm bereik heeft en vertrouwen geniet van de doelgroep dan is het wel het dagblad."
Er staat wel druk op...
"Natuurlijk, conjunctureel staat het onder druk en er is weinig extra budget om te innoveren. Maar ik vind ook dat er van de journalisten zelf, en ook van de NVJ, te weinig initiatief uitgaat voor vernieuwing. Je moet die keuzes durven maken."
Dat wil men wel, extra formatieplaatsen...
"Ja, daar begint het vaak mee: dan moeten er extra mensen bij. Dat is een Pavlov-reactie. Je moet kijken of je alles in de krant zoals je die vandaag maakt morgen nog wel wilt en moet doen. Je kunt de binding met de krant, en breder met de titel, dus ook de internetsite, vergroten."
Minder met de krant doen betekent minder waarde voor het geld voor de lezer. Pikt die dat? En kun je er online inkomsten voor terugkrijgen als ze met papier afkalven? Dus de site vooral voor abonnees openen?
"Nee, ik denk dat je af moet van het idee dat alle content maar betaald moet zijn met abonnee-inkomsten. Spits en Metro zijn ook gratis. Waarom zou je niet van internet een zeer populair mediumtype maken waardoor je de kosten grotendeels kunt dragen uit advertenties. Je ziet toch momenteel mogelijkheden ontstaan die veel verder reiken dan de traditionele banners en veel aandacht trekken en beklijven. Daar moet je toch ook geld mee kunnen verdienen."
Maar hoe ligt dan commercieel de verhouding met die altijd nog betaalde krant?
"Op de eerste plaats zijn het onvergelijkbare media. De krant koop je op een moment of mensen zijn iedere dag blij op het moment dat de krant op de mat valt. Je kunt even lekker het krantje lezen bij het ontbijt of op de bank. Daar betalen ze ook voor. Op de site komen veel meer de bezoekers die even snel, wanneer het hen schikt, het nieuws willen bekijken en direct wat leuks meepakken. Daar kun je dan niet direct geld voor vragen maar dat is wel interessant voor de adverteerder."
Kun je met behulp van internet fijnmaziger in de regio gaan werken, bijvoorbeeld voor een aantal dorpen samen of puur ÚÚn stad, misschien met een weblog?
"Ja, zeker, je zou als regionale krant veel meer gebruik moeten kunnen maken van je functie als platform voor je regionale publiek. De binding kan toenemen met internactie en bekende gezichten. Ook mensen in de regio kunnen die site helpen vullen met journalistieke onderwerpen. We zijn natuurlijk traditioneel nogal gericht op de man in het pak; het moet een journalist zijn die publiceert. Maar waarom zou je die conventie niet doorbreken? Er zijn wel mensen in de regio die een goed verhaal kunt schrijven en wat te vertellen hebben."
En journalisten die dan de regiefunctie vervullen?
"Zeker, journalisten kunnen veel meer doen in de veredeling. Ook vinden redacties nu dat er persÚ een eigen fotograaf heen moet. Maar als je aan die voorwaarden zondermeer blijft vasthouden dan kun je niet zo eenvoudig uitbereiden en nieuwe dingen ondernemen. Journalisten hebben de creativiteit om zaken te initiëren, discussie te ontlokken en die ook in goede banen te leiden. Echt een regiefunctie over nieuwe stromen van informatie die rond de titel ontstaan. Nu ga ik op de stoel van redacties zitten, maar het zijn suggesties waarover je kunt praten. Internet is een fantastische medium om die platformrol te vervullen. Waarom zou je niet op je site reacties verzamelen en die ook in de krant linea recta op een hele pagina publiceren? Daar moet je mensen op de redactie hebben die daar in geloven en die daar dan een andere pagina voor op durven geven. Dat een hoofdredacteur zegt: dan maar een pagina binnenland minder of niet het zoveelste interview."
Leidt dit uiteindelijk tot minder of meer werkgelegenheid voor journalisten?
"Eigenlijk moet dat niet de belangrijkste vraag zijn. De vraag is veel meer of je je titel en merk kunt continueren door die sterker te maken. Meer werkgelegenheid kan daar dan een gevolg van zijn, maar dat als uitgangspunt nemen vind ik raar. Daar wordt uiteindelijk niemand beter van. Je moet meer en betere dingen gaan doen. Elke sector staat onder druk en gezond blijven en overleven kan soms allen met minder werkgelegenheid."
Digitale Kanalen VI: Fieldhockey.tv
Fieldhockey.tv: de toekomst van internet-tv is al begonnen: Een van de eerste echte internettelevisiekanalen is van Nederlandse bodem: Fieldhockey.tv zendt 24 uur per dag - nu nog gratis - vooral Nederlandse hockeywedstrijden uit. Fieldhockey.tv is op dit moment met name 'registratie', zelfs zonder commentaar. "Interviews en reportages werden minder bekeken." Terwijl Hilversum nog met plannen voor digitale themakanalen in de weer is, bestaat er al meer dan een jaar een heus themakanaal dat via internet uitzendt - zelfs vierentwintig uur per dag. Fieldhockey.tv is een initiatief van voormalig hockey-bondscoach Roelant Oltmans en het Engelse bedrijf Narrowstep, een internationale pionier op het gebied van internet-tv.
Het bedrijf in London kocht twee jaar geleden goedkoop bandbreedte in en bouwde een technische omgeving waarin nu al tientallen internet-tv-kanalen worden uitgezonden. Zoals High.tv, een zender met avontuurlijke sporten. Of Research.tv, met wetenschappelijke reportages gemaakt door Engelse universiteiten. De 'content' is steeds in handen van andere partijen, meestal die van het gelieerde The Content Company. De exploitatie gebeurt door afzonderlijke bedrijven. Zo is Fieldhockey.tv gevestigd in Hoofddorp, met vijf medewerkers in dienst. Fieldhockey.tv zendt elke week alle wedstrijden van de Nederlandse hockeycompetitie, zowel mannen als vrouwen, uit in samenvattingen van ongeveer een kwartier per duel. Ook zijn er beelden van de Duitse, Belgische en Nieuw-Zeelandse competities en natuurlijk de grote internationale toernooien.
Nog geen tv-gevoel
De beelden van Fieldhockey.tv openen in een apart venster, waarna er een keuze is uit vijf verschillende snelheden. Alleen die van 400 kbps en 800 kbsp zijn goed om het hockeyspel echt te kunnen volgen. De beelden op een volledig scherm bekijken is mogelijk, al moet daarvoor wel eerst de juiste optie worden gevonden. Een 'streaming-snelheid' van 800 kbps valt te halen bij de huidige gemiddelde ADSL-abonnementen die ongeveer tussen de 20 en 40 euro per maand kosten.
Een echt gevoel alsof je naar televisie ziet te kijken, geeft Fieldhockey.tv nog zeker niet. Op een computerscherm zijn supersnel bewegende beelden, zoals een kleine hockeybal die met hoge snelheid op een doel afgaat, moeilijk te volgen. De oplossing ligt in hogere snelheden. Bij een aantal andere internet-tv-kanalen zet moederbedrijf Narrowstep al 1200 of 1500 kbps (1,2 tot 1,5 Megabit per seconde) in, vertelt Fieldhockey.tv-directeur John Goedegebuure. "Bij die snelheden is het voor het oog bijna hetzelfde als televisie. Ik zag onze beelden een tijdje terug tijdens een demonstratie op een groot scherm geprojecteerd en dat was perfect, daar was ik best trots op."
Volgens Goedegebuure is een gemiddelde snelheid van iets meer dan 1 Mb/s al voldoende voor beeldvullende internet-tv. Fieldhockey.tv zit daar nu nog niet op, maar andere kanalen van Narrowstep al wel. Nederland loopt volgens Goedegebuure achter op breedbandgebied doordat veel mensen nog altijd kiezen voor de abonnementen met de allerlaagste snelheid. "Dat is vooral de schuld van de kabelbedrijven die de snelheden hier niet om hoog willen gooien. In Amerika zijn de gemiddelde kabelsnelheden 3 Mb/s terwijl veel Nederlanders nog met slechts 256 Kb/s over de kabel surfen."
Wie naar Fieldhockey.tv kijkt, moet goed opletten. De spelsituaties lijken elkaar soms wel erg snel op te volgen. Is de montage zo strak of is er een andere oorzaak? Die moet waarschijnlijk gezocht worden in het gebrek aan gesproken commentaar. De televisiekijker is gewend dat sportbeelden vergezeld gaan van een gesproken stem. Dat merk je pas als het er niet is. Want Fieldhockey.tv heeft een commentaarloze omgeving. Dat heeft zo zijn charme: het geroep van het publiek en geluid van de sticks zijn beter hoorbaar dan ooit. Maar je mist er ook veel door: want wie maakte nou net dat doelpunt?
Goedegebuure: "Ja, je mist een dimensie. Het is op termijn wel de bedoeling dat er een voice-over bij komt, maar op dit moment kiezen we ervoor om de samenvattingen zo snel mogelijk online te hebben. Met commentaar erbij zouden we dan nog een dag extra kwijt zijn aan de montage. Nu staan alle beelden van de wedstrijden van zondag er in ieder geval maandagochtend op."
Geen vraag naar journalistiek
Interviews en reportages zijn bij Fieldhockey.tv schaars. "In het begin hebben we wel een aantal interviews gedaan, bijvoorbeeld met hockeycoaches, maar daar bleek helemaal geen vraag naar. De interviews werden beduidend minder vaak aangeklikt en ook eerder afgebroken." Desondanks is er nog wel een aantal journalistieke mogelijkheden voor de internetzender. Goedegebuure denkt bijvoorbeeld aan een talkshow waarin deskundigen de hockeybeelden analyseren. "Dat is ook interessant voor jongeren die nog heel intensief met hun sport bezig zijn."
Verder doet Fieldhockey later deze maand verslag van een benefietwedstrijd tussen internationals en landelijke policici. "Dan willen we natuurlijk Wouter Bos ondervragen als hij zit uit te puffen op de bank." Veel (journalistieke) 'content' heeft de site van Fieldhockey.tv bepaald niet. Op het moment van schrijven is de v¾¾rpagina zelfs helemaal leeg. De kijker kan het bij het venster met de beelden en de opties houden. "De komende tijd willen we de site toegankelijker maken en meer metadata aan de videoclips toe voegen zodat mensen gemakkelijker beelden 'on demand' kunnen opvragen." Want dat is hÚt grootste verschil met normale tv volgens Goedegebuure: bij Fieldhockey.tv zijn alle samenvattingen ook nog eens 'on demand' te bekijken.
Kijkcijfers
Na 1 jaar en 1 maand hebben is tot nu toe 900.000 keer naar Fieldhockey.tv gekeken. "Een jaar geleden had ik dat aantal te weinig gevonden, maar achteraf valt het nog mee. De rest van onze website is namelijk op dit moment nog lang niet wat het zou moeten zijn. En vergeleken met de andere internetkanalen van Narrowstep doet Fieldhockey.tv het best goed. Bovendien zijn dit unieke bezoekersaantallen." De drukste dagen zijn de maandagen en de dinsdagen als de samenvattingen van het weekend erop staan. Wekelijks komen er nu zo'n 20 tot 22 duizend mensen op de site. En die kijken ook Úcht, zegt Goedegebuure. De gemiddelde tijd dat ze op de site blijven is 20 minuten. De helft van de kijkers komt uit Nederland. Verder zijn Groot-Brittannië, Amerika en Canada goed vertegenwoordigd. Daar wonen veel Nederlandse 'expats' die naar de hockeybeelden komen kijken, weet Goedegebuure. "Maar we hebben ook een vaste kijkersgroep uit Japan. Zo'n vijftig Japanners kijken wekelijks naar onze site."
Over 36 maanden wil Goedegebuure op een totaal van 10 miljoen kijkers zitten. "Uiteindelijk verwacht ik 1 miljoen kijkers per maand. Hockey is ons nationale exportproduct. Daar moet vele malen meer mee te doen zijn. De Nederlandse hockeycompetitie is de belangrijkste van deze sport wereldwijd. Als er straks ook meer Indiërs in Nederland komen spelen, dan zullen ze ook in India de wedstrijden wekelijks willen volgen. Vergelijk het met de Koreanen en Japanners die naar Nederlandse clubs werden gehaald voor de verkoop van merchandising. En wij kijken hier toch ook naar de Engelse voetballiga?"
In India werkt Fieldhockey.tv al aan een uitrol, via het grote kabelbedrijf Atlas. Die begint in december met televisie-uitzendingen via (A)DSL. Een van de aangeboden zenders is Fieldhockey.tv. Goedegebuure: "Atlas wil daarmee in een jaar 2,5 miljoen aansluitingen halen en in zes jaar zelfs 45 miljoen." Ook het grote Amerikaanse kabelbedrijf Comcast zet in op internet-tv. "Terwijl zij op de kabel al 450 kanalen aanbieden! Kennelijk is er nog behoefte aan meer. Dat kan internet brengen," aldus Goedegebuure. "Cruciaal is volgens hem dat internet gemakkelijker op het tv-toestel te zien zal zijn. Die mogelijkheden ontluiken, met bijvoorbeeld Microsofts Media Center. "Je moet je tv gemakkelijk als monitor kunnen gaan gebruiken. Dat gaat gebeuren."
2000 euro per keer
Fieldhockey is bij elke hoofdklasse-wedstrijd met drie camera's aanwezig. Hoeveel kost dat het beginnende bedrijfje? Goedegebuure: "De productie kost ongeveer 1.500 euro, en inclusief de montage minder dan 2.000 euro. We kunnen dus heel goedkoop werken. Toch is de kwaliteit van de beelden even goed, zo niet beter, dan de hockeybeelden op Studio Sport."
Goedkoop zijn de uitzendingen ook. "We zenden point-to-point uit. Pas als de bezoeker zich meldt maken we kosten. Op termijn zou je verschillende prijzen aan bezoekers uit verschillende landen kunnen rekenen op basis van de prijs die de bandbreedte kost."
Maar de internetzender is nu nog helemaal gratis. "Niet voor elk internetkanaal zullen de kijkers zelf moeten betalen. Wij werken in eerste instantie met sponors en adverteerders." Nu al krijgen kijkers uit Nederland andere korte commercials te zien dan die uit andere landen. "Dat is ook een voordeel van internet-tv: ik weet precies wie er op welk moment naar welk soort beelden kijkt. Dat is natuurlijk buitengewoon interessant voor adverteerders. Ze kunnen een hele nauwkeurige doelgroep bereiken."
Goedegebuure denkt nog verder en verwacht dat binnen afzienbare tijd internet-tv-kanalen hun advertentiezendtijd via een internetveiling zullen aanbieden.
Ook naar digitale tv
Narrowstep, het bedrijf dat Fieldhockey.tv technisch mogelijk maakt, is ook voor de Britse publieke omroep bezig het archiefmateriaal geschikt te maken voor digitale themakanalen. In Nederland is de publieke omroep met netcoordinator Joop Daalmeijer iets dergelijks van plan. Narrowstep komt onder meer met MajestyTV, een internetkanaal met alleen maar beelden van koninklijke families. In meerdere talen. Want: "In Duitsland vreten ze die rommel," zegt Goedegebuure.
Op andere beschikbare distributiemiddelen dan internet, zoals KPNs Digitenne of UPC's digitale kabeltvpakket, heeft Fieldhockey.tv ook haar oog laten vallen, maar dat is voorlopig nog niet aan de orde. "Daarvoor is onze kwaliteit nog niet goed genoeg. Dan moeten we bijvoorbeeld inderdaad een voice-over hebben en meer vormgeving en aankleding."
Politieke propagandazenders
Goedegebuure verwacht dan ook dat over een jaar van nu er meer Nederlandse internetkanalen zullen zijn. Maar zullen die ook vooral sport en entertainment uitzenden, of valt er met de nieuwe uitzendmogelijkheden ook nog meer serieuzere dingen te doen? "Je kan denken aan nieuwszenders die meer ruwe 'footage' uitzenden van nieuwsgebeurtenissen. Of zenders die verslag doen van actualiteiten met meerdere interpretaties. Bijvoorbeeld PvdA-tv of VVD-tv. Ik snap niet dat de politiek niet inziet dat ze dankzij internet helemaal geen zendtijd bij de publieke zenders meer nodig hebben."
Ook ziet hij veel mogelijkheden in internet-tv in het onderwijs. "Met beeld en geluid kun je jongeren van tegenwoordig veel sneller iets bijbrengen dan met dikke boeken." Zowel studenten als universiteiten zouden er ook financieel baat bij hebben. "Stel je eens voor dat elk college live uitgezonden zou worden en ook nog eens on demand beschikbaar zou zijn. Universiteiten kunnen dan meer studenten aannemen en de studenten kunnen bijvoorbeeld overdag een baantje nemen en de studie in hun vrije tijd doen." Goedegebuure is nog in onderhandeling met andere partijen in de sportwereld over zenders voor andere sporten. Hij denkt dat 250.000 euro per jaar aan advertenties voldoende is om op internet een themakanaal in de lucht te houden.
Narrowstep faciliteert al een aantal andere internetsportzenders: Cycling TV, Global Golf TV, Global Sport TV, Sport Box TV, World Badminton, British Rally TV en Swedish Match Tour. Een muziekkanaal is er ook al, ondanks de complexiteit van het auteursrecht: Detonator TV speelt 7 dagen per week videoclips in de genres hardrock en gothic.
Mobiele illusie?
Het rapport De Eindeloze Ether van het tijdschrift De Ingenieur wekte deze zomer de verwachting dat binnenkort iedereen dankzij UMTS op zijn mobieltje of andere draagbare apparaten naar tv-beelden zal gaan kijken. Bij Fieldhockey.tv zien ze dat helemaal niet gebeuren. "In geloof absoluut niet in tv op je mobiel," zegt Goedegebuure. "Je gaat niet in de bus naar tv zitten kijken. Dat is ook veel te duur op dit moment. Geen hond is zo gek om voor het kijken naar het journaal een tientje te betalen." De bandbreedte is voor de telecombedrijven te kostbaar en dat zal de komende jaren niet veranderen. "Voor UMTS zijn de winstmarges klein. UMTS zal niet brengen wat de bedrijven hoopten toen ze voor miljarden aan licenties kochten. Je zou kunnen zeggen dat met de veiling van de UMTS-licenties uiteindelijk staatsschuld is omgezet in bankaire schulden van telecombedrijven..."
Links:
Fieldhockey.tv
Narrowstep.com
Detonator.tv
High.tv
De stoottroepen van de persvrijheid
Al jaren vliegen de readers, boeken en debatten over persvrijheid je om de oren. Maar in alle discussies is er één opvallende afwezige: internet. En dat terwijl juist hier de meeste felle en complexe voorhoedegevechten voor journalistieke vrijheid worden geleverd. Als het woord ‘internet’ valt in een discussie onder journalisten, dan is de kans groot dat het wordt ingezet om negatieve effecten te illustreren. Internet is een onbetrouwbaar stinkende poel van misleidende informatie van a-journalistieke amateurs, zo hoor je sommigen denken. Vraag diezelfde journalisten wat hun allereerste bron is als ze een artikel schrijven, en hetzelfde medium komt nagenoeg altijd als eerste uit de bus. De keren dat geciteerd wordt uit een internetforum om te laten zien hoe de verderfelijke geluiden uit de samenleving eruit zien - ‘grabbeltonjournalistiek’ - zijn niet meer te tellen. Daarnaast, als je NOS.nl per definitie onbetrouwbaarder vindt dan het NOS Journaal, dan behoor je tot een zeer extravagante minderheid.
De uiterst ingewikkelde haatliefde verhouding die journalisten hebben met de nieuwe media, is een uiterst significante factor in de persvrijheidissues. Immers, ongemerkt wordt internet nog elke dag belangrijker voor de nieuwsconsument en de professional. Daartegenover, het dédain van de gemiddelde journalist (of politicus) zorgt ervoor dat internet buiten de discussies blijft en wetgever en justitie er behoorlijk losjes met de persvrijheid kunnen omgaan. Ongestraft en bijna ongezien.
In de zomer van 2004 besloot digitale burgerrechtenbeweging Bits of Freedom het verantwoordelijkheidsgevoel van enkele grote providers onder de loep te nemen. Bij tien van hen werd een kleine site opgezet en een tekst van Multatuli - inmiddels auteursrechtvrij - geplaatst. Vervolgens liet de stichting de in het leven geroepen advocaat Mr. Drooglever met een anoniem hotmail-adres die providers een mailtje sturen met het verzoek om verwijdering van de site. Het schokkende resultaat: zeven van de tien providers lieten de informatie ogenblikkelijk verdwijnen, zonder er nog een woord aan vuil te maken. Ondanks het anonieme e-mailadres, zonder te kijken naar de wet, zonder de advocaat om meer informatie te vragen.
Diezelfde achteloosheid ten aanzien van de vrijheid om op internet te publiceren heerst binnen Justitie. Een van de vele mogelijke voorbeelden: met een DOS-aanval kan een kwaadwillende persoon een site uit de lucht halen. Als je het met de informatie niet eens bent, schrijf je een computerprogramma dat de site miljoenen keren per dag opvraagt. Aan dat enorme aantal informatieaanvragen gaat de computer waarop de site functioneert ten onder en wordt soms weken volkomen onbereikbaar (Denial of Service, DOS). Dat kun je vergelijken met een lezer die, uit onvrede met een artikel, de drukkerij binnenloopt om de totale oplage van een krant in brand te steken voordat die bij de abonnees in de brievenbus valt. Dat gebeurde in het recente verleden al bij Overheid.nl, Radio538.nl, Geenstijl.nl en de site van politieke partij AEL. In alle gevallen reageerde Justitie traag en zelfs expliciet ongeïnteresseerd, zelfs toen de verdachten bekend bleken en volmondig toegaven dat zij de aanstichters waren. Nu waren het nog sites die op de grens met de journalistiek verkeren. Maar wat gebeurt er als een prominent internetjournalistiek medium aan de beurt is?
Ook op het gebied van bedreiging van internetjournalisten en het weren van destructieve of zelfs onwettig opererende online gebruikers kan niet op Justitie gerekend worden. In zaken van online persvrijheid staat de journalist er alleen voor. Sterker nog, daarin is de overheid een van de meeste prominente tegenstanders.
Het kan niet worden ontkend dat het discussieklimaat bijzonder snel is verhard en dat internetsites daarin niet zelden een minder fraaie rol vervullen. En dat is ook logisch. Niet iedereen is journalist, of zelfs maar een persoon met de intentie zich aan de wet of de ongeschreven regels van het fatsoen te houden. De laagdrempeligheid van het medium staat zo garant voor uitingen die, om het voorzichtig te zeggen, aan subtiliteit wat te wensen overlaten.
Dat Justitie daartegen wil optreden is begrijpelijk, redelijk en zelfs wenselijk. Maar in tijden waarin het toverwoord ‘terreur’ op de lippen van overheidsfunctionarissen ligt, kun je een behoorlijk eenzijdige benadering van ‘het probleem internet’ verwachten. En dat is dan ook de situatie van de afgelopen jaren.
Er is geen sprake van een afweging waarin ook persvrijheid, verschoningsrecht of controleerbaarheid een rol spelen. Zo kan elke opsporingsambtenaar de gegevens van bezoekers van je website opvragen; toelichting is niet noodzakelijk. Omdat een internetjournalist zijn ‘drukkerij’ niet in eigen beheer heeft, maar aangewezen is op providers, is een e-mailtap geen enkel probleem. Zo kan technisch zelfs het verschijnen van je site met één druk op de knop onmogelijk worden gemaakt, zonder dat je er maar iets over te zeggen hebt.
Dat onze eigen vrijheidslievende overheid zoiets nooit zou bedenken of durven is helaas een te mooie droom. In december 2004 stelde het PvdA-kamerlid Van Heemst serieus voor dat de AIVD hackers in dienst zou nemen die haatdragende buitenlandse sites zouden uitschakelen. ‘Om Nederland te beschermen tegen het gif van verkeerde ideeën’, zo voegde hij er trots aan toe.
De eerste stappen
In de praktijk zijn de eerste stappen al gezet. Van Indymedia.org, een respectabele journalistiek-activistische site, heeft de FBI zonder toelichting alle computers in beslag genomen. Inmiddels houdt de internationale journalistenbond IFJ zich intensief met de zaak bezig. De Nederlandse vestiging van Indymedia moest zich na een bedreiging aan het adres van Geert Wilders door een bezoeker (die door de redactie al na drie kwartier werd verwijderd), behoorlijk schrap zetten. Uiteraard moesten de gegevens van de bezoeker door de sitemakers worden overgedragen, maar die claimen niet in het bezit te zijn van die informatie. Justitie kwam op een vrijdagavond met een kortlopend ultimatum zodat geen juridische hulp meer kon worden ingeschakeld. Deze casus wekt meer de indruk van pesterij dan van een zorgvuldig doorlopen procedure.
Halsstarrigheid als grondhouding is onzinnig. Zo moeten internetredacties zich ervan bewust worden dat ze moreel en juridisch verantwoordelijk zijn voor de reacties van hun lezers. Het verschoningsrecht mag niet worden gebruikt om onwettige uitingen uit de wind te houden, als zij geen maatschappelijk of journalistiek belang vertegenwoordigen. Laten we dat bewaren voor de klokkenluiders of onmisbare anonieme bronnen.
Daar staat tegenover dat wij moeten beseffen dat persvrijheid ook online een waarde vertegenwoordigt, waarmee we solidair moeten zijn. En die is in acuut gevaar. Internetjournalisten vormen de voorhoede, de stoottroepen van de persvrijheid en het beeld is bijzonder grimmig. De internetrecherche van de KLPD blijft maar sollicitanten werven en de komende Europese internetwetgeving voorspelt ook niet veel goeds.
Als we ook in ‘de nieuwe journalistiek’ willen opkomen voor de persvrijheid moeten we ook nog de lastige hindernis van de definitie nemen: voor welke sites moet de journalistiek nog opkomen? Wie noemen we online nog journalist? Er kunnen nog wel wat readers, boeken en debatten bij.
KADER: Internetjustitie
Minister Donner gaf in antwoorden op kamervragen recentelijk aan hoe Justitie op het gebied van de digitale opsporing is georganiseerd en waartoe dat heeft geleid. Hij legde uit dat de opsporing drie niveaus kent voor de aanpak van computercriminaliteit. Elk regiokorps beschikt over een eigen Bureau Digitaal Rechercheren. Bovenregionaal zijn er de Bureaus Digitale Expertise en op landelijk niveau is er de Groep Digitaal Rechercheren van het KLPD. Er zijn in totaal acht bovenregionale bureaus Digitale Expertise. In totaal zijn 115 mensen werkzaam in de digitale recherche. Bij het OM zijn volgens de minister van Justitie in de jaren 1998 tot en met 2004 (tot medio november) 225 zaken binnengekomen die vallen onder de Wet computercriminaliteit. Hiervan zijn 82 zaken gedagvaard (36 procent), 64 zaken geseponeerd (28 procent), 69 zaken geschikt (31 procent) en 10 zaken voorwaardelijk geseponeerd (4 procent). In 53 zaken is door de rechter een straf opgelegd, en in zes zaken een vrijspraak gevolgd. Van de overige zaken is de uitkomst nog niet bekend.
Interactie
"Afdalen in de modder." Internetjournalistiek zou voorzichtig tweerichtingsverkeer moeten zijn. Maar met name de traditionele media weten geen raad met de mogelijkheden van werkelijke internetinteractie; ironisch genoeg juist datgene waar het internet zo om geroemd wordt. Internetforums van nieuwssites worden slecht gebruikt of zelfs gesloten bij gebrek aan aandacht of kwaliteit. Redacties en uitgevers zijn daarvoor zelf verantwoordelijk. Zij laten gouden kansen liggen door de weigering zich in het leven van de lezer/bezoeker te verdiepen. Geen wonder dat die vervolgens niet meewerkt. Als men de journalist vraagt wat de verworvenheden van het internet zijn voor het journalistieke proces, dan zal het toverwoord 'interactie' zeker tot de antwoorden behoren. Nu bestaan er vele soorten van interactie, maar de inhoudelijke bemoeienis van de lezer/bezoeker met de inhoud van de site wordt als de meest wezenlijke en boeiende gezien; werkelijke bezoekersparticipatie. In de studie 'Journalists in the Netherlands' van Deuze (2001) wordt duidelijk dat online journalisten het zelfs als een belangrijke taak zien het publiek een stem te bieden.
Journalistiek is een vak
Tijdens de interneteuforie van enkele jaren geleden dacht men zelfs dat het tweerichtingsverkeer nog veel verder ging: journalisten waren feitelijk niet meer nodig. "Je bent je eigen uitgever en daardoor niet meer afhankelijk van de bestaande media. Je kunt je eigen blad of je eigen protestbeweging beginnen", zei één van de oprichters van XS4all, Felipe Rodriquez in 1997. Het is een treffende samenvatting van de sfeer in die tijd. Radicaal interactieve journalistieke sites als Plastic.com waren het product van 'de revolutie'. Maar ook particuliere homepages zouden een omwenteling gaan betekenen in het informatieaanbod. Uitzonderingen daargelaten, de internetter bleek verkeerd ingeschat. Tegenvallende journalistieke kwaliteit en matige bezoekersaantallen nekten het idee. De gehechtheid aan een bekend journalistiek merk, de luiheid en redactionele onervarenheid van de internetter waren groter dan verwacht. Journalistiek bleek een vak te zijn.
Op een meer bescheiden niveau lijkt bezoekersparticipatie wel degelijk aan te slaan. Op het Nederlandse net krioelt het van de drukbezochte nieuwsgroepen, forums en chatboxen. Slechts een zeer klein gedeelte van de uitwisselingsplatforms bezit enige journalistieke relevantie. Meestal is die pretentie ook afwezig (dat geldt met name voor de chatboxen), en maken internetters slechts een onschuldig babbeltje in een virtueel buurthuis.
Interactiviteit van nieuwssites marginaal
Interessant en problematisch wordt het pas als bezoekersparticipatie een rol in het journalistieke proces wordt toegedicht. En dat wordt volop geprobeerd. Op nieuwssites kom je e-mailadressen en enquêtes tegen en Trouw experimenteerde zelfs kortstondig met een live redactiechat in geluid. Maar de internetjournalistieke oervorm van interactie is het discussieforum. Bezoekers kunnen hun mening over een actuele gebeurtenis of nieuwsitem achterlaten op de site, anderen kunnen ook daar vervolgens op reageren zodat een discussie ontstaat. Dat lijkt gemakkelijk, maar dat is het niet. Een klein surftochtje naar de belangrijkste nieuwssites in Nederland laat zien hoe de journalistiek worstelt met zo'n relatief eenvoudig concept. Bij Planet Internet en het NRC moet je de discussies even zoeken, maar de praatplaatsen zijn tenminste nog goed gevuld. Het kan erger. Het Algemeen Dagblad en de Telegraaf hebben onlangs (zomer 2002, red.) het forum gesloten wegens onfatsoenlijk taalgebruik. De NOS, het Parool en Nu.nl hebben geen enkele interactiemogelijkheid behalve een algemeen redactie e-mailadres, en van de overige grote nieuwssites stelt het forum doorgaans inhoudelijk weinig voor. Zelfs op de site van discussieprogramma Buitenhof is geen discussie te vinden. Werkelijke interactiviteit blijft in de Nederlandse internetjournalistiek meestal slechts een belofte.
Interactiviteit als luxeartikel
Dat euvel kent door meerdere oorzaken: allereerst is bezoekersparticipatie in een dergelijke directe vorm voor de journalistiek een tamelijk nieuw concept. Onwennigheid met nieuwe ethische regels (bijvoorbeeld, hoe ga ik om met anonieme inzenders of onfatsoenlijk taalgebruik?), nieuwe techniek en de daarbij horende nieuwe journalistieke taken zorgen voor vertraging. Belangrijker is dat de waarde van een inhoudelijk reagerende lezer of kijker stelselmatig wordt onderschat. Ingezonden reacties op het net en een goed gevuld internetforum worden door velen nog als een grappige bijkomstigheid beschouwd. Daardoor voelen nieuwsconsumenten zich door de media niet serieus genomen en zullen zij ook weigeren zich uit te sloven voor de kwaliteit die de redactie wenst.
Een concreet voorbeeld: In de Volkskrant van 28 september staat de vermeende spanning tussen de islam en de vrijheid van meningsuiting volop in de belangstelling. Op de papieren forumpagina het volgende kadertje: "www.volkskrant.nl/forum: Xaviera Reynhout roept de moslims in Nederland op te laten zien dat de islam ook gematigd kan zijn. Er wordt massaal gereageerd."
Reacties van wie en welke kant gaat de discussie op? Als de reacties op een oproep zo massaal zijn, waarom dan geen verslag ervan in de papieren krant? Of de hoofdpagina van de site? Is een stevige discussie van goed geïnformeerde Volkskrantlezers niet iets waar de krant of de site trots op is? Waarom worden we lastig gevallen met de meningen van de zoveelste deskundige, columnist of journalist, als de lezers zelf even goed argumenteren? Het dédain en de angst voor de nieuwsconsument zorgen ervoor dat er überhaupt onhandig wordt geopereerd. Links naar andere relevante sites (sic!) en naar directe bronnen halen anno 2002 vrijwel nooit de sites, zeker niet die van de traditionele media. Niemand lijkt zich daarover te verbazen. Schrijvers van artikelen of columns plaatsen hun e-mailadressen niet. Ingezonden stukken worden zelden 'afgedrukt', terwijl het internet toch niet bekend staat om zijn ruimtegebrek. En dan zijn redacties nog oprecht verbaasd als hen wordt verweten niet te weten wat er leeft in samenleving.
Vaart.nl
Vaart.nl is een nieuwssite annex internetgemeenschap waarin de professionele vaart het onderwerp is. De site bestaat sinds 1996. Zo'n 700 schippers en geïnteresseerden surfen dagelijks naar de hoofdpagina van de site, waar hen dagelijks nieuws over de vaart wordt gepresenteerd. De site bestaat verder voornamelijk uit discussielijsten (forums), en zelfs een door bezoekers gemaakte e-zine (internetmagazine) over het gezinsleven op de vaart. Daardoor is de site met 15% bereik algemeen marktleider onder schippers.
Actieve bezoeker in de praktijk
Bezoekersparticipatie en journalistiek worden pas een gelukkige combinatie als men verder surft naar de kleinere, niet-traditionele sites op het net. Hier durven journalisten wel in de 'modder af te dalen'. En met succes. Sites met internetnieuws (Planet Multimedia, Webwereld en vooral Emerce) weten vaak artikelen met kwalitatief hoogstaande reacties te verrijken. Maar ook relatief onbekende nieuwssites als Vaart.nl, een site voor de Nederlandse vaart, zou er zonder de bijdragen van de doelgroep heel anders uit zien. Oprichter en webredacteur Dirk van der Meulen: "Zonder werkelijke interactie is een site nogal doods. Ik zou ook niet weten waarom je de mogelijkheden die participatie biedt zou willen laten liggen."
Men zou kunnen tegenwerpen dat de kleinschaligheid van een site en de afbakening van de onderwerpen (internetnieuws, vaartnieuws, nieuws voor alleenstaande ouders) automatisch bevorderend werken op de participatie. Voor grote algemene nieuwssites zou het daarom moeilijker kunnen zijn om kwalitatief hoogstaande interactie met bezoekers op te bouwen. Helemaal waar. Maar het is constructiever dit argument om te draaien. Als er sprake is van sfeer, een soepele organisatie, van een invalshoek en een kortere lijn naar de bezoeker kan het tweerichtingsverkeer waardevolle resultaten opleveren.
Door iemand serieus genomen worden
Dat betekent allereerst, dat nieuwsmedia ook op internet hun kaarten op tafel moeten leggen en zeggen wie ze zijn. Of willen zijn. Niet slechts de grauwe grabbelton van eindeloze feiten, maar een sfeervol venster op de wereld. Van der Meulen geeft aan dat de site zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de interactie: "als je wil dat mensen hun luiheid en schuchterheid overwinnen, moet de site een eigenheid hebben. Dan houden mensen niet van klinische systemen." Met andere woorden, als mensen iets zeggen, willen ze tegen iemand praten, niet tegen iets. Het volle Planet Internet forum is daarvan een goed voorbeeld.
Nog belangrijker, de lezer/bezoeker moet werkelijk serieus genomen worden. De tijd dat mensen gedwee op de bank van journalisten vernamen hoe de wereld in elkaar steekt is echt voorbij. Mondigheid betekent dat mensen overtuigd terugpraten en verwachten dat je luistert. Mailtjes aan de redactie moeten worden beantwoord en ingezonden brieven op internet zoveel mogelijk geplaatst. En meer dan dat. Een prominente inhoudelijke plaats op de hoofdpagina van de site (in de vorm van samenvattingen of quotes) moet de werkelijke interesse in de Nederlander uitdrukken. Van der Meulen: "Je moet op internet wel verdomd goede redenen hebben om een ingezonden stuk te weigeren. Sterker nog, als ik de keuze heb tussen het plaatsen van een commentaar van een journalist en een ingezonden stuk van nagenoeg dezelfde kwaliteit moet het logisch zijn altijd voor het laatste te kiezen." Tenslotte kan het geen kwaad een reëel beeld te hebben van wat je vervolgens kan verwachten. Mensen zijn van nature lui en een beetje schuchter (hoe vaak heb je zelf een ingezonden brief geschreven?) en het zijn geen journalisten. Van der Meulen: "Nieuws kan een prachtige katalysator zijn voor een discussie, maar mensen denken meestal niet in termen van nieuwswaarde. Het eigen bestaan is het uitgangspunt".
Handigheidjes helpen
Pas als aan die voorwaarden voor een diepgaande bezoekersparticipatie is voldaan, wordt het een kwestie van praktische handigheidjes. De nuances zijn voor elk specifiek medium verschillend. Maar altijd draait het om gedisciplineerd keuzes maken in het spanningsveld van het aanzwengelen van discussies en het controleren van de kwaliteit ervan. Vermijd algemene forumonderdelen (dus niet: "Reageer in het forum "Mens en Maatschappij") maar focus op de items die op dat moment in het land of vakgebied leven. Behandel veel en goed reagerende bezoekers als boegbeeldje en geef hen bijvoorbeeld een eigen paginaatje op de site, met foto. Vraag bij een tekort schietend ingezonden stukje om wat meer uitvoerige argumenten; schrijvers zullen je interesse waarderen. Nodig een deskundige uit om een bepaalde termijn mee te discussiëren. Stuur periodiek een mailtje met forumdiscussies naar geïnteresseerden. Maar ook: reken erop dat er altijd een bepaald percentage discussiehooligans op een forum af komt en wees daarmee niet te coulant. Zorg dat een gespreksleider wordt aangewezen, en dat die ook daadwerkelijk technische machtsmiddelen heeft. En mocht het dan nog uit de hand lopen, dan kun je de bijdragen eerst langs het oog van die moderator laten gaan voordat ze de site bereiken. En tenslotte, voor de journalisten van de traditionele media, ben eens bescheiden. Kijk eens over de schutting heen naar de kleine buurman of buurvrouw en vraag hoe die zijn zaakjes op orde houdt.
Wat levert het op?
Bezoekersparticipatie kost tijd, mankracht en geld. Voor het werkelijk luisteren naar je doelgroep is bovendien discipline en niet-geveinsde interesse nodig. Maar het levert ook behoorlijk wat op. Het verwijt dat de media ook niet meer weten wat er zich in de straten afspeelt, wordt beantwoord. Het levert rijkere en betere journalistiek op. Bovendien, de nieuwssite wordt minder inwisselbaar met de andere sites en de bezoekers automatisch trouwer. Niet onhandig in een tijd waarin de wanhopige zoektocht naar een betalende internetter een hoofdrol speelt.
Reactie Volkskrant
Henk Blanken/Bas Broekhuizen
"Wij zijn heel tevreden over de kwaliteit en de kwantiteit van ons forum. Forum Online sluit aan bij onze visie dat op internet "de lezers de krant zijn", dat met andere woorden interactie een "must" is. Ook de kwaliteit van de bijdragen is heel behoorlijk; het gevolg van enkele jaren tamelijk zorgvuldig redigeren. Zelfs ogenschijnlijk simpele afspraken - zet witregels tussen alinea's - worden steeds beter nageleefd. Samenvattingen van discussies plaatsen we zo nu en dan in de krant. Vooral als lezers meteen beginnen te reageren en dat zelf nieuwswaardig is (denk aan 11 september). Op de site staat permanent een eerste quote uit de laatst geposte bijdrage. Misschien niet ideaal, maar lezers reageren er op. We zouden graag meer doen, maar de middelen zijn beperkt. Ingezonden brieven voor de krant horen overigens niet op de site thuis: krant en internetsite vallen niet samen. Wel kiezen we soms bijdragen aan Forum of het katern Reflex als startpunt voor een online discussie."
Betrouwbaarheid en commercie
"Let the games begin!" Al jaren doen de verhalen de ronde: grote bedrijven zouden het net omarmen omdat er geen strenge reclameregels zouden zijn. En omdat nieuwe mediabedrijven nog geen geïnstitutionaliseerde weerstand hebben opgebouwd tegen commercie die de journalistieke inhoud bedreigt. Maar het is pas recent waar geworden. Over het algemeen was de internetjournalistiek, zonder redactiestatuut, uitgeeftraditie en status merkwaardig betrouwbaar. Enkele uitgevers en journalisten uitgezonderd waren de meesten ervan doordrongen dat het internet serieus genomen moest worden om zelf een rol te spelen. En aangezien er nog niet veel geld werd verdiend, kon men zich die houding gemakkelijk permitteren. Maar sinds de kaalslag die de IT-sector heeft ondergaan staat die nobele houding bij de serieuze online media onder druk. Overleven is soms net even iets belangrijker. Internet als onbetrouwbaar medium
"Internet is een nieuw medium waarvan de betrouwbaarheid twijfelachtig is" merkte mediasocioloog Jan van Dijk in de Volkskrant van januari 2000 op. Hij plaatste zich daarmee in een complete traditie van critici die het internet maar een rommeltje van moeilijk te geloven teksten vindt. De discussie duurt tot op de dag van vandaag voort (recent nog in een debat onder journalisten 18 juni 2003 in de Balie), maar blijkt elke keer weer te leiden onder dezelfde spraakverwarring: als critici spreken over betrouwbaarheid en internet lijken ze er voortdurend van uit te gaan, dat het weinig verschil uitmaakt of je het hebt over een forum van 14-jarige Britney Spearsfans of de site van de NRC. Het is internet, en daarmee per definitie onbetrouwbaar.
De journalistieke werkelijkheid van alledag laat op het eerste gezicht een veel genuanceerder beeld zien. Uit het onderzoek ' Nieuwe journalisten door nieuwe bronnen' (2002) van Bikker, de Radboud Universiteit Nijmegen en de NVJ blijkt dat slechts 17% van alle journalisten de informatie van internet zo onbetrouwbaar vindt dat ze die nooit direct gebruikt. De achtergrond van dat lage percentage is duidelijk: journalisten van alle media koppelen zekerheid direct aan het soort website. Nieuwsmedia op het net, sites van overheidsinstanties en internationale instanties scoren hoog op de schaal van betrouwbare bronnen. Sites van bedrijven, chatsites en nieuwsgroepen worden daarin beduidend lager gewaardeerd. Wat voor de kritische groep journalisten geldt, zal in alle waarschijnlijkheid voor nieuwsconsumenten al niet veel anders zijn: een internetsite is over het algemeen betrouwbaar als de redactie die pretentie heeft. Spreken over internet als een onbetrouwbaar medium is niet alleen een hopeloos onnauwkeurige stelling zonder veel inhoud, maar bovendien een onderschatting van het onderscheidingsvermogen van de nieuwsconsument. De internetter die stelselmatig niet gelooft wat er op de site van Nu.nl of van Omroep.nl staat, behoort tot een exotische minderheidsgroepering.
Betere vraag: wat is nog internetjournalistiek?
Een site die de afgelopen jaren de pretentie had betrouwbaar te zijn, is dat geweest. Het aantal journalistieke canards, of de vermenging van redactie en commercie is in de internetjournalistiek geen dagelijkse praktijk. Niet meer dan in de kranten- of tijdschriftenbranche. Internetjournalisten zijn niet gemakkelijk omkoopbaar, slordiger of dommer. Het is niet de zien waar de bewering van het tegendeel op zou moeten steunen. Toch is er een voor de hand liggend probleem. De vraag naar de betrouwbaarheid van de internetjournalistiek zou moeten luiden: wat zijn de journalistieke sites? Merken als het NOS-Journaal, het Algemeen Dagblad en HP De Tijd zijn breed genoeg bekend om niet meteen moeilijk te doen over het waarheidsgehalte van een artikel of item. En ook de sites van die traditionele nieuwsmedia zullen niet lijden onder de aanvretende twijfel van de nieuwsconsument. Een artikel uit de Volkskrant wordt niet ineens minder geloofwaardig als het op http://www.volkskrant.nl verschijnt. Het probleem van de betrouwbaarheid op het internet is het probleem van de veelheid en de jonge leeftijd van het medium. Specifiek internetgerelateerde journalistieke merken zijn bij het grote publiek nog niet zo ingesleten dat men direct weet met een journalistieke site te maken te hebben. Bovendien zijn er zoveel meer sites dan kranten of omroepen, dat de kans online aanmerkelijk groter is naar een onbekende titel te kijken. Dan is het zintuig van het vertrouwen even verdwaald, en zoekt steun bij andere factoren: professionaliteit van lay-out en schrijfstijl, verschijningsduur, de lengte van het colofon of de status van de adverteerder. In die afweging gaat het bij - vooral minder ervaren -internetters soms mis. Te meer omdat er geen officieel gemeten oplagecijfers bekend zijn. Dat is niet alleen een groot probleem voor adverteerders op het net, maar ook voor de lezer. Als een e-zine 100.000 e-mailadressen in het bestand heeft, is het toch weer een belangrijke aanwijzing in het labyrint van de zekerheid. De vraag zou dus niet moeten luiden: 'is internetjournalistiek onbetrouwbaar?' maar 'heeft de onbekende site waar ik naar zit te kijken wel de pretentie journalistiek of waarheidslievend bezig te zijn?'.
Het webstatuut als keurmerk
De merken uit de oude media bestaan al lang en hebben zich daardoor in het collectieve geheugen van de nieuwsconsumenten genesteld. Op internet bestaat dat effect inmiddels ook al, maar dan voornamelijk in de niche, voor de exclusievere doelgroep. Voor IT-er en internetprofessionals zijn Webwereld, Planet Multimedia en Emerce.nl al voldoende jaren hofleverancier van betrouwbare informatie. De journalistieke integriteit van Villamedia.nl, Vaart.nl en Schaakbond.nl is inmiddels voor journalisten, binnenvaartschippers en schakers boven alle twijfel verheven.
Maar dat geldt voor een relatief kleine groep van kenners. En zelfs zij kennen niet elke relevante site goed of lang genoeg. Voor de introductie van een betrouwbaarheidskeurmerk is daarmee voldoende reden. De sectie Internet van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) heeft het webstatuut ontwikkeld, een verklaring van redactionele onafhankelijkheid dat als zodanig dienst kan doen. Een aankondiging van de aanwezigheid van zo'n statuut op de hoofdpagina van de site kan de argwaan ten opzichte van een journalistieke onbekende site weer met tientallen procenten verlagen. Maar dat webstatuut is voorlopig kwantitatief geen succes. Slechts een enkele site zoals Oneworld.nl heeft het redactiestatuut aangenomen. En dan ook nog onzichtbaar voor haar bezoekers. Sites als Ouders.nl wijzen een redactiestatuut zelfs categorisch af als hypocriet en nutteloos.
De geboorte van commerciële ambitie
Was in de kleuterjaren van de internetjournalistiek onbetrouwbaarheid slechts de keerzijde van de onmetelijke rijkdom van het internet, in de huidige pubertijd komen daar nieuwe oorzaken bij. Internetredacties bestaan niet meer slechts omdat ze aardige dingen maken, om het imago van het bedrijf op te vijzelen, de redactie moet een bijdrage gaan leveren aan het bedrijfsresultaat van de uitgever. En dat introduceert de aloude spanning tussen commercie en redactie in de internetjournalistiek.
De NRC vermeldt al in 2001 over de Amerikaanse situatie: "De druk op webredacties om winst te maken wordt steeds groter', zegt ook Martha Stone, onderzoekster bij de Online News Association, een Amerikaanse organisatie van internetjournalisten. Stone doet onderzoek naar de betrouwbaarheid van nieuws- en krantensites. "Internetjournalisten staan in toenemende mate onder druk. Ze zijn met minder, maar moeten meer produceren. Beide factoren tasten de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van de media op internet aan." (...)
De scheiding tussen redactie en commercie is onduidelijk bij veel nieuwssites, stelt Stone vast. "Bij de traditionele media is dat veel beter geregeld. Op internet bestaan nog veel grijze gebieden, zoals gesponsorde onderdelen van websites, advertorials die eruit zien als gewone artikelen en betaalde links. De afdelingen die advertenties op internet verkopen, zijn voortdurend de grenzen aan het verkennen.' Advertenties die een jaar geleden nog geweigerd werden, zijn nu op gerenommeerde websites te zien, stelt Stone."
Vooral de laatste frase uit het verhaal van de onderzoekster is van doorslaggevend belang voor het begrijpen van de fase waarin de internetjournalistiek anno 2004 verkeert. De standaarden van de online media zijn aan het schuiven geraakt, wat verder naar de donkere kant, de kant van vermenging van inhoud en commercie. De assumptie die daarachter schuilgaat is eenvoudig: het speelkwartier is voorbij. De toegenomen commerciële druk is een teken van volwassenwording, teken dat het mee gaat doen met de traditionele media.
Was de betrouwbaarheid vroeger slechts het probleem van de veelheid van het prille net, inmiddels komt de stokoude tegenstelling ook online om de hoek kijken: de scheiding tussen redactie en commercie. Stone merkt daarbij zeer terecht op dat de online redacties nog geen weerstand, nog geen structuren hebben opgebouwd om die druk succesvol te weerstaan (hoewel je ook je vraagtekens mag zetten bij de afloop van deze strijd bij de traditionele media). Dat geldt ook voor de afdelingen van gerenommeerde media, kranten, omroepen.
Ook in Nederland?
In Amerika heeft het internetnieuws inmiddels een vaste plaats verworven in de waaier van media. Tussen 8 en 10 uur 's ochtends is het internet inmiddels nieuwsmedium nummer 1. Zelfs het advertentiebeleid wordt op die constatering gebouwd (Dayparting genoemd). Vanzelfsprekend is aan de overkant van de oceaan de commerciële druk groter dan in Nederland. Maar het zou een vergissing zijn de tendens in ons land te ontkennen. ICT-e-zine Planet Multimedia werd door uitgever KPN het recht ontnomen artikelen over het beleid van KPN te schrijven. Peter Olsthoorn trad als journalistiek eindverantwoordelijke voor het blad terug. Hij beantwoordt de vraag of de druk de laatste jaren is toegenomen met een enkelvoudig 'ja'. Alle krantensites van PCM en Wegener hebben niet alleen een onhandig registratiesysteem ingevoerd om een database op te bouwen en de stap naar betaalde content te vergemakkelijken, maar doen ook pogingen het pageviewaantal op te krikken door de lezer zoveel mogelijk te laten doorklikken. De site van Emerce.nl kende in de afgelopen maanden de meeste opvallende advertentievormen: grote schermen die enkele seconden voor de artikelen zakken, dwarrelende kortingsbonnen vanaf de bovenkant van het scherm. Sites als Mybutler, Webwereld en Kranten.com gebruiken het lezersbestand inmiddels ook voor advertentiemailingen (na toestemming aan de lezer te hebben gevraagd). En als altijd ligt Ilse.nl als uitgever voorop: de nieuwsbrief van de zoekmachine bestaat inmiddels voor nagenoeg 100% uit niet als zodanig aangeduide advertorials. Het politiek e-zine van Wannadoo, Zonnet en MSN blijkt bij nader inzien ook niet altijd nieuws te bevatten, zoals de koppen suggereren, maar voornamelijk door de politieke partijen zelf geschreven te zijn. Journalistiek blijkt hier politieke voorlichting tegen betaling. De voorbeelden zijn slechts een greep uit het mogelijke aanbod van het grijze gebied tussen commercie en redactie. En de mist rukt op.
Wat te doen
Is de internetjournalistiek onbetrouwbaarder dan de traditionele media? Het ligt er maar aan over welke sites, kranten of omroepen je het hebt. Over het algemeen kan de journalistiek op het Nederlandse de vergelijking met andere media gemakkelijk aan. Verkeert de onafhankelijkheid van de Nederlandse internetjournalistiek in de gevarenzone? Ja. Er is een enorme veelheid aan sites met content, die kennen nog weinig geschiedenis, er is minder geconstitutionaliseerde weerstand tegen de inhoudelijke bemoeienis van het geld en de onduidelijkheid is te hoog: welke sites hebben journalistieke pretenties en wat is hun oplage?
De veelheid van sites op het net zal altijd wel een zegen en een probleem blijven, daar is weinig aan te doen. Over de jeugd van het medium: veel sites zijn afkomstig van de traditionele media en die kennen geen imagoproblemen. Andere journalistieke merken zullen gedurende de jaren vanzelf groeien, en hun waarde bewijzen. Dat is een natuurlijk proces. Maar van het probleem van de oplage en de journalistieke pretentie kan de journalistieke gemeenschap zich meer aantrekken. Het webstatuut als keurmerk voor journalistieke sites, en een dam tegen teveel commerciële beïnvloeding kan een belangrijke factor zijn in de oplossing. Officiële toetreding tot de raad voor de journalistiek kan zeker geen kwaad. Tevens zal een onafhankelijk oplage-instituut bezoekcijfers en lezersbestanden moeten doorkijken. Zelfregulering van de internetjournalistiek moet het motto van de komende jaren worden. Het speelkwartier is voorbij. Die boodschap van de uitgevers moeten internetredacties maar op het prikbord hangen.
Opleidingen
Sinds de grote klapper, die vorig jaar zovele dot-combedrijven vloerde, is de term ‘internet’ bevlekt. Niet alleen it-ers worden met een opgetrokken wenkbrauw bekeken, ook internetjournalisten hebben het steeds moeilijker ‘hun’ medium te verdedigen. Voor de sceptici binnen de journalistiek was de exploderende ‘dot-bom’ de lang gezochte bevestiging: internet wordt nooit een volwaardig medium. Dat heeft ook nadelige gevolgen voor de interesse in het worden van internetjournalist. Opleidingen kampen met dalende interesse. Bij de internet-bedrijven die over de kop gingen, zaten welliswaar weinig journalistieke sites, maar de bittere nasmaak heeft toch zijn weerslag gehad op de afstudeerrichting internetjournalistiek. Zowel het HBO in Tilburg, als dat in Ede, als dat in Utrecht spreken van een forse afname in het aantal studenten dat zich inschrijft voor de afstudeerrichting nieuwe media. “In twee jaar tijd is het studentenaantal in die richting afgenomen van 25 naar twaalf”, aldus Michel Simons (Academie Journalistiek Fontys in Tilburg). Peter Verwey van de School voor Journalistiek in Utrecht vertelt dat er vorig jaar nog twee groepen van 20 voor internetjournalist studeerden, tegenover één groep van 10 studenten dit jaar.
‘Oud-medium-docenten’
De negatieve berichten over de internetwereld hebben, naar Verweys opvattingen, niet alleen hun weerslag op de interesse van de leerlingen. Hij vind dat zijn niet-internet-gelinkte collega’s op de School voor Journalistiek in Utrecht dit aangrijpen als een reden om zich niet voor het nieuwe medium in te zetten. “Dit lijkt erg op de situatie binnen veel krant- en tv-redacties. Een veel gehoorde klacht daar is dat de internetjournalist van zijn collega’s eerder tegen- dan medewerking krijgt. Er heerst op veel redacties – en dus ook op het HBO - een grote scepsis bij de oude garde tegenover het internet. De meeste van hen weigeren bijscholing te volgen en dus blijft internet een geïsoleerd pad in de opleiding”.
“Zo weten ze hun leerlingen onvoldoende over het internet te vertellen. Studenten hebben dat snel door. Dus als er een opdracht in de les is opgenomen waarbij de research op internet gedaan moet worden, dan weten de studenten heel goed dat de kennis die ze zelf al hebben die van de leraar waarschijnlijk overtreft. Dat geeft scheve verhoudingen.”
Verwey staat niet alleen in zijn frustratie. Ook de leraren van de school in Ede noemen docenten van de ‘oude media’ als een remmende factor binnen het internetjournalistieke onderwijs. Vos en Bakker waren niet erg te spreken over de houding van sommige collega’s tegenover de aankomende internetjournalist: “De attitude van docenten is gemengd. Dit laatste heeft alles te maken met de kennis en vaardigheden van collega’s in het docentencorps”. Vos en Bakker opteren ervoor om cursussen die leraren up to date houden, verplicht te stellen. (…meer scholing voor docenten (denk aan verplichte stages voor alle docenten die bij lesgeven over/in nieuwe media betrokken zijn...) Verwey heeft het gevecht tegen de bierkaai opgegeven en formuleert krachtig: “Ik heb geen zin om te trekken aan een dood paard.”
Nieuwtje eraf
Verwey brengt nog een andere ontwikkeling onder de aandacht: “Wat ook meespeelt bij de terugloop in het aantal aanmeldingen is dat de studenten het internet inmiddels wel kennen. Het ‘nieuwtje’ is eraf. We hoeven ze niet meer bij het handje te nemen, ze hebben op de middelbare school al met het medium leren werken. Sommige studenten menen op safe te spelen door een meer gevestigde afstudeerrichting als audio/visuele of schrijvende pers te kiezen. Internet doen ze er wel ‘even’ bij.”
Het nieuwe medium wordt wel als zeer nuttig gezien door de leerlingen. Voor de facultatieve internetvakken wordt immers massaal ingetekend, aldus de leraren Maarten Bakker en Ruud Vos.
Internet breder trekken
Het internet heeft naast de functie als medium uiteraard ook de functie als naslagwerk. Dat is niet alleen interessant voor internetjournalisten, maar ook nuttig voor alle andere media. “Het zou natuurlijk het beste zijn om ‘internet als bron’ niet los meer aan te bieden, maar om dit te infiltreren in de lessen TV, Radio en Schrijvende pers. Want voor elk ‘oud’ medium heb je andere praktische tips online staan. Op die manier kan je het zoeken op internet toespitsen op het medium waarin de student afstudeert”, zegt Peter Verwey. “Maar dan zullen er toch echt leraren bijgeschoold moeten worden.”
Curve
Geen van de docenten Vos, Bakker, Verwey of Simons is bang dat de richting internetjournalistiek zieltogend weg zal kwijnen: “Natuurlijk is er toekomst, wellicht minder booming dan we eerst dachten, maar internetjournalistiek zal niet meer verdwijnen. En dus zal er ook behoefte blijven aan scholing. Ik denk dat het huidige aantal leerlingen beter past bij de vraag van de markt, op dit moment. Verdere terugloop is echter niet wenselijk en moet voorkomen worden met meer aandacht voor het medium in de eerste 2 studiejaren”, meent Simons van de opleiding in Tilburg.
Ook leraren van de School voor journalistiek in Ede menen: “Waarom zou het HBO internetjournalistiek van de hand moeten doen als er in het werkveld sprake is van een zekere consolidatie? Het HBO zou hier zelfs een voortrekkers- dan wel aanjaagfunctie kunnen gaan vervulllen. Immers: het beroepsveld kalft van boven af door onder meer pensionering en wordt vanaf de onderkant gevoed door journalisten afkomstig van opleidingen.”
Veldwerk
Toen de redacties eenmaal in de gaten kregen dat internet niet langer kon worden genegeerd, werden internetredactie opgezet. Maar internetredacteuren bestonden nog niet of nauwelijks en een whizzkid van buitenaf aantrekken was ook geen oplossing, want er moest een binding zijn met het ‘oude’ medium. Uiteindelijk werden redacteuren van het oorspronkelijke medium omgeschoold of in ieder geval omgedoopt tot ‘internetredacteur’. Een hele overstap. “Het was wennen. Ik kwam van de radio en moest nu gaan schrijven”, zegt Theo Tamis, Internet Producer Wereldomroep. “Veel extra scholing heb ik niet gehad. Een cursus Photoshop, zodat ik illustraties kon maken, en ik kreeg drie dagdelen les in het werken met het opmaaksysteem. Webschrijven heb ik mezelf aangeleerd. Mijn artikelen, die ik schreef naar aanleiding van radioreportages, kon ik aan niemand voorleggen ter controle. Dat klankbord miste ik. Sinds enkele maanden zit er nog een Engelse internetredacteur op de radiovloer. Wij lezen steevast elkaars artikelen nog even door voor we publiceren. Een verademing.” Ook de chef internet van Omroep Brabant, Tim Zunneberg, komt van de radio. "Na 10 jaar was het voor mij tijd voor iets nieuws. Ik heb toen zelf voorgesteld: Laat mij die nieuwe media-kar maar trekken. Ik heb geen bijscholing gehad. Daar was geen tijd voor. Gelukkig was ik als "heavy user" al redelijk bekend met het medium en konden wij voor de meer technische zaken - html, vormgeving, contentmanagement - expertise van buitenaf aantrekken. Pas toen wij onze website online hadden, ben ik de eerste cursussen gaan volgen."
Marco van der Laan, chef internet van de Telegraaf, schreef voor zijn internetcarrière bij het ‘Nieuws van de dag’, editie Almere. Maar die krant werd opgedoekt. Bij de Telegraaf werd net in die periode de eerste internetactiviteit ontplooid. En aangezien de Telegraaf eigenaar was van de verdwenen krant… “Het was voor mij een logische overstap. Internet, het leek me wel wat. Bovendien heb ik informatica gestudeerd (de journalistiek ben ik ingerold) waardoor een toekomst in internet nog meer voor de hand lag. Ik had van zowel internet als journalistiek al wat kaas gegeten.”
De voor- en nadelen
Nu de heren al verschillende jaren op de webredactie werken, zijn zij natuurlijk dé aangewezen personen om de voor- en nadelen van de nieuwe en oude media eens tegen het licht te houden. Alle drie noemen ze als eerste voordeel van het internet het verschil in deadline. Die valt niet meer op ‘de aanvangstijd van het programma’ of ‘de tijd waarop de krant zakt’. Publiceren kan continu. De sport is om een item eerder te brengen dan de concurrent. “Het houdt je scherp”, aldus van der Laan.
Interactie
Maar over het gevoel van intimiteit met de doelgroep bestaan wel verschillende meningen. Zunneberg: “Er is bij internet veel meer contact met de luisteraar / lezer dan bij radio. We ontvangen 60 tot 70 mailtjes per week. Eindelijk hoor je de mening van degene voor wie je al dat werk verricht! Heel verfrissend. Maar ik merk ook op een ander vlak dat je dichter bij de mensen zit. Laatst berichtten we bijvoorbeeld over een dode bij een verkeersongeval in ‘s-Hertogenbosch. Ontstaat er spontaan een condoleanceregister in het gastenboek! Dat was bij radio nooit mogelijk geweest.”
Anonimiteit
Tamis en Van der Laan ervaren de intimiteit met de internetdoelgroep anders. “Interactiviteit is natuurlijk een groot voordeel”, begint de chef van de internetafdeling van de Telegraaf. “Maar als je gedwongen wordt om je gastenboek te sluiten, omdat sommige creaturen het niet kunnen laten er de meest smerige, racistische onzin in te verkondigen, blijft er weinig van over. En mailtjes zijn natuurlijk leuk - we worden er mee bestormd - maar het haalt het voor mij niet bij persoonlijk contact met de mensen op straat. Als ik vroeger op de markt in Almere liep, werd ik steevast aan mijn jasje getrokken voor ‘t laatste nieuws of om een mening te ventileren. Nu ben ik veel anoniemer. Niemand weet wie ik ben of hoe ik eruitzie.”
Audio en video
De multimediale kant van het internet is ook een grote verandering, hoewel de drie internetjournalisten aangeven dat hier geen echte specialisatie voor nodig is. Het gebruik van audio en video is een kwestie van encoderen, online zetten en een link aanbrengen. “Het werk dat ik doe bestaat vooral uit het bewerken van audioreportages tot een internettekst. Daar zoek ik vaak zelf nog informatie bij, omdat een radio-item dat mooi klinkt niet altijd voldoende om het lijf heeft voor een volledige tekst van 500 woorden. Bij de tekst zet ik een link naar de geëncodeerde audio. Als de tv-tak van de Wereldomroep (BVN) ook een item gedraaid heeft, kan ik ook nog linken naar video. Dan hebben we zowel audio, video als tekst, afgemaakt met een link naar het forum. Ik geloof dat je dan alle multimediale aspecten wel bij elkaar hebt”, lacht Tamis.Ook bij Omroep Brabant bewerken ze video en audio, de internetgroep is bovendien versmolten met de teletekstredactie, zodat er optimaal gewerkt kan worden.
Tekst is voldoende
Bij de Telegraaf is dat een ander verhaal “Wij hebben geen eigen video- of audiomateriaal. Er was sprake van een samenwerking met Cameo Media, maar die is nooit van de grond gekomen. Nu ontbreekt ons simpelweg het geld. Er is onlangs een heel stel collega’s naar huis gestuurd, omdat we moesten inkrimpen. Audio en video blijven dus nog onbereikbaar. Maar ik heb het idee dat mensen het niet verwachten of missen bij een krantensite. Ik heb er tenminste nog nooit een klacht over gehad.”
Reacties collega’s
Van het veilige, bekende oude medium naar het nieuwe, rebelse onbekende. In plaats van mét je ‘oude’ collega’s werk je ze nu ook wel eens tegen. Bij het aanspraak maken op ‘potjes’. Of het verplichten tot het leveren van een bijdrage of het ter beschikking stellen van materiaal voor het internet. Hoe ga je daar mee om?
Gratis weggeven
“De internetsite van de Telegraaf bestaat al ruim 7 jaar. In die tijd is de aanvankelijke wrevel tussen de twee redacties een heel eind verdwenen. Maar de ‘angst voor het onbekende’ is er wel geweest. De journalisten van de krant vonden dat we hun nieuws gratis weggaven. Daarnaast werd er volgens hen veel te veel geld in het internet gepompt, dat er nooit meer uit zou komen. Deze vooroordelen heersen vooral onder de ‘oude garde’, de jonge honden bekijken de mogelijkheden van het nieuwe medium positiever. Waarschijnlijk omdat zij de voordelen wel inzien. Wij hebben hard gewerkt om de vooroordelen te ontkrachten. Met de inkomsten uit de reclame op de site compenseren we het leeuwendeel van de kosten. En ook zorgen we regelmatig voor eigen nieuws, dat de krant dan weer kan overnemen. Zo zien de journalisten van de krant dat het tweerichtingsverkeer is. En het werkt, we hebben inmiddels verschillende redacteuren die zowel voor de krant als voor de site werken.”
Nieuw product
Bij de Wereldomroep verlopen de onderlinge verhoudingen ook redelijk soepel, vertelt Tamis. Maar het scheelt dat de radioverslaggevers niet het idee hebben dat hun items gratis de lucht worden ingestuurd. Wanneer een audiostuk wordt omgezet naar tekst, is het een geheel nieuw product, dus er is geen reden voor haat en nijd.
Alles went
Zunneberg komt met een mooie vergelijking: “Ach, het is gewoon een kwestie van wennen. Toen ik nog bij de radio werkte, werd op een gegeven moment een schokkende nieuwigheid ingevoerd. Journalisten moesten hun item voortaan geknipt en geplakt in leveren, in plaats van het ruwe materiaal bij de technicus te dumpen. De rellen die daardoor ontstonden! Ongelofelijk. Journalisten vonden het hun werk niet, technici vreesden voor hun baan. 10 jaar later is het de gewoonste zaak van de wereld. Zo gaat het met internet ook. Ook die verandering verankert zich uiteindelijk in het redactionele systeem.”
Buitenspelen
Nu de heren hun plaats in de internetwereld hebben gevonden, rest nog een laatste vraag: Spijt? “Nee, geen spijt,” peinst Tamis. “Maar ik mis het ‘buitenspelen’. Ik mis de kick van een interview met een vooraanstaand politicus. Ik heb het nu nog naar mijn zin bij internet, maar - wie weet - zoek ik ooit de radio weer op.” De internetchef van de Telegraaf mist ook het directe contact met mensen, maar heeft er vertrouwen in dat er uiteindelijk ruimte zal zijn voor eigen verslaggeving op zijn internetredactie. Spijt van de overstap heeft hij zeker niet: “Internet heeft ook zoveel voordelen.” De man van Omroep Brabant, tot slot, is veruit het meest gepassioneerd over zijn overstap: “Ik heb in internet mijn medium gevonden, een combinatie van het beste. Internet past als een handschoen. Ik zou nooit meer terug willen.”
Nieuwe uitgevers
"Iedereen zijn eigen uitgever" is een droom;
Rond 1995 diende de nieuwe journalistieke uitgever zich aan. Provider Planet gaf twee belangrijke nieuwsbrieven uit, en ook Webwereld deed al snel verslag van de wederwaardigheden op het net. Ondanks de afwezigheid van een echte uitgeeftraditie bleken zij snel in staat het vertrouwen van de Nederlandse lezer als een betrouwbaar medium te winnen. De internetjournalistiek was hard op weg een serieus mainstream nieuwsmedium te worden, en de nieuwe uitgevers zouden in staat zijn grote doelgroepen aan zich te binden. Zeven jaar later is de situatie heel anders. De financiële malaise in de IT-sector heeft ervoor gezorgd dat veel interbedrijven hun nieuwsredacties als overbodige luxe hebben ontmanteld. De traditionele mediabedrijven nemen alert hun prominente plaats weer in. Voor de nieuwe uitgevers zijn voornamelijk de moeilijk bedienbare kleine doelgroeplinken overgebleven. Maar dat hoeft geen slechte uitgangspositie te zijn. Iedereen zijn eigen uitgever?
Al vroeg in de levenscyclus van internet kwam de gedachte op dat met het nieuwe medium iedereen zijn eigen uitgever kon zijn. Daarmee zouden professionele journalisten en grote nieuwsorganisaties tot het verleden gaan behoren. En die gedachte is tot op de dag van vandaag bij mediadenkers verrassend prominent aanwezig. Het RMO-rapport over de media uit 2003 is daarvan een sprekend voorbeeld: "Tegenwoordig is een one-man-band prima in staat om een nieuwsproductie te maken. (...) De functie van intermediair die journalisten, redacteuren, kranten en omroepen bezitten kan in theorie overbodig worden. Iedereen heeft dezelfde toegang tot nieuwsbronnen en hoeft niet op de selectie van de journalist te wachten."
Het gevolg van die oude gedachte was dat er al in 1995 kleine nieuwssites opkwamen die de nieuwe filosofie in praktijk probeerden te brengen. In de beginjaren van het internet werd (in navolging van de Amerikaanse Salon en Slate) vaak de vorm van het e-zine of e-magazine gekozen. Dagelijks, wekelijks of maandelijks werd er een nieuwseditie gemaakt, meestal door één (vrijwillige) redacteur die de nieuwsbronnen op het internet voor zijn lezers hapklaar presenteerde. Planet Internet pakte dat principe al in 1995 wat professioneler aan met drie snel populaire nieuwsbrieven: The Daily Planet, Shift en Planet Multimedia. Anderen volgden. E-zines als De Cursor, Smallzine, Onlijn en I-Nieuws zagen hun oplagecijfers snel groeien.
Maar na de millenniumwisseling kreeg een andere vorm de voorkeur. De weblog begon als een dagelijks persoonlijk dagboek van de talentvolle amateur, maar vindt inmiddels ook zijn vorm in meer professionele omgeving. Alt0169.com en Tonie.net waren de meest aansprekende voorbeelden van een succesvolle amateurversie, maar inmiddels hebben ook Quote en de Volkskrant een aardige weblog.
De nieuwsorganisatie blijft nodig
Iedereen dus toch zijn eigen uitgever? Technisch zeker waar, maar in de praktijk is er eerder sprake van een mooie droom uit een ver verleden, dan een realiteit. Er zijn uitzonderingen: de journalistieke site Vaart.nl, voor binnenschippers, wordt al jaren in de lucht gehouden door Dirk van der Meulen. Veel e-zines (internetmagazines) uit de begintijd van het Nederlandse net (I-nieuws, Webbedingetjes) waren producten van eenlingen. Maar juist deze kwalitatief hoogstaande e-zines zijn er als eerste mee opgehouden. De continuïteit blijkt keer op keer een probleem. De taak is simpelweg te zwaar, er is een constant tekort aan geld en tijd, en de eenling is er in de regel na een paar jaar wel op uitgekeken.
Bovendien, de organisatorische steun van een nieuwsorganisatie - correspondenten, specialistische deelredacties, fotografen en cameramensen - is simpelweg niet aanwezig, en dat levert voor hoogstaande journalistiek onoverkomelijke hindernissen op. Peter Olsthoorn van journalistiek bureau P7 (o.a. vervaardiger Planet Multimedia en Netkwesties) ziet nog een ander probleem: "Journalisten zijn simpelweg geen goede uitgevers. De mensen die naast de journalistieke ook de benodigde commerciële vaardigheden bezitten, zijn echte witte raven. Bovendien: het is niet onmogelijk in je eentje, maar dagelijks publiceren is bijzonder slopend."
Het is dan ook niet vreemd dat de e-zines die het journalistieke uithoudingsvermogen bezitten door een bedrijf worden uitgegeven (Planet Internet, Mailmedia, Focus Internet). Inmiddels zijn de weblogs van Alt0169 en Tonie.net al weer een tijd ter ziele en Quotenet en de Volkskrant nemen dat stokje over.. Met de weblogs lijkt het dus dezelfde kant op te gaan. Het journalistieke drama daarvan mag men overigens niet onder- of overschatten. Uiteraard zijn er enkele kwalitatief hoogstaande en vernieuwende amateur-e-zines of -weblogs, maar zij maken slechts enkele procenten uit van het totale aanbod. Journalistiek is een vak. De meeste amateurproducties hebben geen enkele journalistieke relevantie, of zijn kwalitatief ver onder de maat.
Journalistiek als nevenactiviteit
De nieuwe Nederlandse uitgevers zijn dus zeker niet primair individuen met zendingsdrang. Voornamelijk providers, maar ook zoekmachines en internetgemeenschappen zijn de nieuwe actoren achter de journalistiek. Zo is provider Planet Internet onbetwist de belangrijkste internetuitgever in het Nederlandse taalgebied geweest. Nu.nl, oorspronkelijk opgericht door zoekmachine Ilse, is de meest bekende onafhankelijke nieuwsdienst. Community's als DDS, Focus-In, Villamedia en Indymedia hebben bijgedragen aan de alternatieve vormen van journalistiek.
Dat de journalistiek niet de hoofdactiviteit van genoemde bedrijven heeft uitgemaakt, hoeft an sich niet te verbazen. Enkele uitzonderingen daargelaten is de commerciële uitgeefformule op internet nog niet gevonden. Uiteraard wordt er reclameruimte verkocht, maar dat is normaal gesproken niet genoeg om de journalistieke onderneming te financieren. En dus kon en kan een internetnieuwsmedium slechts overleven bij de gratie van alternatieve inkomsten van het moederbedrijf.
"Ik denk niet dat veel nieuws van het internet is verdwenen omdat het PR of luxe betrof. Als het de bedoeling was dat het direct geld op zou brengen was het gewoon failliet gegaan. Geen nieuwsconsument wil tot nu toe betalen, en geen enkele site heeft het tegendeel daarvan bewezen. Er is ook veel te veel geld ingepompt; belangrijker is dat je een naam hebt. Wellicht zouden mensen voor de columns van Jan Blokker of voor de stukken van Francisco van Jole betalen."
"De sterke kant van internet is dat het een geheugen heeft. Als je op een reeks terugkijkt kun je zien wat er beklijft. Vandaar dat ik me afvraag of juist snel nieuws geschikt is voor het internet. Maar ik maak me meer zorgen om de journalistiek in zijn algemeenheid. De consumptie van journalistiek neemt af, er is meer behoefte aan pret."
Journalistiek als PR
De laatste jaren is veel zelfstandige internetjournalistiek van het Nederlandse net verdwenen. Dat komt omdat de Nederlandse internetjournalistiek nooit een melkkoe is geweest, maar meer een imagoproduct voor de aandeelhouders van het moederbedrijf, service naar de klanten, lokkertje voor bezoekers of doodgewoon leuke franje, al bestond tijdens de hype even de hoop dat er toch iets te verdienen viel. Dat heeft altijd één groot voordeel gehad. In tegenstelling tot wat vele critici van de internetjournalistiek hebben beweerd, hebben de meeste journalistieke media op het net de scheiding van advertentie en redactionele tekst, inhoud en commercie uitstekend overeind gehouden. Juist doordat de illusie van de winst snel verdween, zijn de grondprincipes van het redactiestatuut bij de serieuze internetjournalisten overeind gebleven. De nieuwe uitgevers waren bezig met emancipatie van de traditionele media, en daaruit ontstond de drang het 'beste jongetje van de klas te zijn'.
Maar ook het nadeel ligt voor de hand: als de journalistiek op het net ontstond uit het oogpunt van de PR, is dat een te kleine basis voor continuïteit. Het zijn immers de eerste activiteiten die sneuvelen als het moederbedrijf in zwaar weer terechtkomt. Het is dan ook niet vreemd dat de enorme internetrecessie van enorme invloed is geweest op de pluriformiteit van de zelfstandige en vernieuwende internetjournalistiek. Wat rest van de nieuwsvoorziening op de grote sites, is vaak een vermomde ANP-telex in een leuk vormgegeven jasje.
Internetjournalistiek wordt vanzelfsprekend
Dat wil niet zeggen dat de internetjournalistiek in Nederland geen enkele rol meer speelt, integendeel. De nieuwe algemene journalistiek op het Nederlandse net is volledig overgenomen door de traditionele media, met de publieke omroep en de kranten voorop. De NOS bezit veruit de beste nieuwssite van Nederland, en een Nederlandse krant zonder nieuwssite is inmiddels niet meer voor te stellen. Maar in de kern is internet voor kranten en omroepen ook een soort nevenactiviteit; inmiddels noodzakelijke service naar de lezers en kijkers, een beetje research en development en een manier om met de doelgroep in contact te blijven in een veranderende nieuwsmarkt.
Somberheid bij internetuitgevers niet nodig
De grote nieuwe uitgevers zijn in feite gestopt met hun poging de traditionele media in het algemene nieuws te beconcurreren. Toch is er geen reden deze 'strijd' in zijn geheel als verloren te beschouwen. Wat is overgebleven is niet minder kansrijk: de niches. Op de zeer specifieke deelmarkten winnen de nieuwe uitgevers langzaam maar zeker terrein. Beroepsgroepen, hobbyisten en consumenten en burgers met zeer specifieke vragen weten de gespecialiseerde sites inmiddels uitstekend te vinden. Journalisten kunnen niet meer zonder Villamedia, koeriers weten zich geen raad zonder e-courier.nl, IT-ers zijn niets zonder Webwereld en verzamelaars kunnen zich de tijd voor Marktplaats.nl niet meer herinneren. De effecten daarvan in de traditionele media zijn dan ook al duidelijk zichtbaar. Kranten merken een duidelijke terugloop van onder meer personeelsadvertenties, mini's en contactadvertenties en het is duidelijk dat het nieuwe medium daarin een belangrijke rol opeist.
Internet maakt het mogelijk heel kosteneffectief een kleine, nauwkeurig bepaalde markt te bedienen, en dat biedt ook kansen voor de journalistiek. Het online magazine van Radio538 is wellicht niet het journalistieke hoogtepunt van deze eeuw, maar niettemin een fraaie illustratie van die stelling. Interne personeelsbladen en relatiemagazines verbruiken door het bestaan van intra- en extranet steeds minder papier, en er is geen enkele reden dat niet als journalistieke vernieuwing te benoemen. Nagenoeg ongemerkt verwerft internet zich, juist in schijnbaar sombere tijden, een niet weg te denken plaats in de uitgeefbranche.
De toekomst, metertjes weer in het groen
Onafhankelijk van de geleidelijke opmars van de internetjournalistiek in de kleinere deelmarkten, zijn ook de eerste tekenen van een algemeen herstel van de internetjournalistiek zichtbaar. In de Verenigde Staten is internet inmiddels van 8 tot 10 's ochtends het meest belangrijke nieuwsmedium. Er wordt in dat gedeelte van de dag zelfs al gewerkt met hogere advertentietarieven en meer redactie. Deze nieuwe houding wordt 'dayparting' genoemd. De microbetaalsystemen zijn in 2003 technisch een realiteit. Daarmee kan een begin worden gemaakt met betaalde internetjournalistiek. Het uitgeven van nieuws op een mobiel technisch platform is deel van de zeer nabije toekomst. Het jonge medium is nog volop in ontwikkeling, internetjournalisten hebben nog geen fundamentele redenen zich zorgen te maken.
Nieuwe uitgeefvormen
"Dat is toch geen journalistiek?"
De nieuwe redactionele vormen op internet zijn door de traditionele journalistiek vaak sceptisch benaderd. Homepages, nieuwssites, e-zines; allemaal hebben ze kritische reacties van journalisten opgewekt. Maar de weblog moet het de laatste tijd wel echt verduren. Is dat slechts het gevolg van de groeiende populariteit van de weblog? Van het medium internet? En kun je wel kritiek hebben op een uitgeefvorm? "Op een weblog schrijf je wat je wil. Dat is geen journalistiek", zegt columnist Dominique Deckmyn in de Belgische Standaard van 5 juli 2004. "Een blogger is een flapuit. Die losse cultuur strookt niet met de werkwijze van de professionele journalist." Vergelijkbare aantekeningen maakte collega-columnist Martin Sommer in de Volkskrant vier dagen eerder: "Één ding is zeker, last van journalistieke zeden heeft Niek [auteur van weblog Hagazine; red.] niet. (...) Dinsdag stapte hij als bezwaarmaker-belanghebbende het Haagse stadhuis binnen, om er vervolgens vrolijk verslag van te doen op zijn eigen site. Checken doet hij niet. Feiten en commentaar scheiden, nooit van gehoord. En ja, hij is oppervlakkig." De kritiek op het populaire internetverschijnsel weblog zwelt aan, met name vanuit de kant van de traditionele journalistiek. Er zijn in het verleden vergelijkbare opmerkingen gemaakt over het e-zine - digitaal tijdschrift - en zelfs over de internetjournalistiek in het algemeen (zie het artikel over betrouwbaarheid). Maar de weblog krijgt het de laatste tijd wel bijzonder zwaar te verduren.
Kritiek vaak slordig geformuleerd
De internetjournalistiek kan op den duur alleen maar profiteren van een afstandelijke analyse. Maar de kritiek is vaak bijzonder slordig en weinig puntig geformuleerd. Immers wat proberen de heren columnisten nu eigenlijk te beweren? Dat de weblog als journalistieke vorm überhaupt niet deugt? Dat het webloggen per definitie niet beantwoordt aan de wezenlijke journalistieke mores? Journalistiek is voorbehouden aan betaalde professionals? Of vinden ze dat er weinig tot geen journalistieke weblogs of webloggers zijn? De vraag of weblogs journalistieke media kunnen zijn, hangt direct af van de vergelijking van twee definities: wat is journalistiek en wat is een weblog? Beide begripsbepalingen zijn uitermate lastig. Om met de laatste te beginnen, weblogs zijn er in alle soorten en maten. Betaalde professionals (Volkskrant weblog) en niet-professionals (Aboutblank.nl) produceren in Nederland vele categorieën: biografische (Merelroze.com), specialistische (internetjournalist.nl) en duidende (Sargasso.nl) weblogs staan tussen de logs die bestaan uit foto's (Moblog.nl), observaties (Bieslog), links (Esc), commentaar op het nieuws (Tonie.net +), wetenswaardigheden uit het eigen sociale leven (10e.nl) en andere ondeugendheden (Retecool.com). Tel daarbij op dat weblogs al of niet commentaar kunnen bevatten van bezoekers, het van een organisatie of persoon kan komen en er zelfs steeds meer weblogs verschijnen waaraan meerdere internetters werken, dan houd je voor de begripsbepaling niet veel ingrediënten meer over.
Dat er regelmatig op datum gerangschikte items verschijnen lijkt inmiddels nog de enige overeenkomst tussen alle Nederlandse weblogs. De weblog is dus een simpel ordeningsprincipe, een vorm waarin al of niet journalistieke items aan de lezer worden voorgelegd. Niet meer en niet minder. Hetzelfde geldt ook voor het e-zine (ordeningsprincipe: editie met deadline, meestal per mail opgestuurd) en de nieuwssite (ordeningsprincipe: deadlineloos, meestal kort nieuws in databasestructuur). Het zijn overigens geen vormen die elkaar uitsluiten; in de praktijk worden ze constant door elkaar gebruikt.
Inhoudelijk kan zo'n journalistieke vorm alles bevatten en je begeeft je dus bij voorbaat op glad ijs als je iets van de gehele groep wil beweren. Immers, welke eisen je er ook aan stelt, er is gemakkelijk een weblog voor te stellen waarin die voorwaarden soepel worden ingevuld. Als Henk Hofland ten tijde van de Amerikaanse verkiezingen een dagelijkse weblog over dat onderwerp bij zou houden, ondersteund door een fotograaf ter plekke, dan is het toch moeilijk vol te houden dat zoiets geen journalistiek zou zijn; wat je daaronder ook verstaat.
Kritiek op de weblog als journalistiek medium op zich, is dus een absurdum. Het zegt simpelweg niets. Een algemene kreet als "op een weblog schrijf je wat je wil. Dat is geen journalistiek." van Demeyn kan daarmee direct in de prullenbak van het populisme verdwijnen. Tenzij je preciseert wat je bedoelt.
Weinig journalistieke hoogstandjes
Een iets andere waardering moet worden gehecht aan kritiek op de bestaande webloggemeenschap. Als je er van uitgaat dat journalistiek in georganiseerd verband het beste gedijt, ondersteund door journalistiek-ethische principes (hoor-en-wederhoor, dubbelchecken, auteursrecht) en professionals, dan zal opkomst van de weblog zorgen baren. Immers, het aantal journalistiek relevante weblogs is relatief zeer laag, de journalistieke mores worden er zelden gevolgd en de professionaliteit is er meestal ver te zoeken.
Aan de ene kant is dat totaal irrelevant. Uiteraard is het teleurstellend dat de Nederlandse webloggemeenschap zo weinig journalistieke hoogstandjes oplevert, maar misschien is gezien het gebrek aan geld en organisatie ook niet anders te verwachten. Maar van 99% procent van de weblogs kan men echt niet beweren dat ze ook maar enige journalistieke of nieuwswaardige pretentie bezitten. De dood van de kanarie, het leuke linkje met het grappige filmpje, foto's van het middagje met vrienden, de melige commentaren van bezoekers; het zijn de hoofditems op de meeste logs. En daar is niets mis mee. Soms is voor een individu een gesprekje met de buren belangrijker dan de inval in Afghanistan. Het triviale en het banale maken een groot deel uit het van het dagelijkse leven. Journalisten die tegen de tekening van de 'kleine' gebeurtenis bezwaar maken, onderschatten hun eigen angst voor de constatering dat het werkelijke leven vaak verbijsterend gewoon is. En niet groots en meeslepend. Veel weblogs schetsen datgene dat aan journalisten in functie voorbijgaat of als irrelevant terzijde wordt geschoven. Dat nieuwe aandachtsveld spreekt je aan of niet. Maar dat mag en kan niet worden verward met algemene journalistiek. De journalist die beweert dat de mediaconsument het verschil niet ziet, lijdt aan een ernstige onderschatting van zijn publiek.
Toch, er schuilt wel degelijk een gevaar in de alsmaar groeiende populariteit van niet-journalistieke weblogs. Een nieuwsconsument heeft nu eenmaal maar een beperkte lees- en kijktijd, en getuige de steeds maar afkalvende oplagecijfers van de kranten, worden die uren steeds minder met traditionele journalistiek gevuld. Een voorbeeld: was het aantal uren dat de groep tussen 20 en 34 jaar in 1975 aan een krant besteedde nog 2,9 uur per week, inmiddels is dat teruggelopen naar 0,6 uur; een onvervalst alarmcijfer (bron: Persmediamonitor.nl). Uiteraard zegt zo'n getal niets over de vraag of mensen nu in plaats van kranten weblogs gaan lezen. Maar tegen de achtergrond van die paniek is de kritiek op de weblog wel te begrijpen.
Journalisten zetten zichzelf buitenspel
Er zijn bijzonder weinig onafhankelijke webloggers die zich bewust zijn van de valkuilen van de journalistiek en daarnaarhandelen. Zo ontstaat, als journalisten te lang over het medium internet blijven aarzelen, het gevaar dat de journalistiek buiten spel komt te staan. Niet alleen surft de nieuwsconsument in dat geval meer dan ooit naar onbetrouwbare bronnen, maar journalisten raken een schakelfunctie kwijt in de driehoek van publiek, overheid en bedrijfsleven. Uit de Volkskrantcolumn van Sommer valt de angst eenvoudig op te lepelen: "Tegenwoordig zaagt de zelfhulpjournalist aan de regionale stoelpoot van de journalistieke prestige. Aan de politieke poot zaagt Minister Donner mee, die vindt dat zijn Kamerrede eigenlijk integraal op de voorpagina had moeten staan, in plaats van 'wat de journalist ervan vindt'." Het is nu al een gegeven dat een deel van het publiek niet meer via het venster van de journalistiek naar politici kijkt, maar direct naar hun weblog surft (zie bijvoorbeeld de weblog van Jan Marijnissen).
Kun je niet-professionals verwijten dat ze geen professionals zijn? Nee, uiteraard niet. Kun je de grote groep webloggers verwijten dat ze geen journalistieke pretenties of normen hebben? Nee, natuurlijk niet. In feite slaan de begrijpelijke maar wilde angstkreten over de teloorgang van de journalistiek slechts terug op de traditionele journalistiek zelf. Immers, als je ervan overtuigd bent dat journalistiek een 'vak', een 'ambacht' is, dat webloggers niet beheersen en zelfs niet willen beheersen, waarom begin je als journalist dan zelf geen weblog? Als je zo bang bent dat 'het onbetrouwbare medium internet die mooie afgewogen journalistiek overspoelt', waarom breng je dan zelf geen licht in de duisternis? Fatsoenlijke journalistiek kan slechts voortkomen uit een organisatie, zo vinden vele journalisten. Maar waarom hebben de kranten dan zelf nauwelijks loggende sterreporters online?
KADER
Sargasso.nl is een weblog, die door 7 vrijwilligers (waaronder 3 buitenlandse 'correspondenten') wordt gedragen. De weblog is getuige het colofon bedoeld voor het nieuws dat door de mainstream media terzijde is geschoven. Bezoekers: Ongeveer 1000 bezoekers per dag. Het doel: op niet-commerciële wijze de discussie te openen.
Mede-oprichter Carlos vindt dat er wel degelijk een journalistieke pretentie aanwezig is: "Er is misschien wel een journalistieke pretentie, al klinkt het wel meteen erg gefokt voor een hobby. Ik heb wel graag dat de Sargasso-loggers niet 'zomaar wat schrijven'. Ikzelf kijk altijd goed naar m'n bronnen en als ik twijfel aan de juistheid of objectiviteit van een bron dan vermeld ik dat. Verder probeer ik zo helder mogelijk te formuleren en pas ik regels en tips die ik leerde op twee cursussen wetenschappelijke journalistiek/schrijven toe op mijn postjes."
Retecool.com, een weblog met zo'n 12000 bezoekers per dag, zou men kunnen omschrijven als een rebelse shocklog. De actualiteit speelt een belangrijke rol, maar ook het sensationele en het shockerende. Er zijn advertentiemogelijkheden op de site, maar daarmee wordt weinig gedaan. De site wordt voornamelijk bijgehouden door 4 loggers. Oprichter Hubert Roth vindt dat de klassieke journalistieke verminderd op Retecool.com van toepassing zijn: "In mijn ogen is Retecool nog steeds een weblog, iets wat er voor de lol bij wordt gedaan door een aantal mensen. Hoor- en wederhoor past meer bij professionele site waar een aantal mensen full time mee bezig zijn. Een weblog als Retecool bestaat uit korte snelle stukjes tekst met een beschrijving van een link en soms wat actuele informatie, meestal niet meer dan dat. De enige posts waar wellicht hoor-en wederhoor bij toegepast zou kunnen worden zijn de masterblaster posts, waar spammers worden aangepakt."
Enquêteren voor de doe-het-zelver
"Een enquête doen? Dat is te lastig en te veel werk; ik laat het liever aan een wetenschapper over. Als journalist beperk ik me tot wat interviews, met direct betrokkenen en specialisten."
Dit is vaak de reactie van journalisten op het verrichten van meer kwantitatief gericht sociaal wetenschappelijk onderzoek. De digitale revolutie heeft daarin toch enige verandering gebracht. Het materiaal in de journalistieke gereedschapskist is aanmerkelijk uitgebreid. Naast bloknoot en pen, en een mobiele telefoon, behoort een laptop en internet tegenwoordig toch ook tot het standaardgereedschap.
Het verrichten van enquêtes blijft lastig en kan tijdrovend zijn, maar de digitale revolutie brengt de gereedschappen onder handbereik van de journalist. Immers Excel staat standaard op elke laptop en daarmee beschikken we over een krachtig middel om data te analyseren. De echte onderzoeker zal misschien nog steeds grijpen naar SPSS (Statistical Package Social Sciences), maar dat is voor het verrichten van een eenvoudige enquête vaak een te zwaar middel. Ten tweede kunnen enquêtes nu ook online worden afgenomen, dat spaart niet alleen veel post --het sturen en terugsturen van enquêtes-- maar vooral zijn nu de data direct voor analyse beschikbaar. Het eindeloos turven en tellen van vroeger is nu voorbij. Nu importeer je de antwoorden van de online enquête direct in een spreadsheet.
Internetjournalist
Dat klinkt allemaal mooi, maar werkt het ook? De NVJ, de Internetjournalist en Forum (Fac. Communicatie en Journalistiek van de HVU in Utrecht) namen de proef op de som. De opdracht was de “positie van journalisten” op online redacties in kaart te brengen. Het ging dus om een beschrijvend onderzoek, niet om een verklarend onderzoek; en dat maakt het opstellen van vragen een stuk eenvoudiger. Naast achtergrondvragen over geslacht en leeftijd, ging het ook om vragen over FTE’s, aard van de aanstellingen etc. In augustus / september 2003 werden een aantal conceptvragen geformuleerd.
De onderzoeksgroep betrof alle online journalisten in Nederland. Dat aantal is binnen zekere grenzen gemakkelijk te achterhalen en maakt het trekken van steekproeven overbodig. Via de ledenlijst van de NVJ, sectie internet, het aanschrijven van online redacties en de mogelijkheid om namen door te geven werden uiteindelijk 390 personen geselecteerd.
Op internet zijn verschillende, commerciële en niet-commerciële, sites voor het verrichten van online enquêtes. Op de School voor de Journalistiek werd in beperkte mate door studenten met dit soort diensten geëxperimenteerd, om ideeën en opvattingen van studenten over bijv. de toekomst van het vak, te achterhalen. Surveymonkey (http://www.surveymonkey.com)) bleek hiervoor goed bruikbaar.
Een enquête van maximaal 10 vragen voor niet meer dan 100 personen is gratis, een demo eigenlijk. Voor meer, moet men een abonnement nemen voor $200 per jaar. Forum gebruikt Surveymonkey voor de evaluatie van cursussen en trainingen. Daarom werd besloten Surveymonkey ook voor deze enquête in te zetten.
De interface van Surveymonkey is eenvoudig te bedienen. Elk type vraag kan worden aangemaakt; van gesloten tot open, antwoorden horizontaal of verticaal, een of meerdere antwoorden per vraag. Bovendien kunnen de kleuren in de layout zelf gekozen worden.
De url van de enquête kan via e-mail, een website-button of een pop-up onder de aandacht van de geënquêtteerden worden gebracht. De enquête is via een password te beveiligen. Detailinstellingen maken het mogelijk dat alle vragen moeten worden beantwoord, overslaan is niet mogelijk; eenmaal ingevulde enquêtes kunnen niet worden gewijzigd en tenslotte kan slechts één persoon de enquête invullen.
Na het sluiten van de enquête kunnen de antwoorden op de vragen direct via Surveymonkey worden gelezen. Surveymonkey berekent onmiddellijk de rechte tellingen. Maar vaak wil je toch wat meer. Op eenvoudige wijze is het mogelijk de totale uitslag te exporteren naar Excel of SPSS waardoor de data diepgaander kunnen worden geanalyseerd. De ruwe datamatrix die je overhoudt na het exporteren, moet vaak verder worden bewerkt, maar met wat prutsen, zoals zoek- en vervangopdrachten om bijvoorbeeld een variabele te hercoderen, kom je een heel eind. Met een draaitabel onder Excel maak je dan in een handomdraai opnieuw een rechte telling en een grafiek; of maak je een twee-bij-twee tabel om een bepaalde samenhang te illustreren.
Niet helemaal kinderspel
De gereedschappen zijn er dus en een beetje onderzoeksjournalist moet die toch kunnen gebruiken. Toch is het uitvoeren van een enquête niet helemaal kinderspel geworden. De richtlijnen voor het opzetten van een betrouwbaar onderzoek blijven nog steeds van belang. Veel studenten maken bijvoorbeeld de fout zomaar wat vragen op te stellen, zonder relatie met theorie en/of probleemstelling. Dit leidt tot problemen bij de interpretatie. Steekproeftrekking en non-response zijn nog altijd belangrijke aandachtspunten. Het stellen van open vragen is ook mogelijk via zo'n online enquête maar dat maakt een inhoudsanalyse van de antwoorden, en hercodering achteraf, noodzakelijk. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Gesloten vragen liggen meer voor de hand, maar die moet je dan met een of meerdere antwoorden per vraag werken. Al dit soort methodische kwesties blijven spelen. De digitale revolutie mag dan het gereedschap gedemocratiseerd hebben, het op juiste wijze toepassen en gebruiken is nog steeds waar het op aan komt.
Forum biedt een aparte cursus aan voor het opzetten en uitvoeren van enquetes voor journalisten. (modulepakket 1: research en journalistiek)
Links:
Vragenlijst en uitslag op Surveymonkey.com van de enquete ‘Positie internetjournalist’
Journalistenkaart
De ICT-revolutie blijkt de afgelopen 10 jaar een belangrijke bijdrage te leveren aan het scheppen van banen. In het NRC Handelsblad van 6 september 2003 schetst Dick van Eijk daar een indrukwekkend beeld van in zijn overzichtsartikel ' De jaren waarin Nederland aan het werk ging'. Een van de punten die in zijn analyse naar voren komt, is de plaats wara die nieuwe banen ontstonden. De as Utrecht-Amsterdam blijkt daarin een belangrijke positie in te nemen. Dat beeld zie we in het onderzoek terug. Op grond van de twee cijfers van de postcode van de respondenten, blijkt dat Amsterdam, Hilversum en Utrecht sterk vertegenwoordigd zijn, gevolgd door Amersfoort en Den Haag. Echt verwonderlijk is dat natuurlijk niet, wanneer we beseffen dat dit ook de vestigingsplaatsen zijn van de bestaande oude media. Maar, zo blijkt, ook de internet-only media hebben er inmiddels onderdak gevonden.
Journalistenkaart
Wie is de online journalist?
Het idee dat internetredacties vooral bevolkt worden door jonge redacteuren, is maar ten dele door het onderzoek bevestigd. Ook blijken internet-redacties een vaste plaats te hebben in het personeelsbeleid, en vormen zij niet langer een nevenactiviteit. De hoofdtaken van de online-journalist zijn schrijven voor het internet en eindredactie. Verslaggeving komt niet veel voor, blijkt uit het onderzoek. En dat bevestigt dat internet-journalistiek vooral een kantoorbaan is. Maar wel degelijk met een journalistiek karakter, zo geven de geënquêteerden aan. Leeftijd: 30 tot 50
Twee leeftijds-categorieën strijden om de voorrang: 32% van de redacteuren is tussen de 30 en 40, maar het aantal tussen de 40 en de 50 is even groot. Een minderheid (17%) is jonger dan 30, of ouder dan 50 (18%).
Opleiding/inkomen: niet alleen jonge honden
Over het algemeen is de internet-redacteur een man (70%) opgeleid op een van de Scholen voor de Journalistiek (36%) of aan de universiteit(34%) al dan niet met een kopstudie journalistiek (4%). Speciale cursussen zijn voor 13% van de geënquêteerden van belang voor het verrichten van hun werk. Qua inkomen zijn de topinkomens (meer dan 40.000 euro) net in de meerderheid (bijna 31%), op de voet gevolgd door twee lagere inkomensgroepen. 26% heeft een inkomen tussen 30.000 en de 40.000; en 29% heeft een inkomen tussen 20.000 en de 30.000.
Deze gelijke verdeling over de verschillende inkomens-categorieën wijst er dus op dat interjournalistiek niet iets is voor alleen jonge en beginnende redacteuren, maar dat ook oudere en ervaren journalisten op de online-redactie werken.
Vast contract, cao
Ook de heersende opvatting dat de online-redactie een hobby of nevenactiviteit is, wordt door het onderzoek onderuitgehaald. De web-journalistiek heeft een vaste plaats in het personeelsbeleid. Een meerderheid van de online-redacteuren heeft een vast contract (52%), gevolgd door freelancers (34%) en tijdelijke contracten (15%). De arbeidscontracten van zowel vaste als freelanceredacteuren zijn voor het merendeel gebaseerd op de CAO en met name de CAO voor journalisten (60%). De online-journalistiek heeft zich een geïnstitutionaliseerde plaats verworven, ook al gaat het maar om kleine afdelingen; 38% van de respondenten zegt dat de online-redactie bestaat uit 1 of 2 vaste fulltime-krachten; 26% heeft 3 tot 5 vaste krachten in dienst.
Bureau-baan
De werkzaamheden bestaan voor het belangrijk deel uit schrijven voor het web (61%) en uit eindredactie (49%). Verslaggeving komt minder voor (24%) en dat bevestigt de indruk dat online-redactie toch vooral bureauwerk omvat.
Infografics lijken buiten het terrein van de online-resacties te vallen, die worden overgelaten aan speciale redacties. Maar 6% van de geënquêteerden zegt infografics te maken.
Ongeveer een derde van de geënquêteerden heeft een leidinggevende functie als webmaster of projectleider. De leiding van de website of online redactie berust uiteindelijk bij een hoofdredacteur; 70% van de ondervraagden zegt dat het medium waar ze bij werken een hoofdredacteur heeft; de leiding van online-redacties is dus journalistiek van aard en staat los van ICT- of commerciële leidinggevenden.
Wel degelijk journalistiek karakter
Een veel gehoorde opvatting over internet-journalistiek: die is niet onafhankelijk, eerder een verlengstuk van de commerciële communicatie- of advertentieafdeling.
Hoewel een scheidslijn niet alleen voor de internet-journalistiek moeilijk is te trekken, blijkt uit de enquête dat de helft van de deelnemers werkt bij een site met een journalistiek karakter (bijna 50%); een derde van de sites bevat ook commerciële componenten (32%), maar de redactie verricht nog altijd journalistiek werk.
De respondenten werkten over het algemeen op websites met een journalistiek doel, slechts 16% van de respondenten omschrijft hun site als gericht op PR of commerciële activiteitenen.
Scheiding commercie
Indien er ook sprake is van commerciële activiteiten dan bestaat er tussen de journalistieke werkzaamheden en de commerciële activiteiten een scheiding. Tweederde van de geënquêteerden zegt dat er geen sprake is van commerciële beïnvloeding. De veronderstelling dat in de online-journalistiek de scheiding tussen reclame en journalistiek dunner is en dat journalistieke websites eerder commerciële belangen zouden dienen, wordt hierdoor dus zeker niet bevestigd.
Aan een webstatuut dat uitdrukkelijk de onafhankelijkheid van de redactie regelt heeft 67% geen behoefte; de redactie werkt over het algemeen alleen voor het eigen medium of de eigen site en niet voor andere sites. Iets minder dan 65% van de respondenten beantwoordt de vraag of ‘ de redactie ook voor nadere sites werkt’ ontkennend.
Leunen op 'moeder'-medium
De online journalistiek leunt nog sterk op de geschreven media. 30% van de respondenten zegt dat de eigenaar van de site de uitgever is van een bestaand papieren medium. Op afstand gevolgd door bedrijven (19%), omroepen (13%) en verenigingen of andere organisaties (16%). Toch is het maken van de content geen kwestie van domweg doorplaatsen. De overgrote meerderheid van de geënquêteerden geeft aan de inhoud uitvoerig te herbewerken voor internet.
Niet multimediaal
De tendens van het multimediale tijdperk, waarin beeld, tekst en geluid volledig integreren, zet nog niet door. Schrijven is nog steeds de moeder van alle journalistiek. Bijna 62% van de deelnemers verricht werkzaamheden als schrijvend redacteur, en wanneer expliciet gevraagd wordt naar de productie van audio of video, dan zegt een kleine 60% dat niet te doen.
Internet-only
Infografieken zijn wel van belang op de redacties van een meerderheid van de deelnemers. 55% zegt dat de redactie vaak of soms infografieken produceert. Overigens betekent dit niet dat de meeste sites zouden bestaan uit shovelware, waar kopij en foto's zonder meer worden doorgeplaatst naar de website. Tweederde van de deelnemers zegt dat de tekst op de site uitsluitend op internet is te vinden. In 35% van de gevallen was sprake van een internet-only medium. Bij de rest was er een relatie met een geschreven medium zoals een landelijk of regionaal dagblad, een publieks- of opinieblad, of een radio/TV omroep; rekenen we ook vakbladen en verenigingsbladen mee dan stijgt een relatie met een geschreven medium tot boven de 40%.
Niet domweg doorplaatsen
De websites van de geënquêteerden online-redacteuren leunen sterk op de geschreven journalistiek en hebben een sterke band met gedrukte analoge, bestaande media. Ondanks het digitale tijdperk, ‘print still rules…' Maar tegelijkertijd wordt content van het oude medium niet simpel doorgeplaatst. In een zeer kleine minderheid van de gevallen wordt kopij ongewijzigd geplaatst, maar meestal worden artikelen herschreven, op maat gemaakt, aangevuld met links naar documenten, of aangevuld met extra (multimediale) elementen.
Gratis
De geleverde content is meestal gratis te bezoeken, zegt 86% van de respondenten. Dat betekent dus dat oude media vaak voor de kosten opdraaien. Het feit dat print nog steeds oppermachtig is, is dan ook vooral een financiële kwestie. Online-content verdient zich niet terug. Zoeken naar andere publicatiemogelijkheden waarmee wel geld verdiend kan worden, blijkt nog een niche-markt. Het merendeel van de redacteuren werkt voor het web. Andere platforms, zoals sms, i-mode of speciale pda-edities, zijn van weinig belang. Elektronische nieuwsbrieven genieten daarentegen wel belangstelling. Maar vaak bestaat de inhoud hiervan uit de content van de website. Weblogs en het idee van open media zijn nauwelijks aanwezig in de officiële, 'gesloten' media, slechts voor een zeer klein aantal deelnemers is deze activiteit relevant.
Knelpunten
Ondanks dat de meeste respondenten (84%) positief zijn over de toekomst van de site, is niet àlles rozengeur en maneschijn. Een veelgenoemd (49%) knelpunt is bijvoorbeeld een te klein redactiebudget, maar ook het gebrek aan bijvoorbeeld medewerking van de reguliere redactie en technische problemen zijn punten die moeten verbeteren, blijkt uit het onderzoek. Als dat ook daadwerkelijk gebeurt, benadert het percentage toekomst-positieve online-journalistien bij een volgende enquête de 100% nog dichter.
Over dit onderzoek
Dit is een weerslag van het onderzoek dat de NVJ, gesubsidieerd door het Bedrijfsfonds voor de Pers, in samenwerking met de Radboud Universiteit tussen 2002 en 2006 hield onder journalisten. Doel: het vaststellen van eventuele ontwikkelingen in het internetgebruik onder journalisten.
Multimediale samenvatting
Een multimediale samenvatting van het NVJ onderzoek Journalistiek en Internet
