Onderzoek Journalistiek & Internet
De stoottroepen van de persvrijheid
Al jaren vliegen de readers, boeken en debatten over persvrijheid je om de oren. Maar in alle discussies is er één opvallende afwezige: internet. En dat terwijl juist hier de meeste felle en complexe voorhoedegevechten voor journalistieke vrijheid worden geleverd. Als het woord ‘internet’ valt in een discussie onder journalisten, dan is de kans groot dat het wordt ingezet om negatieve effecten te illustreren. Internet is een onbetrouwbaar stinkende poel van misleidende informatie van a-journalistieke amateurs, zo hoor je sommigen denken. Vraag diezelfde journalisten wat hun allereerste bron is als ze een artikel schrijven, en hetzelfde medium komt nagenoeg altijd als eerste uit de bus. De keren dat geciteerd wordt uit een internetforum om te laten zien hoe de verderfelijke geluiden uit de samenleving eruit zien - ‘grabbeltonjournalistiek’ - zijn niet meer te tellen. Daarnaast, als je NOS.nl per definitie onbetrouwbaarder vindt dan het NOS Journaal, dan behoor je tot een zeer extravagante minderheid.
De uiterst ingewikkelde haatliefde verhouding die journalisten hebben met de nieuwe media, is een uiterst significante factor in de persvrijheidissues. Immers, ongemerkt wordt internet nog elke dag belangrijker voor de nieuwsconsument en de professional. Daartegenover, het dédain van de gemiddelde journalist (of politicus) zorgt ervoor dat internet buiten de discussies blijft en wetgever en justitie er behoorlijk losjes met de persvrijheid kunnen omgaan. Ongestraft en bijna ongezien.
In de zomer van 2004 besloot digitale burgerrechtenbeweging Bits of Freedom het verantwoordelijkheidsgevoel van enkele grote providers onder de loep te nemen. Bij tien van hen werd een kleine site opgezet en een tekst van Multatuli - inmiddels auteursrechtvrij - geplaatst. Vervolgens liet de stichting de in het leven geroepen advocaat Mr. Drooglever met een anoniem hotmail-adres die providers een mailtje sturen met het verzoek om verwijdering van de site. Het schokkende resultaat: zeven van de tien providers lieten de informatie ogenblikkelijk verdwijnen, zonder er nog een woord aan vuil te maken. Ondanks het anonieme e-mailadres, zonder te kijken naar de wet, zonder de advocaat om meer informatie te vragen.
Diezelfde achteloosheid ten aanzien van de vrijheid om op internet te publiceren heerst binnen Justitie. Een van de vele mogelijke voorbeelden: met een DOS-aanval kan een kwaadwillende persoon een site uit de lucht halen. Als je het met de informatie niet eens bent, schrijf je een computerprogramma dat de site miljoenen keren per dag opvraagt. Aan dat enorme aantal informatieaanvragen gaat de computer waarop de site functioneert ten onder en wordt soms weken volkomen onbereikbaar (Denial of Service, DOS). Dat kun je vergelijken met een lezer die, uit onvrede met een artikel, de drukkerij binnenloopt om de totale oplage van een krant in brand te steken voordat die bij de abonnees in de brievenbus valt. Dat gebeurde in het recente verleden al bij Overheid.nl, Radio538.nl, Geenstijl.nl en de site van politieke partij AEL. In alle gevallen reageerde Justitie traag en zelfs expliciet ongeïnteresseerd, zelfs toen de verdachten bekend bleken en volmondig toegaven dat zij de aanstichters waren. Nu waren het nog sites die op de grens met de journalistiek verkeren. Maar wat gebeurt er als een prominent internetjournalistiek medium aan de beurt is?
Ook op het gebied van bedreiging van internetjournalisten en het weren van destructieve of zelfs onwettig opererende online gebruikers kan niet op Justitie gerekend worden. In zaken van online persvrijheid staat de journalist er alleen voor. Sterker nog, daarin is de overheid een van de meeste prominente tegenstanders.
Het kan niet worden ontkend dat het discussieklimaat bijzonder snel is verhard en dat internetsites daarin niet zelden een minder fraaie rol vervullen. En dat is ook logisch. Niet iedereen is journalist, of zelfs maar een persoon met de intentie zich aan de wet of de ongeschreven regels van het fatsoen te houden. De laagdrempeligheid van het medium staat zo garant voor uitingen die, om het voorzichtig te zeggen, aan subtiliteit wat te wensen overlaten.
Dat Justitie daartegen wil optreden is begrijpelijk, redelijk en zelfs wenselijk. Maar in tijden waarin het toverwoord ‘terreur’ op de lippen van overheidsfunctionarissen ligt, kun je een behoorlijk eenzijdige benadering van ‘het probleem internet’ verwachten. En dat is dan ook de situatie van de afgelopen jaren.
Er is geen sprake van een afweging waarin ook persvrijheid, verschoningsrecht of controleerbaarheid een rol spelen. Zo kan elke opsporingsambtenaar de gegevens van bezoekers van je website opvragen; toelichting is niet noodzakelijk. Omdat een internetjournalist zijn ‘drukkerij’ niet in eigen beheer heeft, maar aangewezen is op providers, is een e-mailtap geen enkel probleem. Zo kan technisch zelfs het verschijnen van je site met één druk op de knop onmogelijk worden gemaakt, zonder dat je er maar iets over te zeggen hebt.
Dat onze eigen vrijheidslievende overheid zoiets nooit zou bedenken of durven is helaas een te mooie droom. In december 2004 stelde het PvdA-kamerlid Van Heemst serieus voor dat de AIVD hackers in dienst zou nemen die haatdragende buitenlandse sites zouden uitschakelen. ‘Om Nederland te beschermen tegen het gif van verkeerde ideeën’, zo voegde hij er trots aan toe.
De eerste stappen
In de praktijk zijn de eerste stappen al gezet. Van Indymedia.org, een respectabele journalistiek-activistische site, heeft de FBI zonder toelichting alle computers in beslag genomen. Inmiddels houdt de internationale journalistenbond IFJ zich intensief met de zaak bezig. De Nederlandse vestiging van Indymedia moest zich na een bedreiging aan het adres van Geert Wilders door een bezoeker (die door de redactie al na drie kwartier werd verwijderd), behoorlijk schrap zetten. Uiteraard moesten de gegevens van de bezoeker door de sitemakers worden overgedragen, maar die claimen niet in het bezit te zijn van die informatie. Justitie kwam op een vrijdagavond met een kortlopend ultimatum zodat geen juridische hulp meer kon worden ingeschakeld. Deze casus wekt meer de indruk van pesterij dan van een zorgvuldig doorlopen procedure.
Halsstarrigheid als grondhouding is onzinnig. Zo moeten internetredacties zich ervan bewust worden dat ze moreel en juridisch verantwoordelijk zijn voor de reacties van hun lezers. Het verschoningsrecht mag niet worden gebruikt om onwettige uitingen uit de wind te houden, als zij geen maatschappelijk of journalistiek belang vertegenwoordigen. Laten we dat bewaren voor de klokkenluiders of onmisbare anonieme bronnen.
Daar staat tegenover dat wij moeten beseffen dat persvrijheid ook online een waarde vertegenwoordigt, waarmee we solidair moeten zijn. En die is in acuut gevaar. Internetjournalisten vormen de voorhoede, de stoottroepen van de persvrijheid en het beeld is bijzonder grimmig. De internetrecherche van de KLPD blijft maar sollicitanten werven en de komende Europese internetwetgeving voorspelt ook niet veel goeds.
Als we ook in ‘de nieuwe journalistiek’ willen opkomen voor de persvrijheid moeten we ook nog de lastige hindernis van de definitie nemen: voor welke sites moet de journalistiek nog opkomen? Wie noemen we online nog journalist? Er kunnen nog wel wat readers, boeken en debatten bij.
KADER: Internetjustitie
Minister Donner gaf in antwoorden op kamervragen recentelijk aan hoe Justitie op het gebied van de digitale opsporing is georganiseerd en waartoe dat heeft geleid. Hij legde uit dat de opsporing drie niveaus kent voor de aanpak van computercriminaliteit. Elk regiokorps beschikt over een eigen Bureau Digitaal Rechercheren. Bovenregionaal zijn er de Bureaus Digitale Expertise en op landelijk niveau is er de Groep Digitaal Rechercheren van het KLPD. Er zijn in totaal acht bovenregionale bureaus Digitale Expertise. In totaal zijn 115 mensen werkzaam in de digitale recherche. Bij het OM zijn volgens de minister van Justitie in de jaren 1998 tot en met 2004 (tot medio november) 225 zaken binnengekomen die vallen onder de Wet computercriminaliteit. Hiervan zijn 82 zaken gedagvaard (36 procent), 64 zaken geseponeerd (28 procent), 69 zaken geschikt (31 procent) en 10 zaken voorwaardelijk geseponeerd (4 procent). In 53 zaken is door de rechter een straf opgelegd, en in zes zaken een vrijspraak gevolgd. Van de overige zaken is de uitkomst nog niet bekend.
