Onderzoek Journalistiek & Internet
Ethiek in de internetjournalistiek
Internet heeft een unieke structuur ten opzichte van de andere media. Een structuur waarvan we nog lang niet alle facetten kennen. En waarmee we proefondervindelijk leren werken. Interactiviteit, de aanwezigheid van andere technische instrumenten en de volledige beschikbaarheid van de informatie, kunnen leiden tot een andere journalistieke mores. In het kader van het onderzoek tweede fase 'Journalistiek en Internet' heeft Lotte van Doorn voor de NVJ daarom een ethiek-enquête onder internetjournalisten gehouden. 130 professionals (waaronder ongeveer 65% mannen en ongeveer een kwart - deels of geheel - freelancer) hebben de lange vragenlijst ingevuld. Het resultaat is een uitgebreide aanvulling op het "Wie-Wat-Waar" onderzoek dat hiervoor vermeld werd; immers, nu we wat beter weten wie de internetjournalist is, is het interessant vervolgens vast te stellen hoe die precies journalistiek bedrijft en wat de verschillen zijn met de 'traditionele media'.
Privacy
Aan de periferie van de journalistieke mores, is de privacy van de digitale nieuwsconsument van belang. Anders dan bij radio, tv of krant verkrijgt de redactie namelijk altijd gegevens over iedere individuele luisteraar, lezer of abonnee. Internetjournalisten zijn op dit gebied streng, zo blijkt uit een enquête, uitgevoerd voor dit onderzoek. Bijna 50% beschouwt alle ongevraagde mail als 'spam' en nog eens 30% betitelt alle ongevraagde mail van organisaties als 'spam'. Omgekeerd gebruiken veel respondenten zelf wel ongevraagd mailadressen in lezers / klantenbestanden. Volgens 65 % mogen die bestanden gebruikt worden voor enquetes, 43 % zou ze ook inzetten voor persberichten, maar dat lijkt de grens, want slechts14 % vindt het ok om de adressen te gebruiken voor commerciële doeleinden, en de bestanden doorverkopen aan derden wordt slechts goedgekeurd door 6 %. Slechts 2 van de respondenten geeft aan dat hun zelf werkgever e-mailadressen verkoopt, en slechts 6,4 % van hen koopt ze in. Op de site gepubliceerde privacystatements, mededelingen over de manier waarop de site omgaat met die gegevens, zijn populair: ruim 80 % vindt dat ze nodig zijn. Echter slechts een dikke 50 % heeft op de site ook daadwerkelijk een statement geplaatst. De reden waarom er nog zo’n groot aantal sites zonder privacyverklaring draait, lijkt voort te komen uit het feit dat men niet precies weet wat er wel of niet in moet. Bijna driekwart van de ondervraagden is voor de opstelling van een standaard privacystatement die als basis gebruikt kan worden voor de eigen site.
Over de persoonsgegevens die op internet rondslingeren, de privacy van het journalistieke subject, is men ook aardig streng in de leer. Zo had meer dan 70 % de uitgelekte email waaruit bleek dat Maxima zwanger was niet gebruikt, of pas na gedegen verder onderzoek. Als dezelfde informatie per ongeluk echter op de site van de Rijksvoorlichtingsdienst gekomen zou zijn, dan had meer dan 85 % de informatie wel geplaatst. Indien er echter eerst een slotje omzeild moet worden om online bij de info te komen, zijn de internetjournalisten alweer wat behoudender: 45 % had de informatie dan niet gebruikt. Men vindt ook dat je op internet beter moet checken of je feiten kloppen. Iedereen kan immers op internet publiceren. Dik 60 % doet beter onderzoek naar een online bron dan men dat zou doen bij de gevestigde media. Daarnaast beschouwt bijna 70% het professioneel anoniem mailen danwel publiceren als verwerpelijk en geldt dat voor de helft van de online journalisten als het gaat om bezoekersparticipatie. Journalistiek dient met open vizier te worden bedreven, zo kan de conclusie luiden.
Commerciële druk
De internetjournalistiek kent geen traditionele weerstand tegen de krachten van de commercie. De vraag wordt dan relevant, of internetjournalisten meer inhoudelijke druk voelen vanuit de sponsor of adverteerder. De vraag luidde letterlijk: "Is de druk van de commercie op internet beter voelbaar dan bij andere media?" De meningen hierover bleken verdeeld. Iets meer dan 40 % vindt dat de commerciële druk inderdaad groter is online, de rest van de respondenten had daar geen last van.
Bezoekersparticipatie
Om de grenzen van de verantwoordelijkheid van de journalist af te tasten waar het aankomt op interactie met de site-bezoekers, kregen de enquêtedeelnemers een casus voorgeschoteld: "U schreef een artikel / maakte een item over Van Gogh. Bij het item / artikel staat een reactiemogelijkheid en nu vindt iemand het nodig om daar eens een fikse tirade af te steken over de achterlijkheid van bepaalde gelovigen. Censureert u?" De meerderheid van de antwoorden wezen duidelijk de kant op van de vrijheid van meningsuiting met een ondergrens. Meer dan 90 procent zou censureren (waarvan 72 procent alleen als het taalgebruik “onnodig grievend” is). Slechts een kleine minderheid censureert niet. Dat de rechter bepaald heeft dat ook reacties onder een artikel vallen onder de verantwoordelijkheid van de journalist, roept bij de respondenten gemengde gevoelens op: 48 % vindt dit wel juist, 47 % niet. 4 % onthield zich van een mening
Mocht de “Van Gogh”-discussie zich afspelen in de chatbox van de site, gelden hiervoor wat mildere regels. Hoewel nog altijd 80 procent zou schrappen in de discussie (waarvan 70 procent alleen als het taalgebruik “onnodig grievend” is). 16 procent van de internetjournalisten zou niets in de discussie veranderen. Bij een forum, behorend tot de eigen site, is men weer wat strenger, ook daar vindt 90 procent dat onnodig kwetsende tekst geschrapt moet worden.
Er bestaan mogelijkheden om de reacties op artikelen of in de forums / chatrooms van te voren te bekijken. Zo kunnen eventuele grove opmerkingen vooraf gefilterd worden. Van onze respondenten ziet bijna driekwart van de respondenten ziet wel wat in die software, eenderde van deze groep gebruikt al dergelijke machinaties. Toch vind een kwart van de internetjournalisten dat van te voren ingrijpen niet hoort.
Citeren of kopiëren. Waar ligt de grens?
"Ik gebruik internet als bron, voor het zelf schrijven van mijn teksten. Ik vermeld de bron, tenzij er door mijn eigen werk een nieuw nieuwsitem ontstaan is" Dat is zo ongeveer de werkwijze van 75 % van de internetjournalisten die meededen aan de enquête. De rest van hen knipt en plakt, al dan niet met het husselen van een paar woordjes, vanuit andere (online) media. Bronvermeldingen zijn 'usance'. Dat blijkt ook wel uit het feit dat 100% van de internetjournalisten vindt dat zij bronvermeldingen moeten hanteren. Iets anders ligt dat bij illustraties. Daar regelt 60% van de respondenten de zaakjes goed (inclusief toestemming en bronvermelding), maar er blijken nogal wat morele tussenvormen. Iedereen lijkt zich bewust van het auteursrecht, maar bijna 20 % gebruikt regelmatig foto's van internet zonder toestemming, ook als er copyright op zit (waarvan de helft zonder bronvermelding).
Rectificatie en wederhoor
Als men aan de internetjournalist vraagt of hij of zij vindt dat op internet dezelfde regels met betrekking tot rectificatie moeten gelden, als in de offline media, dan antwoord bijna 90% van hen bevestigend. Toch lijkt het principe van hoor en wederhoor licht onder druk te staan. De casus over een burenruzie ("Als u een item op de site plaatst over een burenruzie, en de ene buur heeft wel een site met zijn denkpunten over de ruzie, en de ander niet. Plaatst u die link dan?") wordt door dik 50 % door 'Ja' gevolgd, terwijl op een casus van een algemenere strekking ("Nee, recht op weerwoord bij internetproducties hetzelfde als bij producties in de andere media") meer dan 50% vindt dat het recht op weerwoord online net zo goed geldt als offline.
Ethiek, richtlijnen of controle
Ruim 40 % van de respondenten vindt dat de zogenaamde shockweblogs aan banden moeten worden gelegd. Repressie wordt niet zozeer op prijs gesteld, maar richtlijnen zijn aanmerkelijk populairder: meer dan 60 procent van de internetjournalisten vindt dat een gedragscode, speciaal voor internet, wenselijk zou zijn. Die moet wel, zo vindt een dikke meerderheid van bijna tweederde vrijwillig aan redactie worden aangeboden en niet worden opgelegd. Een speciaal controle-orgaan (à la Raad voor de Journalistiek) wordt echter niet door een meerderheid gesteund: 40 % ziet daar wat in. Maar als de controlerende “macht” wordt ingesteld, vindt wel ruim de helft van de ondervraagden dat de sancties bindend zouden moeten zijn. Het idee van een ombudsman speciaal voor internet krijgt net het merendeel van de stemmen. Dan zou er echter een moeten komen voor het hele journalistieke internet, en niet voor elke redactie apart, aldus 72 % van de stemmers.
CAO/redactiestatuut
Een verrassend groot aantal journalisten van het vrije medium internet (bijna 60%) acht het wenselijk dat er een journalistieke internet-CAO komt. Het doet vermoeden dat men het nodig vindt om inhoudelijk journalistieke zaken te regelen, want ook het redactiestatuut kan zich in een grote belangstelling verheugen. Meer dan 80% van de internetjournalisten acht een redactiestatuut voor internetsites nodig. Of het redactiestatuut dan ook openbaar op de site moet? 70 % van de respondenten vindt van wel.
Conclusie: roomser dan de paus
Voor een vergelijking met de 'traditionele' waarden van de journalistiek is meer analyse noodzakelijk. Immers, alleen al het definiëren van het corpus van die waarden is niet eenvoudig. Maar het is niet moeilijk om de grote lijn van het onderzoek vast te stellen: de online journalisten hechten er duidelijk aan, aan te sluiten bij de mores van de traditionele media. Of anders gezegd: het verschil in ethiek van online journalisten, op het gebied van privacy, commercie en auteursrecht wijkt niet fundamenteel af van dat van de kranten- tv- of radiojournalist. Sterker nog: men lijkt zelfs braver dan de collega’s van de traditionele media. Wellicht is dit een poging af te komen van het drukkende stigma dat op internet geen wetten gelden. Juist omdat alles wat er aan hoaxes, plagiaten of vuilspuiterij voorkomt op internet, leeft onder internetjournalisten de wens om alles “volgens het boekje” te doen. Vandaar de wens voor CAO’s, privacy-statements, redactiestatuten en een gedragscode.
