Onderzoek Journalistiek & Internet


Interview met Peter Schrurs


Als er één omroep is die internet heeft omarmd, dan is het de VPRO wel. De VPRO was als eerste Nederlandse omroep actief op het net en vervult nog steeds een toonaangevende functie. Wat betekent de opkomst van internet voor programmamakers? Een gesprek met Peter Schrurs, directeur van de VPRO, over crossmedialiteit. "Er zijn mensen die alles kunnen, maar die zijn nog zeldzaam. Je moet niet denken dat je als krantenjournalist zomaar televisie kunt maken."

U bent in augustus 1998 directeur geworden bij de VPRO. Wat wist u op dat moment van internet?
Schrurs: "Ik was voor mijn aantreden bij de VPRO directeur van de School voor Journalistiek. Daardoor wist ik aardig wat van het gebruik van internet als bron, maar nog weinig van internet als publicatiemiddel. De VPRO liep wel voorop op internetgebied. In 1994 was de VPRO als eerste omroep gaan experimenteren met internet. Vlak voor mijn komst, in mei 1998, was 3VOOR12 van start gegaan. Dat was een protest op internet tegen het verdwijnen van de VPRO van Radio 3. Toen ik begon, was één van de eerste vragen of we moesten doorgaan met 3VOOR12. Er waren geen miljoeneninvesteringen mee gemoeid en veel mensen hadden er een goed gevoel over, dus we zijn doorgegaan. Met veel succes."

Is het vak van journalist of programmamaker veranderd door internet?
"De essentie van de journalistiek is niet veranderd. Journalisten spelen nog steeds een belangrijke rol in de maatschappij en voor de democratie. Maar door de technologische ontwikkelingen is er natuurlijk wel van alles bijgekomen. Aanvankelijk hadden sommige journalisten en programmamakers de neiging om te zeggen: zo'n website bijhouden is allemaal extra werk. Inmiddels is het voor de meeste mensen een vanzelfsprekendheid geworden. Je bent toch bezig. De verschillende media – radio, televisie, internet en onze gids – krijgen steeds meer met elkaar te maken."

Moet de journalist van vandaag alles kunnen? Tv en radio maken én een website bijhouden?
"Er bestaat een spanning tussen de vakman aan de ene kant en het idee dat iedereen alles moet kunnen aan de andere kant. Het is een misverstand om te denken dat radiomaken hetzelfde is als televisiemaken of dat een tv-programma maken hetzelfde is als een programma voor internet of een digitaal kanaal. Dat zijn verschillende disciplines. Er zijn mensen die alles kunnen, maar die zijn nog zeldzaam. Je moet niet denken dat je als krantenjournalist zomaar televisie kunt maken. Dat is een misverstand. Je moet oppassen dat je niet in die valkuil trapt. Dat leidt al snel tot slappe aftreksels. Een andere valkuil is dat televisiemakers en radiomakers zeggen: aan mijn lijf geen polonaise. Journalisten moeten wel openstaan voor nieuwe ontwikkelingen. Als ik nu nog aan de School voor Journalistiek zou werken, zou ik ook erg stimuleren dat studenten verschillende vaardigheden onder de knie krijgen. Dat soort mensen hebben we in de toekomst nodig. Maar dat is wat anders dan dat je een 40-jarige radiomaker dwingt om alles te kunnen."

Wat is er zo anders aan televisiemaken dan bijvoorbeeld een filmpje voor internet maken?
"Televisie is een massamedium. Daar hebben mensen bepaalde verwachtingen van. Op internet en op onze digitale kanalen is ruimte voor wat wij rafel-tv noemen. Als je bewust naar internet gaat om een interview met een schrijver te zien, maakt het niet zoveel uit hoe de belichting is. Op televisie kan dat niet: dan moeten de beelden er goed uitzien. Tenzij je van tevoren aankondigt dat de beelden om wat voor reden dan ook niet van professionele kwaliteit zijn, bijvoorbeeld bij een uitzending van 'Andere Tijden' met filmpjes van kijkers."

Wat betekent de opkomst van internet voor de organisatie van de VPRO?
"Wij zijn niet een club waar je de organisatie zomaar kunt 'kantelen'. Je gaat hier natuurlijk niet roepen: iedereen moet meedoen. Want dan kun je meteen je biezen pakken. Bij ons zie je eerder procesmatige veranderingen. Mensen die het leuk vinden om met verschillende media bezig te zijn, geven we de ruimte. Daarnaast zetten we mensen bij elkaar die voor verschillende media met hetzelfde onderwerp bezig zijn. Iedereen die met popmuziek bezig is, zit nu bijvoorbeeld in dezelfde ruimte. Hetzelfde geldt voor film. En we zijn nu ook bezig met een project over energie, waarbij mensen als vanzelf bij elkaar komen. De makers van Tegenlicht doen er wat mee en de makers van De Ochtenden ook. Vervolgens bedenken we hoe we er in de gids aandacht aan kunnen besteden en komt iemand met het idee om voor internet een game over het onderwerp te maken."

Zijn alle onderwerpen geschikt voor alle media?
"Nee, niet elk verhaal is geschikt voor alle media. Neem een programma als Holland Sport. Dat is een prachtig tv-programma. Daar moet je verder vanaf blijven. Bij de verslaggeving vanaf een evenement als Lowlands daarentegen kun je wel weer heel goed verschillende media inzetten. Op radio en tv kun je de optredens horen en zien, terwijl op internet bijvoorbeeld weer meer aandacht is voor wat er op de camping gebeurt. De bezoekers van Lowlands gaan na afloop van het festival het internet op om die camping-filmpjes te bekijken. Die video's worden krankzinnig vaak opgehaald. Dat vinden mensen leuk: om naar zichzelf te kijken. Daarom hebben we na afloop van Lowlands altijd nóg een bezoekerspiek op onze website, van mensen die het festival hebben bezocht en die nog eens willen zien wat er is gebeurd."

Dankzij internet is het voor het publiek veel makkelijker geworden om in contact te treden met journalisten en programmamakers. Wat merken jullie daarvan?
"Vroeger belden mensen, tegenwoordig sturen ze een e-mailtje. Dat is een stuk makkelijker. Omdat de techniek het toelaat, krijgen we daarom ook meer reacties. Maar het verschilt enorm. Bij de ene uitzending van Zomergasten komen er veel meer reacties dan bij de andere uitzending."

Hebben jullie wat aan al die reacties?
"Ja. Het publiek wil meepraten en daar moet je gebruik van maken. Het publiek weet meer dan jij alleen. Je moet het publiek erbij betrekken met behoud van vakmanschap, daar gaat het om. Wij redeneren steeds meer in de vorm van een piramide. Bovenaan zit de programmamaker, onderaan het publiek. De kunst is om gebruik te maken van de deskundigheid van je publiek. De makers van een boekenprogramma kunnen bijvoorbeeld nooit zoveel boeken lezen als het publiek. En het publiek kan een heel goede recensent zijn. Daar moet je gebruik van maken.
"Ander voorbeeld. We proberen mensen die verstand hebben van energie te betrekken bij ons energieproject. Er zit heel veel kennis bij onderzoekers en universiteiten die wij zelf niet in huis hebben. Dat zijn gratis researchers. Je maakt een netwerk rond een onderwerp van mensen die daar verstand van hebben."

Waar houdt de rol van het publiek op?
"Bovenaan de piramide blijft de journalist/programmamaker zitten die er iets van maakt. Het is niet zo dat het publiek ook filmmaker kan worden. Wetenschappers die veel verstand hebben van energie, moet je geen filmpjes laten maken. Al kun je onderzoekers die een paar maanden op expeditie zijn, bijvoorbeeld wel weer een recordertje meegeven. Dat scheelt een partij geld, anders zou je een verslaggever mee moeten sturen. Uiteindelijk blijft de programmamaker natuurlijk bepalen wat wél en wat niet kan worden uitgezonden.
"De vragen die je bij dit soort projecten moet stellen, zijn: waar houdt de deskundigheid van het publiek op? En: waar begint jouw vakmanschap? Veel jongere journalisten gaan daar al heel vanzelfsprekend mee om. De journalist is dan een intermediair tussen een deskundig publiek en een lekenpubliek. Als programmamaker stel je de vragen waar een deskundige zelf niet meer aan denkt."

Sommige mensen menen dat dankzij internet iedereen (burger)journalist kan worden. Heeft straks iedereen zijn eigen tv-kanaal?
"Nee. De opkomst van desktop publishing software heeft er ook niet toe geleid dat iedereen zijn eigen krant is begonnen. Dtp-software wordt vooral gebruikt om een krantje te maken voor de bruiloft van opa en oma. Zo zullen er nu ook niet allerlei tv-kanalen ontstaan. Je moet niet vergeten dat de journalist een vakman is. En dat is iets anders dan een amateur.
"Het aanbod neemt wel toe, maar tegelijkertijd neemt daarmee ook de behoefte aan een betrouwbare gids toe. Als je oneindig veel kanalen hebt, word je gek. Je kiest er gewoon een paar. En bij die keuze kunnen journalisten en een organisatie als de VPRO een belangrijke rol spelen. Mensen zullen heel dankbaar zijn als er een club voor hen is die zegt: dit is iets voor jou.
"Neem bijvoorbeeld het IDFA. Daarbij heb je keuze uit honderden films. Je kunt ook naar de VPRO-dag waarvoor wij zeven documentaires uitkiezen. Die is elk jaar uitverkocht. Het kan het zo zijn dat één film op de VPRO-dag drie keer niks is. Maar over het algemeen weet je dat de documentaires goed zullen bevallen. Wij zullen niet zomaar een TROS-film opnemen in het programma."

Vorig jaar antwoordde u in een enquête van De Nieuwe Reporter op de vraag welke trend de Nederlandse journalistiek de meeste schade zal toebrengen dat de scheiding tussen redactie en commercie steeds dunner wordt. Hoe merkt u dat?
"Er is steeds minder geld voor de publieke omroepen. Vroeger kon je het je permitteren om je niets van de commercie aan te trekken. Televisie is waanzinnig duur als je het goed wilt doen. Het mag niet zo zijn dat je alleen met steun van sponsors een documentaire kunt maken. Maar zover is het al. Het kan niet zo zijn dat je alleen maar een duur kunstprogramma kunt maken als de schouwburg meebetaalt. Belachelijk, onmiddellijk mee ophouden! De overheid moet ervoor zorgen dat er een afgeschermd gebied is waar programmamakers ongestoord kunnen werken aan mooie programma's. Voor onderscheidende programmering moet gewoon goed geld zijn."

Is commerciële inmenging altijd verkeerd?
"Ik ben daar niet per se tegen. Het blijft uiteindelijk altijd aankomen op de integriteit van de journalist. Op internet is die grens tussen commerciële invloed en service verlenen soms ook moeilijk te trekken. Als op Cinema.nl (filmsite van de VPRO en de Volkskrant, MR) een film wordt besproken, maakt de techniek het mogelijk om die film direct te bestellen. Dat is service verlenen. Zolang het maar duidelijk is dat je bij het bestellen van de film de site van de omroep verlaat. De bezoeker moet weten dat de redactie van Cinema.nl onafhankelijk is. Het wordt pas een gevaar als iemand zegt: jullie krijgen een zak geld als jullie als onze films positief bespreken op Cinema.nl."