Onderzoek Journalistiek & Internet


Journalistiek en Internet: samenvatting


In de maatschappelijke informatievoorziening vervullen journalisten een belangrijke intermediaire rol in het verspreiden en bewerken van publieke informatie. Er zijn nog maar weinig harde cijfers bekend over de journalistiek in Nederland in relatie tot het internet. Wat voor webbronnen gebruiken journalisten? Hoe gebruiken ze internet? Hoeveel redacteuren zijn er werkzaam bij een site? Door dit onderzoek wordt volgens het Bedrijfsfonds een bijdrage geleverd aan het inzicht in de ontwikkeling en het functioneren van de (internet)journalistiek.

Vier jaar lang zijn vanaf het vaste honk Villamedia.nl meer dan duizend artikelen geschreven over de gevolgen van internet op de journalistieke praktijk, de journalistieke ethiek en de journalistieke onafhankelijkheid. Wetenschappers van de Radboud Universiteit in Nijmegen hebben tussen 2002 en 2006 het internetgebruik bekeken van bijna 700 journalisten. Anderen zijn aan de slag gegaan met een vragenlijst over de werkwijze van meer dan 220 internetredacteuren, van wie 130 vertellen over de ethiek van het vak. Netkwesties is ingeschakeld voor een onderzoek naar de kansen en bedreigingen van internet en samenhangende technologie voor journalistiek en persexploitatie. Traditionele uitgevers zien de overgang van massaal naar persoonlijk uitgeven zich niet op revolutionaire wijze voltrekken, is een van de conclusies. Internetspecialisten bij radio, tv, kranten geven hun mening in een serie interviews. Een paar uitspraken vindt u terug in dit rapport, de volledige interviews zijn na te lezen op het web. Redacteuren spraken deskundigen over mediaconvergentie, internetcensuur, websoftware en andere onderwerpen.

=== Als je een multimediale organisatie wilt zijn, moet je zorgen dat de redacteuren er in gaan geloven.
Pieter Kok, uitgever van De Volkskrant (2006) ===

Dit rapport is het laatste in een serie van drie. Het gaat over de gevolgen van internet op het dagelijkse werk van de Nederlandse journalist. Om met het Bedrijfsfonds te spreken: daarover is nog niet zoveel geschreven. Hoe heeft de komst van internet de journalistiek, het proces achter de journalistiek en de werkwijze van de journalist beïnvloed? Tussen 2002 en 2006 is het besef gegroeid dat een journalistieke organisatie op het web moet zijn. Hoe ziet die aanwezigheid er uit?

In ‘Internet als bron’ wordt de vraag beantwoord in welke mate journalisten voor hun producties op internet leunen. Wie de gemiddelde internetredacteur is, staat in ‘Internet als publicatiemiddel’.

‘Grenzen voor het web’ gaat in op beloften, ethiek, de grenzen aan lezersparticipatie en convergentie. ‘Internetscholing’ vertrekt vanaf het sombere moment (2003) dat er nauwelijks belangstelling meer was voor opleidingen in internetjournalistiek.

Lees hier de gehele samenvatting van Henk van Ess in Word.

Henk van Ess' Aanbevelingen

1. De NVJ zou naar Deens voorbeeld internetcursussen inzet kunnen maken van cao-besprekingen. Nieuwsorganisaties maken in dit scenario gedurende een periode van drie jaar een inhaalslag door trainingen en bijscholing te volgen op het vlak van internetvaardigheden.

Vooraf is verder onderzoek nodig naar de kwaliteit van kennis van het web onder journalisten. Met een dergelijke studie kan worden vastgesteld waar de gaten vallen en hoe ze gedicht kunnen worden. De NVJ kan helpen bij het formuleren van criteria voor verantwoord gebruik van internet voor journalisten.

2. De NVJ zou op het web zelf meer informatie moeten geven over deskundig en verantwoord internetgebruik, al dan niet in samenwerking met andere organisaties. Een permanent kenniscentrum draagt bij aan kritischer en slimmer gebruik van internet.

3. Het Amerikaanse evaluatieonderzoek van Nora Paul naar de grenzen van het web zou ook in Nederland gehouden moeten worden.

4. Het kwantitatief onderzoek naar internetjournalistiek is te mager. Zo is niet bekend hoeveel journalisten bij websites van tijdschriften werken. Onderzoek naar de personeelsterkte per medium geeft meer inzicht in het aantal redacteuren dat wel/niet nodig is om een bepaald publiek te kunnen bereiken.

5. De NVJ wordt opgeroepen om een redactiestatuut of gedragscode te entameren voor internetjournalistiek, vooral op het vlak van copyright en schotten tussen commercie/redactie.

6. Een onderzoek naar aard en omvang van de opleidingsbudgetten van Nederlandse media moet meer inzicht geven of de beroepsgroep in de pas loopt met het Nederlandse bedrijfsleven.

7. Hoofdredacties worden opgeroepen om een eigen Medialab op te richten waarin koplopers van de krant samen met eventuele externe deskundigen verder vorm geven aan de kennisverbreding onder redacteuren. Met regelmatige cursussen, nieuwsbrieven en tips ontstaat meer draagvlak voor verantwoord gebruik van internet als bron en als publicatiemiddel.

8. Een permanent roulatiesysteem, waarbij per redactie iemand drie maanden wordt toegevoegd aan de internetredactie, verbetert de interne samenwerking tussen oud en nieuw medium.

9. Hoofdredacties worden opgeroepen om een inventarisatie te maken van knelpunten in het dagelijks internetgebruik. Zo is het niet bij elk nieuwsmedium mogelijk om audio en video af te spelen, zijn mailboxen te krap, is de internetverbinding te traag of hapert het content management systeem.

10. De ontwikkelingen op internet gaan nog steeds zo snel, dat een aparte hoofdredacteur multimedia geen luxe is. Hoofdredacties worden opgeroepen om meer tijd uit te trekken voor het (her)formuleren van internetbeleid.