Gedragscode sociale media roept vragen op

dinsdag 14 juni 2016

Gedragscode sociale media roept vragen op Op 31 mei kondigde de Europese Commissie aan een gedragscode te hebben afgesproken met Facebook, Twitter, YouTube en Microsoft over het bestrijden van online haatteksten, xenofobie en racisme. De code houdt kort gezegd in dat de grote tech bedrijven op een meer effectieve manier illegale haatzaaierij gaan bestrijden. Ook nu al verwijderen de sociale media bedrijven kwetsende teksten die in strijd zijn met hun community rules , maar volgens de nu afgesproken gedragscode zal dat in de toekomst zoveel mogelijk binnen 24 uur gebeuren.

De sociale media-giganten en de EU spraken af ook nauwer te gaan samenwerken met maatschappelijke organisaties om online haatboodschappen te identificeren en alternatieven, een counter narrative, te bieden voor extremistische inhoud. Twitter maakte begin dit jaar bekend in de tweede helft van 2015 125.000 accounts die terreur propageerden, vooral van IS,  te hebben gesloten. Dat zijn zo’n 20.000 accounts per maand!

Het efficiënte gebruik door IS, al Qaeda en andere terroristische groepen van sociale media platforms is een groot probleem en weinigen zullen beweren dat het propageren van het afslachten van burgers, zelfmoordacties en het kelen van journalisten en hulpverleners onder de vrijheid van meningsuiting valt. Sterker nog: de verspreiding van teksten die terreur verheerlijken en racisme, discriminatie etcetera verheerlijken hebben, zoals de EU-gedragscode vermeldt  “een negatieve impact op hen die zich uitspreken voor vrijheid, tolerantie en het niet discrimineren in onze open samenlevingen”.

So far so good.

De bedoelingen van de gedragscode zijn dus in principe lovenswaardig. Het gaat erom gewelddadige extremisten, zoals de Islamitische Staat, niet langer een platform te bieden en om het democratische debat en de vrijheid van meningsuiting juist veilig te stellen.

Er kleven ook bezwaren aan de overeenkomst tussen de EU en de tech bedrijven. Mensenrechtenorganisaties wijzen erop dat inhoud die wettelijk verboden is sowieso verwijderd zou moeten worden. Daar is geen aparte gedragscode voor nodig. Daarbij komt dat, volgens de overeenkomst, bij de bestrijding van haatzaaierij niet de wettige autoriteiten maar de sociale mediagiganten het voortouw nemen en dat de regels van het bedrijf prevaleren.

Dit geeft een onevenredige macht aan Facebook, Twitter, YouTube enzovoorts. Want wat is precies haat zaaien? Wat is precies terrorisme? Wat is precies racisme en antisemitisme? Het reële gevaar bestaat dat te snel op de verwijderknop wordt gedrukt. Facebook verwijderde onlangs een cartoon van Ruben L. Oppenheimer over Erdogan om hem later toch weer toe te laten. Het incident laat zien dat in de dagelijkse praktijk de politiek van de sociale media bedrijven niet alleen wordt ingegeven door hoogstaande Europese normen en regelgeving, maar dat ook buitenlandse druk –bijvoorbeeld van de kant van Turkije of Saoedi-Arabië- wel degelijk een rol kan spelen bij het toepassen van de gedragscode.

Moeten alle posts van salafistische signatuur verboden worden? Tegen het bestrijden van de “online jihad” is geen weldenkend mens, maar het gevaar bestaat dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Een kritische discussie over religie, zij het islam, christendom of atheïsme, kan in de kiem worden gesmoord als de criteria van wat “haatzaaierij” is vaag zijn. Wat te doen als klachten worden ingediend door ideologisch tegengestelde maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld in het islamdebat?

Hoever mag kritiek tegen bijvoorbeeld Sylvana Simons gaan? Waar liggen de grenzen tussen kritiek, lompe taal en haat zaaien dat ook juridisch duidelijk over de schreef gaat?

De politieke discussie in Europa over de BDS-campagne (“Boycot, Divestment and Sanctions”) tegen Israël laat zien dat wat voor de één een geweldloze, effectieve strategie is tegen een gehate bezetting, voor de ander puur antisemitisme is. In Nederland moesten er Kamervragen aan te pas komen voor een uitspraak van minister Koenders, dat het bepleiten van de BDS-strategie onder vrije meningsuiting valt en niet onder haat zaaien of antisemitisme.

Op zich is er niets mis mee dat sociale media bedrijven, net als kranten en omroepen, hun eigen gedrag- en stijlcodes hanteren. Dat is uiteraard het recht van elk privaat mediabedrijf. In het geval van de sociale media zij daar wel bij aangetekend dat Facebook, met bijvoorbeeld haast 7-miljoen dagelijkse gebruikers in Nederland, praktisch een monopoliepositie bezit. Er zijn immers nauwelijks alternatieven voor Facebook.  Hetzelfde geldt voor de meeste andere sociale media platforms. Dat legt een extra grote verantwoordelijkheid bij de tech-giganten.

Of het akkoord tussen de EU en de sociale media bedrijven nu inderdaad bijdraagt aan een effectieve bestrijding van gewelddadig extremisme of niet, zal duidelijk worden in de komende maanden. Veel zal afhangen hoe transparant de tech-giganten zullen opereren, vooral ook in hun communicatie met verdedigers van digitale burgerrechten, vrijheid van meningsuiting en persvrijheid.

De vrijheid van meningsuiting staat hoe dan ook onder druk in Europa, als gevolg van terroristisch geweld en een steeds verder polariserend politiek klimaat. Als de vrijheid van meningsuiting in het nauw komt staat ook de persvrijheid onder druk. Kwestie van extra alert blijven dus…

{snippet:block_twitter}