Het journalistieke interview

Overeenkomst
Het journalistiek interview is in juridische zin een overeenkomst. De journalist vraagt iemand om een interview en die aanvaardt dat verzoek waardoor een overeenkomst tot stand komt. Over de rechten en verplichtingen van zowel journalist als geïnterviewde kunnen afspraken worden gemaakt (doe dat ook!). Ontstaat er nadien gedonder over het interview dan zijn de gemaakte afspraken in hoge mate bepalend voor de uitkomst van het conflict. Zijn er geen specifieke afspraken gemaakt, dan biedt de rechtspraak een houvast: waar ben je als journalist wel en waar niet toe gehouden? In dit hoofdstuk komen de rechten en verplichtingen aan de orde die een rol kunnen spelen bij het journalistiek interview.

Geen publicatieplicht – vrij in selectie van informatie
Een verzoek voor een interview is niet hetzelfde als een toezegging tot publicatie van dat interview. Een journalist heeft dus geen publicatieplicht, tenzij dat expliciet is afgesproken (nooit doen!). De journalist of diens redactie heeft de vrijheid om een interview wel of juist niet te publiceren. Bij het maken van afspraken over een interview kan het, om problemen achteraf te voorkomen, behulpzaam zijn uitdrukkelijk te wijzen op deze redactionele vrijheid.

De redactionele beleidsvrijheid was onder andere aan de orde in de volgende zaken. In 1993 had het radioprogramma ‘Het Oog’ dat door de NOS werd uitgezonden auteur Joekes benaderd in verband met de publicatie van diens boek. De redactie vroeg Joekes of hij bereid was zich in de uitzending van 4 mei 1993 te laten interviewen. Vervolgens zijn er afspraken gemaakt over de duur van het interview, de plaats en het voorgesprek. In het begin van de middag van 4 mei 1993 laat de redactie van ‘Het Oog’ Joekes weten dat het interview geen doorgang vindt omdat er ander nieuws is dat de voorrang krijgt. Joekes is ontstemd en spreekt van contractbreuk. In een daaropvolgende procedure stelt Joekes dat de NOS toerekenbaar tekort zou zijn geschoten in de naleving van een contractuele verplichting doordat het interview zonder geldige reden is afgezegd. Hierover oordeelt het Hof Amsterdam als volgt:

‘4.9. Gepaste consideratie met Joekes betekent niet dat de redactie diens belangen bij haar beslissing inzake de samenstelling van de uitzending van 4 mei 1993 moest laten prevaleren boven het belang van een optimale inhoud van het programma. Aan de redactie van een radioprogramma komt in beginsel de vrijheid toe om een uitzending naar eigen beleid en inzicht samen te stellen. Inherent aan een actualiteitenprogramma als ‘Het Oog’ is dat de inhoud pas op de dag van de uitzending definitief wordt vastgesteld. De omstandigheid dat tevoren al de toezegging tot medewerking van een bepaalde betrokkene is verkregen betekent, zoals gezegd, wel dat met de belangen van die betrokkene rekening moet worden gehouden, maar niet dat genoemde beleidsvrijheid is prijsgegeven in die zin dat het toegezegde item hoe dan ook een plaats in de uitzending moet krijgen.’

Noot: Mediaforum 1997-6. Dit oordeel is in cassatie in stand gebleven (HR 26 maart 1999, NJ 469)

Ook door de Raad van de Journalistiek is meermalen bepaald dat een redactie vrij is in haar selectie van nieuws waarbij zij haar keuze om niet tot publicatie over te gaan niet hoeft te verantwoorden. Dit is vastgelegd in de Leidraad van de Journalistiek onder het kopje ‘Uitgangspunten’:

Journalisten zijn vrij in de selectie van wat ze publiceren.

Dat was het geval in de klacht tegen NRC Handelsblad uit 2009. De krant was niet overgegaan tot publicatie van een ingezonden stuk over de kredietcrisis. Hoewel daartoe niet verplicht, had de krant de schrijver de reden vermeld waarom de stuk niet werd gepubliceerd. De schrijver klaagde daarover bij de Raad maar die wees de klacht af met verwijzing naar bovenstaand uitgangspunt.

Noot: Raad voor de Journalistiek, 26 februari 2010, nummer 2010/10 (Houbraken/NRC Handelsblad)  

Ook in de zaak tegen de NOS naar aanleiding van een klacht over de invalshoek van de berichtgeving over cannabis – de klager was van mening dat de NOS ten onrechte niet op zijn kritiek en argumenten over het item was ingegaan – wijst de Raad nog eens op de redactionele vrijheid:

Ten overvloede merkt de Raad op dat een redactie vrij is in haar selectie van nieuws. Het is aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Er bestaat geen journalistieke norm die meebrengt dat een (hoofd)redactie bij een publicatie over een bepaald onderwerp (alle) voor- en tegenstanders aan het woord dient te laten.

Noot: Raad voor de Journalistiek  27 februari 2006, 2006/13 (Polak/NOS-Journaal)

Deze beleidsvrijheid van een redactie is ook in meer recente rechtspraak bevestigd, onder andere in de zaak van een uitgever van tijdschriften over vastgoed. De uitgever kreeg van een vastgoedadviseur een infographic toegezonden waarin onder andere informatie over huurders was opgenomen. Bij nader inzien wenste de adviseur dat een andere infographic – zonder die informatie –  werd gebruikt maar dat weigerde de uitgever. De eerste infographic had voor de uitgever juist journalistieke meerwaarde. De rechtbank Amsterdam wees het gevorderde publicatieverbod af en oordeelde:

Wie informatie aanlevert aan een journalist zal er rekening mee moeten houden dat de journalist daarvan gebruikt wat hem in het kader van zijn artikel nuttig voorkomt en dat bijvoorbeeld eerdere en latere informatie gecombineerd kan worden. Dat is de journalistieke vrijheid van de journalist.

Noot: rechtbank Adam 4 maart 2014, 2014 ECLI:NL:RBAMS: 2014:1615

Toestemming niet intrekken
Voor de journalist geldt dus geen publicatieplicht maar het spiegelbeeld hiervan geldt wèl voor de geïnterviewde. Wie toestemming geeft om te worden geïnterviewd geeft daarmee óók toestemming voor publicatie van dat interview. Intrekking van een eenmaal gegeven toestemming is doorgaans niet mogelijk. Dit geldt echter niet als de publicatie in een ander medium of titel plaatsvindt dan was afgesproken. Als iemand voor een interview wordt gevraagd dat gepubliceerd wordt in de krant dan volgt daaruit niet automatisch toestemming voor publicatie in bijvoorbeeld een tijdschrift. Daar is aparte toestemming van de geïnterviewde voor nodig. De Leidraad vermeldt hierover onder andere het volgende: 

Wanneer journalisten iemand willen interviewen, informeren zij hem of haar zodanig over de aard van de publicatie, dat de te interviewen persoon voldoende geïnformeerd kan beslissen of hij of zij aan die publicatie wil meewerken.

Noot: Leidraad voor de Journalistiek onder B.1 Journalistieke werkwijze

Inzagerecht

Een belangrijke bron van conflict is het inzagerecht. Het is weliswaar gebruikelijk om een interview vooraf ter inzage te geven aan de geïnterviewde om feitelijke onjuistheden te corrigeren maar daaruit volgt géén correctierecht. Mensen willen een inzagerecht nog wel eens – wellicht bewust – ruim interpreteren. Dat werkt vooral ergernis en vertraging in de hand. Het duidelijk formuleren van de omvang van het inzagerecht kan dat voorkomen. In de Leidraad voor de Journalistiek staat het als volgt omschreven:

Journalisten die een artikel vooraf ter inzage geven aan degene over wie het artikel gaat – om feitelijke onjuistheden te corrigeren en om onduidelijkheden weg te nemen – zijn vrij te bepalen hoe zij op- en aanmerkingen in het artikel verwerken.

Noot: Leidraad voor de Journalistiek onder B.4 Afspraken

Een afspraak tot inzage van een interview of artikel levert dus geen correctierecht op en evenmin een instemmingsrecht. Dat was onder andere aan de orde in de zaak die in 2017 bij de Raad voorlag naar aanleiding van een artikel uit BN DeStem over een café in Geertruidenberg. De uitbaatster van dat café was in een jarenlange strijd met de gemeente verwikkeld over geluidsoverlast. Het artikel dat daarover in BN DeStem verscheen bevatte enkele citaten van de caféhoudster zoals ‘De gemeente heeft me kapotgemaakt’. In het artikel was ook informatie verwerkt die de journalist van de gemeente had verkregen, zo zou aan de caféhoudster een voorwaardelijke celstraf zijn opgelegd vanwege de geluidsovertredingen.

Bij de Raad klaagde de caféhoudster er onder andere over dat zij vóór publicatie de definitieve versie van het artikel niet had ontvangen en goedgekeurd. Naar eigen zeggen had zij aan de totstandkoming van het artikel meegewerkt onder de voorwaarde dat zij voorafgaand aan de publicatie het conceptstuk ter controle en verbetering toegezonden zou krijgen. Verder klaagde de caféhoudster erover dat de feitelijke onjuistheden gecorrigeerd hadden kunnen worden, als zij in de gelegenheid was gesteld om vooraf te reageren op de door de gemeente verstrekte informatie.

De krant benadrukte echter dat de inzage alleen betrekking had op het tekstdeel dat voor rekening van de caféhoudster zou komen. Verder is nadrukkelijk aan haar gemeld dat de gemeente nog zou worden gebeld zodat het journalistieke proces met hoor- en wederhoor zorgvuldig zou verlopen.

De krant kreeg van de Raad gelijk. Die oordeelde over de afspraak tot inzage onder andere het volgende:

Verder maakt de Raad uit de standpunten van partijen op dat er in ieder geval een afspraak bestond dat klaagster het artikel vóór publicatie mocht inzien en feitelijke onjuistheden mocht corrigeren. De verslaggever heeft zich daaraan gehouden. Daarbij merkt de Raad op dat de verslaggever niet gehouden was alle door klaagster voorgestelde wijzigingen over te nemen. Immers, de journalist die een artikel vooraf ter inzage geeft aan degene over wie het artikel gaat, is vrij te bepalen hoe hij eventuele op- en aanmerkingen in het artikel verwerkt. Dat de verslaggever daarna nog enige informatie van de gemeente aan het artikel heeft toegevoegd, maakt dit niet anders. Het conceptartikel en het uiteindelijke artikel wijken niet zodanig van elkaar af dat de verslaggever klaagster het uiteindelijke artikel nog had moeten laten inzien vóór publicatie. Aangezien in het artikel sprake was van vermelding van door de gemeente als feitelijke informatie verstrekte gegevens behoefde de verslaggever ook geen wederhoor bij klaagster toe te passen.

Noot: Raad voor de Journalistiek, 2017/46 (X tegen de hoofdredacteur van BN DeStem)

Als er een afspraak wordt gemaakt tot inzage dan dient die ook te worden nageleefd. Uit bovenstaande blijkt dat de inzage in ieder geval betrekking moet hebben op de passages die betrekking hebben op de geïnterviewde. Dat was onder andere aan de orde in de zaak over het boek “Bibeb – Biechtmoeder van Nederland”. De zoon van Bibeb had meegewerkt aan de totstandkoming van het boek, hoewel die medewerking heel stroef verliep. Meerdere keren trok de zoon zijn medewerking in om later toch weer in gesprek te gaan met de auteurs. Partijen hadden geen schriftelijke afspraken gemaakt over zijn medewerking maar hem mondeling toegezegd dat hij vooraf inzage zou krijgen. Nadat de auteurs het conceptmanuscript hadden toegezonden met het verzoek feitelijke onjuistheden te corrigeren liet de zoon hen weten het (voorlopig) niet te lezen. Vervolgens voegde de auteurs nog een hoofdstuk aan het boek toe getiteld ‘De Zoon’. Dat hoofdstuk werd niet aan hem voorgelegd. Daarover klaagde de zoon bij de Raad die de klacht honoreerde, de auteurs en de uitgever hadden journalistiek onzorgvuldig gehandeld:

Gelet op de mondelinge toezegging om klager vooraf de concepttekst ter inzage voor te leggen, had Querido bij de introductie van dit aparte hoofdstuk er dan ook niet van mogen uitgaan dat klager consequent zou handelen en van lezing zou afzien. Door dit hoofdstuk te publiceren zonder dat klager daarin vooraf inzage heeft gehad, hebben Akkermans, Menkhorst en uitgeverij Querido Fosfor journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dit klemt te meer, daar het duidelijk een voor klager zeer gevoelige materie betrof. Voor het overige was hun handelwijze zorgvuldig.

Noot: Raad voor de Journalistiek, 2018/25 ( W.W.F. Schaper tegen A. Akkermans, R. Menkhorst en uitgeverij Querido Fosfor)

Een afspraak tot inzage betekent niet alleen het toezenden van het concept maar op de journalist kan ook enige inspanningsverplichting rusten ten aanzien van het verkrijgen van een reactie van de geïnterviewde. Als er geen reactie komt op een toegezonden conceptstuk mag er niet automatisch vanuit worden gegaan dat de geïnterviewde daarop niets aan te merken heeft. Zeker niet als het gevoelige materie betreft. Dat blijkt onder andere uit een klacht die in 2013 aan de Raad werd voorgelegd en gegrond werd verklaard.

Het ging om een artikel dat op 18 juli 2012 in de krant Alphen.cc verscheen onder de kop “Hij móest aan haar zitten” met de onderkop “[X] werd jarenlang misbruikt in kindertehuis in Rijnstroom”. De vrouw over wie het artikel ging diende een klacht in bij de Raad omdat het artikel niet aan haar was voorgelegd. De vrouw wilde aanvankelijk niet meewerken aan het artikel waarop de journalist van Alphen.cc met het idee kwam dat het artikel pas gepubliceerd zou worden als de vrouw met de inhoud akkoord was. Onder die voorwaarden heeft zij toen ingestemd en haar medewerking aan het artikel verleend. De journalist hield echter niet zijn woord en publiceerde het verhaal zonder medeweten en instemming van de vrouw. Onzorgvuldig, zo oordeelt de Raad:

De Raad stelt voorop dat een journalist gemaakte afspraken behoort na te komen. Klaagster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met verweerder afspraken heeft gemaakt over de voorwaarden van publicatie van haar verhaal. Publicatie zou niet eerder plaatsvinden dan nadat klaagster akkoord zou zijn met de vorm en inhoud van het artikel. Door het verhaal van klaagster tegen de afspraak in toch te publiceren zonder dat zij daarin inzage heeft gehad, heeft verweerder derhalve journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld. Dat de journalist geen reactie kreeg op zijn e-mail waarbij het concept-artikel was verstuurd, ontsloeg hem niet van de verplichting telefonisch contact met klaagster te zoeken. Dit klemt te meer, daar het duidelijk een voor klaagster zeer gevoelige kwestie betreft.

Noot: Raad voor de Journalistiek, 2013/2 (X tegen de hoofdredacteur van Leidsch Dagblad/Alphen.cc

Off the record
Een journalist mag in beginsel alles gebruiken wat tijdens een interview wordt gezegd wordt, dat is de redactionele vrijheid die een journalist toekomt. Maar wat als iemand tijdens een interview zegt: ‘off the record’ en dan iets zeer interessants of nieuwswaardigs vertelt? Mag dat dan toch worden gepubliceerd? Als de journalist instemt met het ‘off the record’ doen van de uitspraak, dan is die daar ook aan gehouden. Maar de feitelijke omstandigheden kunnen nogal eens voor onduidelijkheid zorgen bij de vraag of de journalist heeft ingestemd met het ‘off the record’ blijven van een uitspraak. Met andere woorden: hebben beide partijen afgesproken dat de uitspraken van de geïnterviewden, vóórdat deze ze deed, ‘off the record’ zouden blijven? De praktijk blijkt nogal eens weerbarstig wat dat betreft.

Dat was onder andere het geval bij de leugen van Halbe Zijlstra over zijn aanwezigheid in de datsja van Poetin. In een interview in 2018 met Natalie Righton van de Volkskrant had Zijlstra, toenmalig minister van Buitenlandse zaken, toegegeven dat hij jarenlang had gelogen over zijn vermeende ontmoeting met Vladimir Poetin in diens datsja in 2006. Poetin zou daar hebben gezegd dat hij zijn zinnen had gezet op herstel van Groot Rusland. Maar Zijlstra was nooit in die datsja geweest en biechtte zijn leugen op aan Righton. Zijlstra hield echter vol dat de uitspraak van Poetin wel juist was. ‘Off the record’ vertelde hij aan Righton dat die informatie afkomstig was van voormalig Shell topman Jeroen van der Veer, wel aanwezig in de datsja. Zijlstra zei later dat hij de naam van Van der Veer had genoemd zodat de krant zijn lezing van de uitspraak van Poetin bij hem kon verifiëren. Hij had de naam van Van der Veer dus niet gegeven met de bedoeling die te publiceren. De Volkskrant deed dit later toch omwille van de waarheidsvinding. Zijlstra boos, hij had de informatie ‘off the record’ gegeven en mocht ervan uitgaan dat zijn bron niet zou worden onthuld. Een juist journalistiek uitgangspunt maar het mocht Zijlstra niet meer baten, hij moest aftreden als minister: gelogen over aanwezigheid en naar zeggen van Van der Veer had Zijlstra zijn lezing van de ontmoeting in de datsja ook nog verkeerd geïnterpreteerd. 

De handelswijze van De Volkskrant is nooit door een rechter of de Raad beoordeeld. Het is maar zeer de vraag of die juridisch overeind was gebleven. Over de ‘off the record’ afspraak met Zijlstra zei toenmalig hoofdredacteur van De Volkskrant Philippe Remarque later in het televisieprogramma van Eva Jinek: ‘Je doet als krant wel vaker zo’n belofte om achter de waarheid te komen’. De krant hield zich uiteindelijk niet aan zijn belofte omdat ze daarmee ‘een beetje de fuik van Halbe in’ zwom. Door belangrijke informatie ‘off the record’ te geven was het voor de krant kennelijk heel moeilijk de lezer feitelijk juist en adequaat te informeren over een belangrijke kwestie. De krant voelde zich daardoor genoodzaakt zich niet langer aan haar belofte te houden.   
Jinek afl. 31 d.d. 12 februari 2018

Bewijs van (on)juist citeren
Een ander heikel punt bij het journalistiek interview zijn citaten. Als een uitspraak tussen aanhalingstekens staat, dan wordt dat opgevat als de letterlijke weergave van wat de geïnterviewde heeft gezegd. Een citaat zonder aanhalingstekens kan niet worden beschouwd als een letterlijke weergave maar bevat wel de strekking van wat de geïnterviewde heeft gezegd. In beide gevallen kan het voorkomen dat de geïnterviewde hierover klaagt: het is niet zo gezegd of niet zo bedoeld. Moet de journalist dan bewijzen dat het wel zo is gezegd? De rechtspraak is daar niet eenduidig over.

In 1992 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat een journalist niet steeds bewijs heeft voor wat hij hoort en ziet, terwijl die informatie wel belangrijk kan zijn voor het publiek. Een journalist hoeft daarom niet wettig en overtuigend bewijs aan te dragen van hetgeen hij publiceert. Hoewel deze uitspraak niet specifiek over citaten gaat, geeft het wel richting voor de bewijslast die op een journalist rust. Hard bewijs is niet vereist.  

Noot: EHRM 25 juni 1992, Ars Aequi nr. 239 (T. Thorgeirson tegen IJsland)

Een paar jaar later oordeelde de Amsterdamse rechter echter dat de Volkskrant moest bewijzen dat toenmalig NOC*NSF-voorzitter Huibregtsen kroonprins Willem-Alexander een ‘judas, lafaard en saboteur’ had genoemd. De krant had deze woorden in een interview met Huibregtsen over de benoeming van de kroonprins tot lid van het Internationaal Olympisch Comité tussen aanhalingstekens gezet. Dat bracht naar het oordeel van de rechter mee dat het als een letterlijk citaat moest worden opgevat van wat Huibregtsen had gezegd:

Met Huibregtsen is de rechtbank van oordeel dat een uitspraak van hem slechts door het plaatsen van aanhalingstekens als een citaat kan worden aangegeven als het gaat om een letterlijke weergave van hetgeen hij tegen Van Wissen heeft gezegd. Door te citeren wordt immers iedere mogelijke nuancering van hetgeen volgens de publicatie door Huibregtsen is gezegd uitgesloten en krijgt de besbetreffende passage een authentiek karakter. Juist in een geval als het onderhavige, waarin degene die publiceert zich ervan bewust is, of in ieder geval bewust moet zijn, dat hetgeen als woorden van iemand wordt weergegeven beschadigend zal of kan zijn, hetzij voor de persoon wiens woorden men citeert, hetzij voor de persoon of personen over wier gedragingen wordt gesproken, komt aan de schrijver niet de vrijheid toe om redenen van leesbaarheid of om andere redenen in een als citaat aangegeven gedeelte van de publicatie iets op te nemen wat niet letterlijk door de persoon wiens woorden worden aangehaald is gezegd.

Huibregtsen ontkende dat hij kroonprins Willem-Alexander ‘judas, lafaard en saboteur’ had genoemd, waardoor de bewijslast hiervan bij de krant lag:

Nu vaststaat dat De Volkskrant c.s. de inhoud van het artikel niet ter verificatie aan Huibregtsen hebben voorgelegd en Huibregtsen de juistheid daarvan betwist dragen De Volkskrant c.s. in beginsel de bewijslast van de correcte weergave van de passages waarvan Huibregtsen heeft ontkend dat ze uit zijn mond zijn gekomen in het telefoongesprek.

En daar ging het fout. Journalist Hans van Wissen had tijdens het telefonische interview aantekeningen gemaakt (op de achterkant van twee bankafschriften) maar die aantekeningen waren ‘fragmentarisch’. Van Wissen had ter zitting erkend dat hij voor de citaten deels uit zijn geheugen had geput en vanwege de leesbaarheid zelf enige invulling aan de mededelingen van Huibregtsen had gegeven. Bewijs niet geleverd, oordeelde de rechter. Huibregtsen  won de zaak.

Noot: Rechtbank Amsterdam 28 oktober 1998, Mediaforum 1999-1 m.nt. G. Schuijt (Huibregtsen vs. de Volkskrant)

Hoewel van een journalist mag worden verwacht dat hij waarheidsgetrouw bericht, brengt dat niet automatisch mee dat naar de wettelijke regels van het bewijsrecht de bewijslast van juiste citaten op de journalist rust. Dat bleek in de zaak van de Amsterdamse taxichauffeur tegen Het Parool.

Op 6 juli 2012 had een journalist van Het Parool een aantal Amsterdamse taxichauffeurs geïnterviewd. Aanleiding daarvoor was een ongeval dat op 30 juni 2012 had plaatsgevonden: een 19-jarige vrouw, die van haar fiets op de rijbaan was gevallen, was aangereden door een taxi en ernstig gewond geraakt. De taxi was vervolgens doorgereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. In de krant van 7 juli 2012 verscheen daarover een artikel met de kop “Taxichauffeurs. Doorrijden na ongeluk leidt op taxistandplaatsen tot grote verschillen van mening. Het schorem komt ’s avonds”. In het artikel werd één van de geïnterviewde taxichauffeurs geciteerd, daarin kwam de volgende passages voor: “Maar je kunt ervan uitgaan dat het haar eigen schuld was” en “Als een vrouw tegen mij aanrijdt, waardoor ik schade heb en ze biedt haar excuses niet aan, dan mag ze op de grond liggen, maar dan schop ik haar gewoon in haar gezicht.”

De taxichauffeur daagde de krant voor de rechter omdat hij, naar eigen zeggen, onjuist was geciteerd. De rechtbank volgde de regels van de wet met betrekking tot de bewijslast: wie zich beroept op een rechtsgevolg draagt de bewijslast van de feiten die tot die conclusie leiden.  
De taxichauffeur stelde dat Het Parool onrechtmatig jegens hem had gehandeld – het rechtsgevolg – omdat hij onjuist was geciteerd – het feit. De bewijslast van die stelling, onjuist citeren, lag daarom bij de taxichauffeur, hij verbond er immers de conclusie aan dat Het Parool om die reden onrechtmatig had gehandeld. Maar bewijzen dat iets niet gezegd is, is onmogelijk. Dat betekent echter niet dat de bewijslast omdraait en de journalist zou moeten bewijzen dat het wel gezegd is. Het betekende volgens de rechter wèl dat de journalist voldoende aannemelijk moest maken dat de taxichauffeur deze gewraakte passages wel had gezegd. Tussen bewijzen en voldoende aannemelijk maken zit een wereld van verschil. De journalist in kwestie legde zijn notitieblok aan de rechter over, een verklaring van een omstander en zijn eigen verklaring van het gesprek. In het notitieblok had de journalist onder ander het volgende geschreven:

‘ik weet zeker dat het haar eigen schuld was. als ik haar had aangereden, was ik uitgestapt en had ik haar nog een schop in het gezicht gegeven. (…) schop als ik schade heb en geen excuses.’

De overgelegde bewijsstukken bleken voldoende, de rechter stelde de taxichauffeur in het ongelijk omdat hij niet kon bewijzen dat hij onjuist was geciteerd.
Noot: Rechtbank Amsterdam 1 mei 2013 en 19 maart 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2013:9741 en 2014:2407)

Boodschappersfunctie en verifiëren van uitspraken

Hetgeen een geïnterviewde zegt kan beledigend zijn voor anderen, onjuiste informatie bevatten of zelfs strafbaar zijn. Is de journalist dan gehouden om die uitspraken te verifiëren, nader onderzoek te doen of wederhoor toe te passen? Het antwoord op deze vraag, zoals zo vaak bij juridische kwesties, hangt af van de omstandigheden van het specifieke geval.

Een heel belangrijke omstandigheid, zo niet de belangrijkste, is de neutrale boodschappersfunctie van de journalist. Daarmee wordt bedoeld dat een journalist voldoende afstand moet nemen van uitlatingen of opvattingen die beledigend of strafbaar zijn. De journalist moet de uitspraken niet tot de zijnde maken want dan kan die daar zelf voor verantwoordelijk worden gehouden.

De boodschappersfunctie van de pers kwam bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens voor het eerst duidelijk naar voren in een zaak uit 1994. In een tv-programma had de Deense journalist Jersild een aantal skinheads aan het woord gelaten die racistische beledigingen hadden geuit. Jersild werd door de Deense rechter veroordeelt wegens medeplichtigheid aan die beledigingen en kreeg een boete opgelegd. Het Europese Hof was het daar niet mee eens: nieuwsverslaggeving gebaseerd op interviews is een van de belangrijkste middelen van de pers is om haar vitale rol als publieke waakhond te vervullen. Als een journalist wordt veroordeeld voor de uitingen van een ander in een interview dan wordt de bijdrage van de pers aan de discussie over zaken van publiek belang geschaad. De neutrale boodschapper mag dus niet gestraft worden.

Noot: EHRM 23 september 1994, NJ 1995, 387 (Jersild vs. Denmark)

Op basis van deze uitspraak werd in 1995 de journalist Eddy Schaafsma door het gerechtshof Leeuwarden vrijgesproken van smaad voor het interview met schrijver Graa Boomsma in het Nieuwsblad van het Noorden. In dat interview had Boomsma Indië-veteranen vergeleken met SS’ers. De journalist Schaafsma was daar niet voor verantwoordelijk, die deed – in de woorden van het hof – gewoon zijn werk als journalist.

Noot: Hof Leeuwarden 26 januari 1995, NJ 1995, 388

De boodschappersfunctie stond ook centraal in een meer recente uitspraak uit 2013 over een item uit het NOS-Journaal. In het nieuwsitem worden de ouders van een vermoorde man/vrouw aan het woord gelaten. De verdachte van die moord is dan inmiddels door de Hoge Raad vrijgesproken. Deze strafzaak wordt als voorbeeld gebruikt bij een item over een wijziging van de strafwet, de strafzaak zou dan anders zijn verlopen. De vrijgesproken verdachte vordert bij de rechter een uitzendverbod omdat de NOS onrechtmatig jegens hem zou handelen door de nabestaanden een podium te bieden om lasterlijke uitspraken over hem te doen en ongegronde associaties met het nieuwsitem – wijziging van de strafwet – te maken. De rechter gaat daar echter niet in mee en benadrukt de boodschappersrol van de NOS:

In deze zaak komt het evenwel niet aan op het oordeel of de eventuele uitlatingen van de familie van [A] jegens eiser onrechtmatig zijn, maar of het eventuele nieuwsitem van de NOS jegens hem onrechtmatig is. Daarom dient onderscheid te worden gemaakt tussen de nabestaanden als degenen die de gewraakte uitlating doen enerzijds en NOS, die de uitlating niet zelf doen maar die aan de familie daartoe een podium bieden anderzijds. Ook wanneer een uitlating door de familie van [A] jegens eiser als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd, betekent dit immers niet automatisch dat het uitzenden van een dergelijke uitspraak door gedaagden onrechtmatig jegens eiser is. Van belang daarbij is de wijze waarop de kwestie in de desbetreffende uitzending wordt gepresenteerd en verwoord, waarbij naast de inhoud en de context van de uitlatingen van de familie van [A] zelf, ook betekenis toekomt aan de verdere - door NOS gekozen - inhoud en de context van het item, hun journalistieke rol en de nieuwswaarde van het item.

Noot: Rechtbank Midden-Nederland 24 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6578

De boodschappersfunctie van de journalist brengt mee dat die niet zelf aansprakelijk wordt gehouden voor de uitspraken van derden. Zaak is wel, dat de journalist neutraal is, voldoende afstand neemt en de uitspraken niet tot ‘de zijne’ maakt. Dat ging een keer fout bij publicaties van het AD over kledingketen Cool Cat in 2014.

De krant had op haar website een aantal artikelen over Cool Cat gepubliceerd. In één van die artikelen werd de winkelketen in verband gebracht met uitbuiting en kinderarbeid in Bangladesh waarbij uitspraken van toenmalig minister Minister Ploumen van Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel werden gebruikt. Cool Cat stelde bij de rechter dat de artikelen onrechtmatig waren. De krant voerde als verweer dat de publicaties niet onrechtmatig zijn, omdat deze vrijwel geheel gebaseerd waren op uitlatingen van de minister. Die waren getrouw en correct weergegeven – hetgeen door de woordvoerder van de minister was bevestigd – en waarop een journalist moest kunnen afgaan zonder zelf nader uitgebreid onderzoek te hoeven doen, aldus de krant. Daar gaat de rechter niet helemaal in mee:

AD c.s. heeft terecht aangevoerd dat het haar vrij staat uitlatingen van een gezaghebbend ambtenaar/politicus te publiceren en ook dat zij in beginsel op die uitlatingen mag afgaan, waarbij slechts een beperkte onderzoeksplicht geldt. Dat neemt niet weg dat wanneer dergelijke uitingen ernstige beschuldigingen bevatten, de zorgvuldigheid zich ertegen kan verzetten dat de journalist deze uitlatingen als vaststaande feiten presenteert, zeker als daarbij geen wederhoor is toegepast. De journalist heeft daarin ook een eigen verantwoordelijkheid.

Het AD had volgens de rechter niet alleen onvoldoende afstand genomen van de uitingen van de minister maar er zelfs een schepje bovenop gedaan door de woorden ‘kinderarbeid’ en ‘instortende fabrieken’ aan de uitspraken toe te voegen. Verder was bij het artikel een foto geplaats van een fabriek in Birma van zeer jonge meisjes die in een naaiatelier aan het werk zijn, terwijl Cool Cat met de fabriek noch het land iets te maken had. De rechter nam het de krant ook kwalijk dat de winkelketen niet in de gelegenheid was gesteld tot het geven van een weerwoord. Het enkel inspreken van een voicemailbericht op de late zondagmiddag was onvoldoende vond de rechter. De krant werd veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie.

Noot: Rechtbank Amsterdam 11 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:526

Verifiëren uitspraken

In 2019 speelde twee zaken bij de Raad over klachten naar aanleiding van persoonlijke verhalen. Een betrof een publicatie in de Groene Amsterdammer, de ander een publicatie op de website Boerderij. Derden klaagden erover dat zij niet gehoord waren naar aanleiding van uitspraken van de geïnterviewden. In beide gevallen kwam de Raad tot het oordeel dat de publicaties duidelijk het persoonlijk verhaal van de geïnterviewden betroffen en hun visie over het onderwerp van gesprek. De journalisten hoefden daarom geen wederhoor toe te passen of de uitspraken van de geïnterviewden te verifiëren, temeer omdat die geen zware beschuldigingen aan het adres van de respectievelijke klagers bevatten.
Noot: Raad voor Journalistiek 2019/43 (familie x tegen hoofdredacteur van Boerderij) en
           2019/49 (Buurtcentrum De Mussen tegen hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer)

Suggestieve vraagstelling
Niet alleen de uitspraken van geïnterviewde zijn aanleiding voor klachten en rechtszaken, ook de vraagstelling van de journalist wil nog wel eens tot problemen leiden. Dat speelde onder andere in de zaak van freelance journalist Peter Olsthoorn. Jarenlang deed Olsthoorn onderzoek naar de werkwijze van het telecombedrijf Pretium en haar banden met fondsenwerver Delphi. Daarvoor interviewde Olsthoorn verschillende instanties en organisaties. Pretium en Delphi vonden dat Olsthoorn hen stalkte en door uitlokking belastend materiaal over hen probeerde te vergaren. De in hun ogen suggestieve vraagstelling van Olsthoorn zou onrechtmatig zijn, maar daar ging de rechter niet in mee. De rechter oordeelde dat:

Tijdens een interview in beginsel ook een kritische, prikkelende, controversiële, suggestieve of negatief ingeklede vraagstelling is toegestaan. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens omvat de uitingsvrijheid immers ook uitingen “that offend, shock or disturb”, terwijl de pers verder tot op zekere hoogte ook mag overdrijven of provoceren. Daarbij moet wel worden aangenomen dat het ook tijdens een interview in beginsel niet is toegestaan om ongefundeerde feitelijke beschuldigingen te uiten, en dat ook in dat geval heeft te gelden dat hoe ernstiger de beschuldiging is, des te meer deze moet zijn gegrond in voorhanden feitenmateriaal.

Noot: Rechtbank Den Haag 24 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1664

Samenvattend
Het journalistiek interview is een overeenkomst. Over de rechten en verplichtingen van zowel journalist als geïnterviewde kunnen afspraken worden gemaakt die vervolgens ook echt moeten worden nagekomen. Zegt de journalist inzage toe, dan moet dat ook (tijdig) worden gegeven. Aanpassingen of correcties mogen door de journalist naar eigen inzicht worden verwerkt of achterwege worden gelaten. De geïnterviewde heeft geen recht op publicatie van het interview, anderzijds behelst medewerking aan een interview ook toestemming voor publicatie daarvan. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan de geïnterviewde achteraf zijn toestemming intrekken. Off the record uitspraken zijn ook echt off the record. Hoewel een journalist doorgaans naar de wettelijke regels van het bewijsrecht geen bewijslast draagt van de citaten van een geïnterviewde, is het verstandig aantekeningen van het interview te bewaren voor het geval dat bewijs van het gezegde toch nodig blijkt te zijn. Een journalist die de neutrale rol van boodschapper goed vervuld, zal niet aansprakelijk zijn voor uitspraken van de geïnterviewde of derden. Neemt de journalist te weinig afstand daarvan dan kan die wel verantwoordelijk worden gehouden voor de uitspraken en de gevolgen daarvan. Een onderzoeksplicht of het toepassen van wederhoor voor uitspraken van de geïnterviewden gelden in beginsel niet. Dat is kan anders zijn als het ernstige beschuldigingen betreft. Tijdens een interview is het de journalist in beginsel niet is toegestaan om ongefundeerde feitelijke beschuldigingen te uiten, maar een kritische, prikkelende, controversiële, suggestieve of negatief ingeklede vraagstelling is wel toegestaan.


Heb je rechtshulp nodig bij een journalistieke publicatie? Bel gratis een jurist van Balie Persvrijheid via 020 - 30 39 791. Klik hier voor meer informatie.