Onderzoeksplicht

 

Van een journalist wordt verwacht dat er zorgvuldig onderzoek naar de feiten wordt gedaan. Daarbij hoeft echter geen overtuigend bewijs geleverd te worden. De feiten hoeven, anders dan in het strafrecht, niet vast te staan. Dat wat de journalist publiceert moet aannemelijk worden gemaakt. Die beoordeling (is het aannemelijk wat is geschreven) wordt gedaan aan de hand van het op dat moment, dus het moment van publicatie, beschikbare feitenmateriaal. Indien er later andere informatie boven water komt, betekent dat niet dat de oorspronkelijke publicatie onrechtmatig wordt.

Daarnaast speelt ook de ernst van de beschuldiging een rol. Hoe ernstiger de beschuldiging, hoe zorgvuldiger het journalistieke onderzoek dient te zijn. Gaat het echter om zeer actuele misstanden waarover op zeer korte termijn moet worden gepubliceerd (pressing social need), dan is er minder ruimte voor zelfstandig diepgaand onderzoek. Dat is dan doorgaans ook niet vereist, zo blijkt uit de rechtspraak. Waar precies de grens ligt tussen gefundeerde berichtgeving en ongefundeerde aantijgingen is niet altijd makkelijk te stellen. Op grond van de jurisprudentie is het moeilijk in het algemeen aan te geven welke grondslag voor een bepaalde aantijging voldoende is. De onderzoeksplicht geldt ook ten aanzien van uitlatingen van informatiebronnen, tenzij het informatie betreft die vanwege een officiële instantie wordt verstrekt zoals politie of ministerie.

Soms is onderzoek naar de betrouwbaarheid van de bron nodig. Is de informant een gezaghebbend persoon of is de informatiebron afkomstig van een gezaghebbend orgaan, dan kan dat ertoe leiden dat een journalist mag afgaan op hetgeen deze bron zegt. Wanneer het doen van nader onderzoek niet mogelijk is, kan het betrachten van afstand ten aanzien van de (betrouwbaarheid van de) verkregen informatie ertoe bijdragen dat de uiting niet onrechtmatig is.


Standaard arrest Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Bladet Tromsø uit 1999

Een lokale Noorse krant Bladet Tromsø publiceert in 1988 een aantal artikelen over de zeehondenjacht. Een van die artikelen is een interview met een inspecteur van de overheid die mee is gevaren op een schip voor zeehondenjacht. In dat interview meldt hij dat sommige leden van de bemanning de nodige regels voor de zeehondenjacht hebben overtreden. De inspecteur schrijft daarover een rapport maar dat wordt nooit openbaar gemaakt omdat er beschuldigingen instaan van strafbare feiten. De Bladet Tromsø heeft echter een kopie in handen gekregen en publiceert een aantal artikelen over de misstanden. De krant publiceert vervolgens het hele rapport, waarbij het wel de namen van betreffende bemanningsleden heeft weggelakt. Door de publicaties nam in Noorwegen de discussie over de zeehondenjacht weer toe. De bemanningsleden van het betreffende schip spanden met succes een proces aan tegen de krant. Zij vonden dat de krant de beschuldigingen die in het rapport staan had moeten onderzoeken. Een overheidscommissie was namelijk tot de conclusie gekomen dat de meeste beschuldigingen uit het rapport niet hard zijn gemaakt. De Noorse rechter veroordeelde de krant tot een forse schadevergoeding. Het Europees Hof vindt dat echter een te ver gaande beperking van de persvrijheid. Het Hof zegt dat de krant de beschuldigingen niet eerst zelf had hoeven te onderzoeken want deze stonden in een officieel overheidsrapport. De pers mag vertrouwen op de juistheid van de inhoud van rapporten van de overheid.


Overige uitspraken

Pedersen en Baadsgaard uit 2004

Deze Deense journalisten hadden in een televisiedocumentaire aandacht besteed aan een tien jaar oude moordzaak waarin diverse fouten waren gemaakt. In de documentaire insinueerde de journalisten dat de hoofdcommissaris van politie ontlastend bewijsmateriaal had laten verdwijnen; een ambtsmisdrijf waar een hoge gevangenisstraf op stond. De Deense rechter veroordeelde de journalisten tot het betalen van een forse schadevergoeding wegens smaad. Die beslissing bleef uiteindelijk bij de Europese rechter overeind; journalisten moeten ter goeder trouw handelen en zijn gebonden aan beroepsnormen. Dit betekent dat journalisten berichten op basis van afdoende nauwkeurig en betrouwbaar feitelijk onderzoek dat proportioneel  is voor de aard en ernst van de geuite beschuldigingen. Daarbij is een gegeven dat hoe ernstiger de aantijging hoe meer solide de feitelijke basis moet zijn.


Heb je rechtshulp nodig bij een journalistieke publicatie? Bel gratis een jurist van Balie Persvrijheid via 020 - 30 39 791. Klik hier voor meer informatie.