Notitie Algemeen Arbeidsvoorwaardenbeleid NVJ 2020

Gelijk werk en gelijke beloning, ongeacht de arbeidsrechtelijke positie

Inleiding

De NVJ zet zich in om, als beroepsvereniging en belangenbehartiger, zeker te stellen dat (foto)journalisten voldoende bestaanszekerheid hebben om onafhankelijk hun vak uit te kunnen uitoefenen. De NVJ strijdt voor behoud van journalistieke kernwaarden als onafhankelijkheid, betrouwbaarheid, creativiteit en diepgang.
Journalistiek vakmanschap is alleen mogelijk als daar een behoorlijk beloning tegenover staat. Journalisten verdienen waardering en respect en mogen niet worden gereduceerd tot kostenpost. De NVJ kiest voor een integrale benadering van de arbeidsmarkt, waarbij goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap niet los van elkaar kunnen worden gezien.
Speerpunten zijn goede lonen en arbeidsvoorwaarden voor journalisten in loondienst en daarvan afgeleide goede normtarieven voor journalisten die in opdracht werken. Als in opdracht wordt gewerkt moet er sprake zijn van een gelijk speelveld, waar opdrachtgever en opdrachtnemer als gelijkwaardige partners kunnen onderhandelen over tarieven en leveringsvoorwaarden en elkaars positie erkennen en respecteren.

Vakmanschap

De kwaliteit van het journalistieke werk staat onder druk. Journalisten wordt gevraagd op elk moment van de dag voor alle platformen te produceren, waarbij de verantwoordelijkheid toeneemt.
De journalistieke meerwaarde en geloofwaardigheid is alleen te waarborgen als journalisten voldoende tijd en (financiële) middelen krijgen om hun vakmanschap inhoud te geven. Dat geldt voor starters die de ruimte moeten krijgen om het vak in de praktijk te leren, voor zelfstandigen die een vaak cruciale bijdrage leveren aan het eindproduct en ook voor ervaren journalisten op de vaste redactie die zich moeten kunnen blijven ontwikkelen. Het is van belang te blijven investeren in vakmanschap en professionaliteit zodat een ook in ethisch opzicht hoogstaande beroepspraktijk blijft bestaan.

Gelijk speelveld

Met de campagne ‘(Foto)Journalistiek heeft een prijs’ (FJHEP) hebben we het bewustzijn vergroot dat journalisten fatsoenlijk betaald moeten worden om goed hun werk te kunnen doen. De benarde financiële positie van veel journalisten is op de agenda gekomen, bij de beroepsgroep, bij mediabedrijven en bij de politiek. In 2020 gaan we door met de campagne FJHEP en blijven we strijden voor een gelijk speelveld. De recente uitspraak (1 november 2019) in de zaak van twee zelfstandigen tegen DPG Media waarbij de rechter oordeelde dat hun tarieven met 50 procent dienen te worden verhoogd, is daarbij een grote steun in de rug.

Nu is het zaak voort te bouwen op onze meersporenbenadering (cao-onderhandelingen, in gesprek gaan met grote opdrachtgevers, het betrekken van redacties en medezeggenschap, aanspreken van politiek en publiek en empowerment van onze freelance leden) en stappen te zetten om de kloof in beloning tussen journalisten die wel en niet in loondienst zijn te dichten. Het uitgangspunt van de NVJ is dat journalisten voor gelijk werk een gelijke beloning dienen te ontvangen, ongeacht hun arbeidsrechtelijke positie.

De praktijk is anders. In journalistieke organisaties bestaan grote verschillen tussen de beloning van journalisten in loondienst en hun collega’s die er in opdracht werken. Velen
van hen verrichten exact dezelfde journalistieke werkzaamheden als hun collega’s in vaste dienst, vaak ook met een structureel karakter, maar tegen veel slechtere beloning en voorwaarden. Om uitholling van cao-afspraken te voorkomen is het uitgangspunt van de NVJ dat structureel werk binnen redacties wordt gedaan door journalisten die onder een journalistieke cao vallen en dat incidenteel, specialistisch of specifiek freelancewerk tegen vergelijkbare voorwaarden wordt beloond.

Werkgevers die journalisten in vaste dienst vervangen door opdrachtnemers, verleggen hiermee risico’s naar de zelfstandig werkende journalist zonder daarvoor de lasten te dragen. Opdrachtnemers lopen meer risico en zouden daarom een 50 procent hoger uurtarief moeten krijgen dan journalisten in loondienst om zaken te kunnen regelen die voor journalisten met een vast dienstverband collectief zijn geregeld, zoals pensioen of een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. De NVJ constateert dat het tegendeel echter het geval is, waardoor het vergroten van de flexibele schil voor mediabedrijven een beproefde methode is geworden om loonkosten te verlagen. Bijna 40 procent van de zelfstandige journalisten geeft aan niet van hun werk te kunnen leven. De NVJ zet zich in voor journalistiek werk dat bestaanszekerheid biedt en waarmee de journalist toegang heeft tot sociale zekerheid.

Opdrachtnemers

Binnen de groep opdrachtnemers in de journalistiek bestaan grote verschillen. Zo zijn er zelfstandigen die er in slagen een goed inkomen te verwerven. Daarnaast is er een
middengroep die qua beloning achterblijft bij collega’s met een dienstverband, maar er zijn ook laagbetaalden die nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden, zoals blijkt uit de jaarlijkse freelance-monitor van de NVJ.
Een deel van de groep opdrachtnemers bestaat uit schijnzelfstandigen die tegen wil en dank in een onzeker freelancebestaan zijn beland. Vaak gaat het om journalisten die na een reorganisatie via een draaideurconstructie als opdrachtnemer bij hun voormalige werkgever aan de slag zijn gegaan tegen sterk verslechterde arbeidsvoorwaarden.

Grote mediabedrijven en -organisaties hebben zoveel marktmacht dat er vaak weinig te onderhandelen valt over tarieven en voorwaarden. Als die eenzijdig worden verlaagd of verslechterd, blijkt telkens weer dat individuele opdrachtnemers daar weinig tegen kunnen doen. Ze staan voor de keus om te stoppen of het inkomensverlies morrend te accepteren. Liefde voor het vak geeft dan vaak de doorslag, de makke van ‘atypische werkers’. Angst om de relatie met de opdrachtgever op het spel te zetten is een andere belangrijke factor, of het gebrek aan alternatieve opdrachtgevers.

Tot nu toe lukt het nauwelijks om met werkgevers/opdrachtgevers tot collectieve afspraken te komen om de race to the bottom te stoppen. Zij zien, uitzonderingen daargelaten, de huidige praktijk met steeds verder afkalvende tarieven en onzekerheid voor journalisten over werk en inkomen niet als hun probleem.

Schijnconstructies/payrolling

De NVJ wil ontduiking van de cao via schijnconstructies, waarbij vast journalistiek werk wordt ingevuld door flexibel werkende journalisten zonder arbeidscontract, voorkomen. Dit vraagt om heldere en controleerbare cao-afspraken over het thema gelijk speelveld waarbij werkgevers/opdrachtgevers beter aangesproken kunnen worden op hun verantwoordelijkheden.

De NVJ is tegen payrollconstructies omdat werkgevers daarmee hun verantwoordelijkheid afschuiven en cao-afspraken omzeilen. Alleen voor piek en ziek-gevallen zijn uitzendconstructies aanvaardbaar. Deze zijn dus per definitie tijdelijk en kunnen dus nooit meer dan 5 procent van de totale personeelsinzet belopen.
Om schijnzelfstandigheid te voorkomen stellen we de volgende cao-bepaling voor: “Om ondermijning van de cao te voorkomen spreken partijen af dat er altijd sprake zal zijn van vergelijkbare/gelijke beloning voor vergelijkbaar werk, ongeacht de vorm van het contract. Dit uitgangspunt moet op ondernemings- en redactieniveau te toetsen zijn door de medezeggenschapsorganen (ondernemingsraad, redactieraad, redactiecommissie). De uitgeverij /werkgever verplicht zich om jaarlijks een overzicht te verschaffen aan de medezeggenschap (geanonimiseerd) van de gehanteerde contracten (payroll/freelance/anderszins) en daarbij betaalde beloningen, omgerekend naar
uurtarieven”

Collectieve afspraken voor zelfstandigen

Er is een spanningsveld tussen de uitdrukkelijke mogelijkheid om afspraken te maken voor zelfstandigen in het cao-recht en het mededingingsrecht dat collectieve (prijs)afspraken door en voor zelfstandigen in de weg staat. In de Europese mededingingsrichtlijn gaat het om de huidige interpretatie van het begrip ‘undertaking’, waarbij een zzp’ers evenzeer als
onderneming wordt beschouwd als een multinational en een onderhandelingsvrijheid en - macht wordt toegedicht die in de praktijk nauwelijks bestaat. Het zal intensief lobbywerk
vergen, in samenwerking met de EFJ, om de richtlijn aan te vullen met een andere uitleg van het begrip úndertaking’of een uitzonderingspositie voor zzp’ers.

Het is voor de NVJ belangrijk om aan te haken bij initiatieven in de culturele sector waarbij de politiek samen met de sector en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) bekijkt hoe de onderhandelingspositie voor zelfstandigen kan worden verbeterd, bijvoorbeeld door het opstellen van een code goed opdrachtgeverschap.
Ook waar het ‘schijnzelfstandigheid’ betreft zijn er mogelijkheden. Het gaat dan om de zogenaamde zij-aan-zij-werkers, zelfstandigen die binnen redacties voor een uurtarief werken, bijvoorbeeld als eindredacteur of vormgever.

‘Social dumping’ blijft een belangrijk argument om aan de cao-tafel te kunnen spreken over tarieven van journalistieke collega’s die niet in loondienst zijn. Om ‘social dumping’ te
voorkomen kan een vakorganisatie namelijk in het belang van medewerkers die onder de cao vallen, optreden en zijn uitzonderingen mogelijk op de strikte mededingingsregels. Het ontbreken van minimumtarieven in cao’s en het toepassen van laag ‘stukloon’ (woordprijzen) binnen de journalistiek kan leiden tot ‘social dumping’. Om vast te stellen of dat het geval is
en zo ja in welke mate is het nodig de huidige situatie (ook cijfermatig) goed te blijven
volgen. Ook ligt er een verantwoordelijkheid bij de freelancecollega’s zelf om extreem lage tarieven niet langer te accepteren.
De architecten-cao biedt mogelijk een oplossing om ondermijning van de cao aan te pakken, die ook voor de journalistiek gebruikt zou kunnen worden (zie toevoeging onderaan*)
Naast gesprekken op sectorniveau blijft het ook uitermate belangrijk zichtbaar te blijven in politiek Den Haag als gesproken wordt over vernieuwing van de wet- en regelgeving inzake de arbeidsmarkt om aan de onduidelijke positie van zzp’ers een eind te maken.

Internationaal zijn er al goede voorbeelden waar het collectief onderhandelen voor opdrachtnemers betreft. Zo heeft de Ierse Journalisten Bond NUJ het argument aangevoerd dat het verbod op prijsafspraken is bedoeld om de consument te beschermen. Maar van het afknijpen van freelancetarieven door uitgevers wordt geen consument wijzer. De producten worden er niet goedkoper en niet beter door. Door de lobby daarop te richten wist NUJ te bereiken dat het Ierse parlement besloot dat een collectieve regeling voor zelfstandigen mogelijk moest zijn. De wet is gewijzigd.

Op Europees niveau wordt gelobbyd voor de situatie van ‘atypische werkers in het culturele veld waartoe, naast kunstenaars, ook journalisten behoren. De EU geeft de mogelijkheid afspraken te maken ten behoeve van deze werkers via het social charter - artikel 6-. Maar het is een aanbeveling, nog geen richtlijn. Er zal nog veel (lobby)werk verzet moeten worden voordat er adequate wetgeving is.

De ETUC (European Trade Union Confederation) lobbyt op dit moment voor het opnemen van zelfstandigen in de Europese richtlijn voor fundamentele rechten. Eigenlijk zijn we, wat atypische zelfstandigen in de journalistiek betreft, terug aan het begin van de twintigste eeuw. Ook al koesteren journalisten hun zelfstandige status als het gaat om onafhankelijke berichtgeving, het lijkt verstandig de beroepsopvatting te scheiden van de situatie op de arbeidsmarkt.

Voorbeeldtarieven en code goed opdrachtgeverschap

Basistarieven die zijn afgeleid van de loonschalen uit de cao kunnen helpen de onderhandelingspositie van opdrachtnemers te verbeteren. Die tarieven moeten ruimte bieden om pensioen op te bouwen, een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid af te sluiten en aan scholing te doen. De NVJ verzet zich tegen contracten met onredelijke voorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van auteursrechten.

Journalistiek werk dat door zelfstandigen wordt verricht dient op een wijze beloond te worden die zelfstandigen in staat stelt een behoorlijk inkomen te bereiken. De NVJ vindt dat voor starters een uurtarief van 40 euro per uur een redelijke ondergrens is, in relatie tot de waardering van journalisten in loondienst. Voor ervaren journalisten zou dat minstens 60 euro per uur moeten zijn en voor zeer ervaren journalisten 80 euro per uur. Voor fotojournalisten is een hoger tarief noodzakelijk omdat zij hoge investeringskosten hebben. Daarbij is het ook van belang dat zelfstandigen zelf, daar waar mogelijk, deze tarieven meer gaan uitdragen en niet langer ondermaatse woord-, foto- of uurprijzen accepteren. Solidair als collega’s een lijn trekken is, samen met de inspanningen van de NVJ op collectief niveau
en principiële rechtszaken, de enige wijze om de stand én ontwikkeling van het vak op peil te houden.

Looneis

Verbetering van de koopkracht blijft het uitgangpunt. Daar is ook in de journalistiek weer ruimte voor, zij het niet over de hele linie in gelijke mate. We zien dat bij verschillende mediabedrijven goede rendementen worden behaald en volop wordt geïnvesteerd.

Dat betekent dat er na jaren van loonmatiging, naast inflatiecorrectie ruimte dient te zijn voor verbetering van de salarissen en tarieven. We gaan daarbij net als de FNV uit van een looneis van inflatie en daarboven 2,5 procent.

De NVJ wil een deel van de beschikbare loonruimte benutten om de positie van journalisten die niet in loondienst zijn te verbeteren. Dat betekent dus dat de NVJ aan de cao-tafels afspraken op maat wil maken om de positie en de tarieven van deze collega’s te verbeteren.

Gelijke beloning blijft een thema, niet alleen voor freelance en loondienst, maar ook voor man en vrouw, print en digitaal en jong/starter en meer ervaren.
Jonge, startende journalisten en collega’s halverwege hun carrière ervaren soms onverklaarbare verschillen in beloning, bijvoorbeeld omdat redacties andere tarieven hanteren voor journalisten die nog studeren of net afgestudeerd zijn, terwijl zij vergelijkbaar werk doen als meer ervaren collega's. Of omdat de functie-omschrijving geen recht doet aan de verschillende taken en vaardigheden die van hen verwacht worden. Veel (jonge) journalisten stromen in op functies waarvan de zwaarte niet tot uitdrukking komt in de functie-omschrijving en inschaling. Ze werken bijvoorbeeld op een internetredactie waar ze als redacteur maar ook als videojournalist werken, maar worden ingeschaald als junior redacteur, terwijl hun takenpakket veel breder en veelomvattender is. Er moeten functie- omschrijvingen komen die recht doen aan deze nieuwe journalistieke realiteit.

Organizing

We zullen als NVJ stevig moeten investeren om binnen bedrijven en sectoren een vitaal netwerk op te bouwen om onze agenda vanuit kracht te kunnen realiseren. Het is tot dusver bijzonder lastig gebleken om bij cao-onderhandelingen tot afspraken te komen over zelfstandigen, maar dat blijft onze ambitie. Het is erg belangrijk is om de achterban te
activeren en mobiliseren. Het vervolg op de succesvolle campagne ‘Fotojournalistiek heeft een prijs’ is daarvoor een belangrijk leertraject.
We blijven investeren in organizing. Dat is een vorm van belangenbehartiging waarbij de NVJ journalisten helpt zichzelf te organiseren rondom diepgevoelde en breedgedragen wensen, met als doel die wensen te realiseren. We streven ernaar door dit grassroots-werk een hogere organisatiegraad op te bouwen, om te beginnen in enkele bedrijven.

Werkdruk

Mediabedrijven hebben structurele omzetdalingen vooral beantwoord met kostenbesparingsprogramma’s, waarbij vaste banen zijn verdwenen of zijn ingeruild voor flexwerk, terwijl de eisen die aan redacties worden gesteld juist zijn toegenomen. Zo moet er
op elk moment van de dag, op meerdere platformen en met meerdere technieken, geproduceerd worden.

Kleinere redacties moeten meer doen en meer verschillende taken uitvoeren, waarbij de complexere klussen vaak op het bordje komen van de vaste mensen. Dat leidt tot een giftige cocktail van stress, onzekerheid en hoge werkdruk. Volgens een recentelijk door de NVJ breed uitgezette enquête blijkt dat de werkdruk de afgelopen jaren flink is toegenomen.
Uit onderzoek is bekend hoe ongezond een hoge werkdruk is en wat de impact is op het individu, maar ook op de prestaties van een redactie. Het is ook in het belang van mediabedrijven om oog te hebben voor deze problematiek en er iets tegen te doen.
Maatschappelijk gezien betekent hoge werkdruk meer kosten voor sociale voorzieningen en gezondheidszorg. Zo leidt het afwentelen van de verantwoordelijkheid van de mediawerkgevers tot hogere kosten voor de samenleving en dus de belastingbetaler.
Wij willen specifiek op redacties een breed onderzoek naar de ervaren werkstress dat moet leiden tot aanbevelingen op maat om deze het hoofd te bieden. Werkdruk is en blijft een thema aan de cao-tafel en voor de journalistieke medezeggenschap.

Veiligheid

In de zomer van 2018 heeft de NVJ met het Genootschap van hoofdredacteuren , de politie en het Openbaar Ministerie in een convenant afspraken gemaakt over de verbetering van veiligheid voor journalisten. In dit convenant zijn specifieke ambities opgenomen voor de journalistieke beroepsgroep, die ervoor moeten zorgen dat er binnen de redacties en
mediabedrijven meer preventief wordt opgetreden t.a.v. veiligheidsrisico’s voor journalisten. Inmiddels is het project Persveilig begonnen.
In de cao kunnen deze afspraken (onder andere op het gebied van opleiding, informatievoorziening, preventiemaatregelen etc.) een vaste plaats krijgen, zodat er bij redacties middelen en kaders beschikbaar zijn om hier inhoud aan te geven.

Duurzame inzetbaarheid, voor jong en oud

De NVJ wil een deel van de loonruimte inzetten voor duurzame inzetbaarheid. Leeftijdsbewust personeelsbeleid kan journalisten helpen een gezonde balans te vinden tussen werk en vrije tijd, zodat ze op een gezonde manier hun pensioen kunnen halen. Met leeftijdsbewust personeelsbeleid, kunnen ouderen langer gezond aan het werk blijven en kennis overdragen op jonge journalisten.

Jonge journalisten zitten bij veel bedrijven lang in onzekere tijdelijke contracten of verkapte dienstverbanden (payroll/schijnzelfstandigheid). Daarmee wordt er onvoldoende geïnvesteerd in de nieuwe generatie journalisten, die als eerste het slachtoffer zijn bij reorganisaties.
Jong-voor-oud-regelingen zijn een beproefde methode om redacties voorzien van nieuw bloed. Door 60-plussers met arrangementen (generatiepact of variaties daarop) korter te laten werken kunnen jongeren de vrijkomende ruimte invullen.

De effectiviteit van werkervaringsplaatsen moet worden bekeken. Van de jonge journalisten die via instroomprojecten werkervaring opdoen, stroomt ongeveer de helft door naar een vaste baan. De NVJ wil afspraken maken waardoor dat percentage omhoog gaat. Bij de
instroomprojecten en contracten voor jonge journalisten hoort ook een volwaardig trainee- programma, zodat bedrijven ook laten zien inhoudelijk te willen investeren in een nieuwe generatie journalisten.

Stages

Vergoedingen voor stages moeten in de sector naar een niveau, die recht doet aan de inzet die tijdens de stage gevraagd wordt. Ook reiskosten en overuren moeten gecompenseerd worden, om een stage voor iedere jonge journalist mogelijk te maken.
Daarbij moeten stages altijd een educatief karakter hebben. Stageplekken zijn een kans voor jonge journalisten om het vak te leren, en geen vervanging van een volwaardige werknemer. Een redactie zou niet afhankelijk moeten zijn van de inzet van stagiaires.
De NVJ wijst daarom (vervolg)stages zonder educatief doel af omdat die in feite een vorm van werken onder het wettelijk minimumloon zijn en daarmee de cao wordt omzeild.

Opleidingen

Voor journalisten van alle leeftijden geldt dat er voldoende gelegenheid moet zijn om opleidingen te volgen onder werktijd en goede mogelijkheden om werk en privé te combineren. De NVJ wil harde controleerbare afspraken maken over (persoonlijke) opleidingsbudgetten.
Het is goed als werknemers een deel van hun arbeidsvoorwaarden kunnen afstemmen op hun persoonlijke behoeftes, bijvoorbeeld via een persoonlijk keuzebudget. De NVJ streeft verder naar ruimere regelingen voor mantelzorg dan wettelijk is vastgelegd.

Medezeggenschap

Het is belangrijk dat journalisten invloed uitoefenen op het beleid van redacties en mediabedrijven via de verschillende inspraakorganen en dat ze daarvoor de nodige tijd en ruimte krijgen. De NVJ probeert de positie van de medezeggenschap te versterken. met name binnen de omroep wordt de stem van de programmamakers onvoldoende gehoord. Ook inspraak voor zelfstandigen is nog niet goed geregeld binnen de redacties, terwijl zij vaak een groot deel van het werk doen.
Onder andere via cao-afspraken wil de NVJ zich inzetten om de stem van de freelancemakers en programmamakers een volwaardige plek te geven in de journalistieke medezeggenschap.

Pensioen

De NVJ zet zich in voor goede pensioenregelingen voor iedereen die werkt in de journalistiek, waarin sprake is van solidariteit en collectieve risicodeling. Cao's voor journalisten dienen een stevige pensioenparagraaf te bevatten, met minimumnormen voor het budget dat werkgevers en werknemers over hebben voor pensioenregelingen van journalisten. Tarieven voor journalistiek werk moeten het mogelijk maken om pensioen op te bouwen.
Veel zelfstandigen zouden graag vanuit hun inkomsten aanvullend pensioen willen opbouwen of een betaalbare arbeidsongeschikheidsverzekering willen afsluiten. De freelancetarieven dienen daarvoor ruimte te geven.
Wat dat eerste betreft heeft het de voorkeur om aan te kunnen haken bij collectieve pensioenregelingen, via een opt-in-systeem. Collectieve regelingen zijn goedkoper en
renderen beter. De NVJ onderzoekt momenteel samen met pensioenfonds PGB of zelfstandigen toegelaten kunnen worden tot het collectieve pensioen van PGB.

Netwerk

Om succesvol op te komen voor de belangen van alle werkers in de journalistiek is een nauwe band met de achterban van cruciaal belang. Zonder rugdekking vanaf de werkvloer kan de NVJ niet vanuit kracht onderhandelen. Dit vergt dat NVJ-vertegenwoordigers redacties blijven opzoeken en bouwen aan een netwerk. Maar ook dat redactieleden tijd krijgen voor overleg met de NVJ.
De inzet voor cao-onderhandelingen wordt afgestemd met leden en hun vertegenwoordigers (in de sectiebesturen). Daarnaast moeten de organizers op de werkvloer vrucht gaan afwerpen. Alleen zo kan in het sterk geconcentreerde medialandschap van Nederland de bereidheid gevonden worden gezamenlijk op te treden tegen werkgevers die de markt beheersen.


*Artikel 18 uit de architecten-cao:

De opdrachtovereenkomst (standaardbepaling)

Lid 1. Architectenbureaus (werkgevers) zijn met betrekking tot opdrachtovereenkomsten te beschouwen als opdrachtgever.

Lid 2. Architectenbureaus hanteren voor overeenkomsten van opdracht de algemene opdrachtovereenkomst/geen werkgeversgezag voor architectenbureaus zoals goedgekeurd door de belastingdienst.

Lid 3. Er is ook sprake van een opdrachtovereenkomst indien opdrachtnemer, als natuurlijk persoon een uurtarief in rekening brengt van tenminste 150% van het bruto uurtarief dat geldt voor werknemers voor vergelijkbare werkzaamheden in vergelijkbare omstandigheden. Indien minder wordt betaald ontstaat een vermoeden van werknemerschap. In zo’n geval wordt daar melding van gedaan bij de geschillencommissie. Die behandelt deze melding conform de reguliere geschillenprocedure zoals opgenomen in bijlage 6.