Transitievergoeding

De transitievergoeding is nieuw en vervangt de kantonrechtersformule (en de vergoeding op basis van kennelijk onredelijk ontslag). De transitievergoeding is in de wet vastgelegd en moet worden betaald:

  • als de arbeidsovereenkomst ten minste twee jaar heeft geduurd
  • is opgezegd na een ontslagprocedure bij het UWV
  • is ontbonden door de rechter
  • of van rechtswege is geëindigd door het aflopen van een tijdelijk contract. 

De transitievergoeding is dus niet verschuldigd als de werknemer zèlf ontslag neemt. De transitievergoeding maakt geen onderscheid tussen een einde via de ontbinding door de kantonrechter en een einde via opzegging na toestemming door het UWV. 

De transitievergoeding is niet verschuldigd voor jonge werknemers (onder 18 jaar) met een klein dienstverband (minder dan 12 uur), bij een einde aan het dienstverband op de pensioengerechtigde leeftijd, bij ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer en bij faillissement van de werkgever. Ook kent de wet nog een aantal overgangsregelingen. Bijvoorbeeld voor oudere werknemers en kleine werkgevers.

Hoogte transitievergoeding

Anders dan bij de vergoeding op basis van de  kantonrechtersformule (en de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag) op basis van het oude recht, is de hoogte van de transitievergoeding wettelijk geregeld. De wettelijke hoofdregel is dat de transitievergoeding over de eerste tien jaar van de arbeidsovereenkomst overeenkomt met 1/6 van het maandsalaris voor elke periode van 6 maanden dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd (feitelijk dus 1/3 maandsalaris per dienstjaar). Na een dienstverband van 10 jaar is de opbouw ¼ maandsalaris per 6 maanden (feitelijk ½ maand per dienstjaar).