Code voor de journalistiek, door het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren (2008)

Preambule

Een betrouwbare en pluriforme journalistiek is van het grootste belang voor de democratische samenleving, die niet goed kan functioneren zonder geïnformeerde burgers en een vrije uitwisseling van ideeën. In die open samenleving komt de journalist het recht op vrije nieuwsgaring toe, én de verantwoordelijkheid het nieuws waarheidsgetrouw, onafhankelijk, fair en met open vizier te brengen.

Waarheidsgetrouw

1. Bij het doorgeven van nieuws neemt de journalist de werkelijkheid zoals hij die aantreft en waarneemt als uitgangspunt. De verificatie van feiten en de weergave van uiteenlopende meningen belichaamt het journalistieke streven naar objectiviteit.

2. De journalist brengt in de berichtgeving een duidelijk onderscheid aan tussen feiten, beweringen en meningen.

3. De journalist gaat zorgvuldig en integer te werk en geeft daarvan ook blijk in zijn berichtgeving door verantwoording af te leggen over zijn journalistieke methoden.

4. In zijn berichtgeving baseert de journalist zich alleen op zijn eigen waarneming of op bronnen die hem bekend zijn of die hij betrouwbaar acht.

5. De journalist controleert de feiten in zijn berichtgeving en maakt die feiten waar mogelijk controleerbaar.

6. Bij het bewerken van nieuws, in tekst, geluid, beeld of combinaties daarvan (infografieken, animaties) maakt de journalist duidelijk waaruit zijn bewerking bestond.

7. De journalist die in zijn berichtgeving fictieve elementen verwerkt, door namen van betrokkenen te wijzigen of feiten te dramatiseren, legt daarvan telkens rekenschap af.

8. In columns, recensies, opiniërende berichten en vergelijkbare genres komt de journalist een grotere vrijheid toe dan in andere berichtgeving, waar het gaat om het controleren van feiten, het achterwege laten van wederhoor, en het door elkaar gebruiken van feiten en fictie.

9. De journalist die verwijst naar informatie van derden, door een ander medium als bron te noemen of door het aanbrengen van een hyperlink, doet dat openlijk en royaal, maar is daarmee niet per se verantwoordelijk voor de inhoud van de onderliggende informatie.

Onafhankelijk

10. De journalist verricht zijn werk in onafhankelijkheid en vermijdt (de schijn van) belangenverstrengeling.

11. De journalist zal, indien hij gebonden is aan enige politieke partij, belangenvereniging of bedrijf anders dan de uitgever van zijn eigen medium, daarvan in zijn berichtgeving telkens rekenschap geven indien dat voor de beoordeling van het bericht relevant is.

12. De journalist maakt geen misbruik van zijn positie.

13. De journalist neemt geen materiële of immateriële vergoedingen aan die bedoeld zijn berichtgeving te beïnvloeden, te bevorderen of tegen te gaan.

Fair

14. Bij het verzamelen, selecteren en bewerken van nieuws gaat de journalist fair te werk.

15. De journalist beschermt bronnen aan wie hij vertrouwelijkheid heeft toegezegd.

16. De journalist die zich baseert op anonieme bronnen moet aannemelijk maken dat zijn bronnen betrouwbaar zijn, de informatie niet op andere wijze kon worden verkregen en hij die zo goed mogelijk elders heeft geverifieerd.

17. Het zoeken naar hoor en wederhoor is een journalistiek basisprincipe. In het bijzonder bij het publiceren van beschuldigingen of verdachtmakingen aan het adres van een persoon of organisatie, past de journalist wederhoor toe. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid, liefst in dezelfde publicatie en zonder onredelijke tijdsdruk, te reageren op de aantijging.

18. De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van een open berichtgeving noodzakelijk is.

19. De journalist ontziet de privacy van slachtoffers, nabestaanden, patiënten maar ook van verdachten en daders door de algemene herkenbaarheid van betrokkenen in de berichtgeving te vermijden in al die gevallen waarin deze personen onevenredig nadeel van herkenbaarheid zullen ondervinden en voor zover het vermijden van herkenbaarheid niet in strijd is met het belang van een adequate berichtgeving.

20. De journalist publiceert geen tekst of foto’s en zendt geen audio-opnames of beelden uit die zijn gemaakt van personen in privé-situaties zonder toestemming van de betrokkene, tenzij met de publicatie een groot maatschappelijk belang is gediend.

21. De journalist gebruikt geen privé-documenten tenzij de betrokkenen daarvoor toestemming hebben gegeven, of met de publicatie een groot maatschappelijk belang is gediend.

22. De journalist van wie blijkt dat hij een onjuist bericht heeft gepubliceerd, zal een schadelijke onnauwkeurigheid, gevraagd of ongevraagd, op zo kort mogelijke termijn op royale wijze corrigeren.

Open vizier

23. De journalist verzamelt, selecteert en publiceert het nieuws zonder zich te verschuilen achter een andere dan zijn eigen identiteit, tenzij met die werkwijze een groot maatschappelijk belang is gediend.

24. De journalist maakt zichzelf en zijn methoden bij het verzamelen van informatie in beginsel als zodanig bekend.

25. De journalist lokt geen incidenten uit met de bedoeling nieuws te creëren. Hij lokt evenmin incidenten uit om een misstand te illustreren, tenzij daarmee een groot maatschappelijk belang is gediend.

26. Tenzij daarmee een groot maatschappelijk belang is gediend, neemt de journalist niet anoniem of onder pseudoniem deel aan discussies, op internet of in andere media indien er raakvlakken zijn tussen zijn gewone berichtgeving en zijn bijdragen aan die discussies.

27. De journalist steelt geen informatie en betaalt niet voor gestolen informatie.

28. De journalist maakt geen gebruik van onrechtmatig door derden verkregen informatie, tenzij met publicatie daarvan een groot maatschappelijk belang is gediend.

Toelichting

Deze toelichting bij de Code voor de Journalistiek, zoals in 2008 opgesteld door het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, wil duidelijk maken waarin en waarom de nieuwe code afwijkt van de code van het Genootschap uit 1995. Uiteraard zijn veruit de meeste aanpassingen terug te voeren op de opkomst van het internet als massaal gebruikt medium en op de sterk toegenomen participatie van het publiek, die dankzij internet mogelijk is geworden.

De code bouwt voort op beginselen zoals die door beroepsjournalisten zijn ontwikkeld, zowel nationaal (de Gedragscode voor Nederlandse journalisten van het Genootschap van Hoofdredacteuren uit 1995, de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek uit 2007) als internationaal (de Declaration of Principles of the Conduct of Journalists, beter bekend als de Code van Bordeaux, uit 1954, geamendeerd in 1986), maar is aangevuld met uitgangspunten en idealen zoals die zijn aangedragen van buiten de beroepsgroep. Daarbij is dankbaar gebruik gemaakt van de kritische suggesties die zijn gedaan nadat een eerste versie van de code werd gepubliceerd in december 2007.

De toelichting geeft uitleg over factoren die van belang zijn geweest bij het bepalen van de code zelf. Ze geeft een inkadering van het speelveld en een aanzet tot continuering van het debat binnen de beroepsgroep. De code zelf moet zonder de toelichting overeind kunnen blijven, net zoals bij de versie uit 1995 het geval was.

Waar in de code of in deze toelichting wordt gesproken van de journalist en zijn vak is telkens nadrukkelijk bedoeld: de journalist en zijn of haar vak.

I. Voor wie is deze code bedoeld?

De journalistiek is een vrij beroep. Het staat open voor iedereen, ongeacht of hij een professionele scholing of training als journalist heeft gehad en ongeacht of hij met zijn werkzaamheden een inkomen verdient. De Code voor de Journalistiek beoogt niet een toets te zijn voor de vraag of iemand zich journalist mag noemen, maar geeft ethische normen voor journalistiek handelen.

De Code voor de Journalistiek is bedoeld voor journalisten en niet-journalisten. De code heeft evenzeer een interne als een externe functie. Voor journalisten een houvast, of tenminste een uitgangspunt bij discussies; voor niet-journalisten, het publiek dus, een begin van verantwoording: hier willen journalisten op worden aangesproken.

De code is op geen enkele wijze bindend, noch zijn er sancties aan verbonden; dat zou immers in tegenspraak zijn met de vrije toegang tot de journalistiek en met de vrijheid van meningsuiting, zoals verwoord in artikel 7 van de Grondwet.

II. Wat is nieuws?

Nieuws is wat men nog niet wist voordat het nieuws er was. Het is het verslag van wat er gebeurde, of de aankondiging van wat staat te gebeuren. Wat nieuws is, wordt bepaald door actualiteit (hoe recenter het gebeurde, hoe nieuwswaardiger), nabijheid (hoe dichtbij speelt een gebeurtenis zich af, in geografisch of mentaal opzicht), controverse (mensen zijn geïnteresseerd in conflicten), bekendheid (publieke personen of bekende organisaties spelen vaker een rol in het nieuws dan anonymi), uitzonderlijkheid (wat vreemd, eigenaardig, ongebruikelijk is, de “man-bijt-hond”-factor), en impact (de mogelijke gevolgen van het nieuws bepalen mede de nieuwswaarde ervan). Onder nieuws wordt meer verstaan dan feitelijke verslagen. Een journalist brengt ook achtergronden, analyses en meningen bij het primaire nieuws.

III. Wat is “een duidelijk onderscheid”?

In de journalistiek wordt het onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen meestal aangebracht door genreaanduidingen (bijvoorbeeld: “commentaar”, “opinie”, “column”); waar die aanduidingen ontbreken, verwacht de lezer feitelijk nieuws. Bij nieuwe media wordt het onderscheid tussen genres minder vaak zo expliciet gemaakt. De lezer kan slechts vermoeden dat een weblog de persoonlijke meningen van een auteur bevat, omdat veel weblogs meer op columns lijken dan op feitelijke nieuwsberichten.

Dit wil niet zeggen dat de journalistiek de genrevervaging op internet kritiekloos moet accepteren. Nieuwsberichten op een nieuwssite kunnen zich niet de vrije toon veroorloven van een blog. Niettemin moeten journalisten leren leven met het feit dat weblogs journalistiek van aard kunnen zijn indien ze trouw blijven aan hun eigen, nieuw uitgevonden genre, zoals ook een goede column niet a-journalistiek hoeft te zijn.

IV. Waarom verantwoording?

In het verleden, toen internet nog geen massaal gebruikt medium was, was de professionele journalist in de regel de enige brenger van het nieuws. Nu zoveel mensen hun informatie niet meer doorgeven aan die journalist maar die zelf openbaar maken via het internet, is het aantal mogelijkheden om informatie te controleren sterk toegenomen. Dat geldt ook voor het nieuws zoals dat door de journalist wordt gebracht.

Doordat het publiek via de nieuwe media meer dan ooit meepraat en assertief is, zal de journalist, wil hij nog gehoord worden, meer dan voorheen verantwoording moeten afleggen over zijn werkwijze. Hij zal transparanter moeten zijn en kan niet meer volstaan met zich te beroepen op een traditie van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en integriteit zoals die “kleeft” aan zijn medium of aan “de professie”. Lezers volgen hem kritisch, raadplegen bronnen uit de eerste hand, en corrigeren hem.

V. Over databases, statistieken, peilingen en metabronnen

Traditioneel verstaat de journalist onder bronnen: zegslieden of publicaties van organisaties. Daarnaast is, versterkt met de opkomst van internet, een heel scala aan computergestuurde bronnen ontstaan. Klassieke enquêtes hebben zich ontwikkeld tot internetpeilingen waarvan de representativiteit misschien nog wel twijfelachtiger is dan dat voor de komst van internet het geval was. Van nog recentere datum is de databasegestuurde nieuwsselectie: een computer bepaalt wat nieuws is, en daarmee impliciet wat de waarde van dat nieuws is (hoe hoger een nieuwsfeit bij Google News, hoe belangrijker dat nieuws kennelijk is; hoe langer een lemma bij Wikipedia, hoe betrouwbaarder dat lemma kennelijk is).

De opkomst van al deze nieuwe bronnen verandert niets aan de ethische regel dat een journalist dient te beoordelen hoe betrouwbaar een bron is. Voor de dagelijkse praktijk heeft het wel consequenties: journalisten moeten zich ervan bewust zijn dat de wijze waarop dergelijke computergestuurde selectie plaatsvindt, vaak niet bij het publiek bekend is, en soms niet kan zijn omdat de technische methode geheim is (denk aan het PageRank-algoritme dat bepaalt hoe de zoekmachine van Google met meta-informatie, informatie over informatie, omgaat). Dit stelt hogere eisen aan de manier waarop journalisten hun bronnen beschrijven.

VI. Controleerbaarheid

Van oudsher is het controleren van feiten – “Is dit waar?” – een taak van de professionele journalist. Gezond wantrouwen en kritisch vermogen behoren tot zijn belangrijkste skills. Nu niet langer alleen professionele journalisten toegang hebben tot bronnen, moeten journalisten het controleren van feiten delen met niet-journalisten. Wie zich dat aantrekt, maakt meer werk van bronvermelding. Ook dat is een vorm van transparantie en accountability.

VII. Digitalisering

Naar mate journalisten meer en meer gebruik maken van digitale technieken, wordt het voor consumenten van nieuws lastiger te doorgronden waaruit de bewerking bestond. Tekst kan worden gekopieerd (waardoor soms sprake kan zijn van plagiaat), foto’s en videomateriaal worden bewerkt (waarbij de waarheid soms geweld wordt aangedaan). Lezers, luisteraars en kijkers moeten kunnen weten waaruit de bewerking bestond, te meer omdat een kleine maar groeiende groep nieuwsconsumenten juist heel wel in staat is de digitale bewerking te doorgronden, ofwel omdat ze over dezelfde techniek beschikken, ofwel omdat ze toegang hebben tot het onbewerkte bronmateriaal.

VIII. Docudrama en real-life soap

De gedramatiseerde documentaire en de soap met “echte spelers” (Big Brother is het bekendste voorbeeld) zijn genres die soms een journalistiek karakter hebben. Dergelijke moderne journalistieke producties kunnen heel waardevol zijn, omdat ze het nieuws en vooral achtergronden bij dat nieuws heel doeltreffend kunnen overbrengen. Feit en fictie lopen weliswaar door elkaar, maar in de regel begrijpt de consument wel waarmee hij te maken heeft. Omdat de grenzen in de niet-journalistieke media door de opkomst van digitale technieken en internet als platform vervagen, moeten journalisten meer dan voorheen het gebruik van fictieve elementen expliciet maken.

Zonder hyperlinks zou internet niet bestaan, maar voor journalisten brengen links twee soorten problemen met zich mee: de wijze waarop wordt gelinkt kan discutabel zijn, en de content waarnaar wordt gelinkt kan dat zijn.

De wijze waarop links worden aangebracht, kan schadelijk zijn voor de journalistieke integriteit. Links kunnen zodanig de oorspronkelijke bron maskeren, dat de indruk wordt gewekt dat de “onderliggende informatie” niet van een ander medium afkomstig is (framed links of inline links). Daardoor ontstaat iets wat sterk op plagiaat lijkt, of op parasitair gedrag.

Ook de content waarnaar wordt gelinkt, kan problematisch zijn. Los van eventuele civielrechtelijke of strafrechtelijke consequenties, zal een journalist een eigen morele afweging moeten maken bij het plaatsen van een link naar bijvoorbeeld kinderporno, illegaal gekopieerde muziek of een terroristisch handboek. Hij kan dan citeren zonder te verwijzen – zonder het adres van een website te geven – maar moet zich ervan bewust zijn dat wat hij verhult met een simpele zoekopdracht gevonden kan worden. Tenslotte kan hij ervoor kiezen bij een link een expliciete waarschuwing te plaatsen, zoals in de Verenigde Staten wel gebruikelijk is.

X. Bindingen

Ook traditionele nieuwsmedia brengen, nu de primaire nieuwsfeiten meestal al via internet zijn verspreid, steeds vaker achtergronden bij, commentaar op en analyses van het nieuws. Omdat moderne nieuwsconsumenten, gewend als ze raken aan het opiniërende karakter van weblogs en internetfora, ook van traditionele media verwachten dat ze het nieuws meer dan voorheen duiden, wordt het belangrijker dat journalisten openheid betrachten over hun bindingen, ook als die een privékarakter hebben. Hiermee erkent de code dat journalisten nog andere belangen kunnen dienen dan die van de journalistiek, hun medium en de waarheid zelf. Journalisten moeten een maatschappelijke rol kunnen vervullen buiten hun medium, maar dienen in hun berichtgeving onafhankelijk te zijn, of ten minste melding te maken van hun bindingen indien die relevant zijn. Het ligt voor de hand dat deze ethische norm juist ook van betekenis is voor journalisten van nieuwe media als weblogs.

XI. Verschoningsrecht

De Nederlandse wet kent geen verschoningsrecht voor journalisten. Toch kan een journalist die als getuige wordt opgeroepen in een rechtszaak zich met succes beroepen op zijn recht op bronbescherming als hij weigert de identiteit van een bron te openbaren omdat hij die informant vertrouwelijkheid heeft toegezegd. Dat is het gevolg van een uitspraak van het Europese Hof in de “Goodwin-zaak”, in 1996. Redenerend vanuit het recht op vrije nieuwsgaring oordeelde het Hof dat een journalist zijn bronnen niet hoeft prijs te geven, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waarin zwaarwegende algemene of individuele belangen in het geding zijn. De rechter bepaalt telkens in elke afzonderlijke zaak of dat al dan niet het geval is.

De spanning tussen het journalistieke belang van onbelemmerde nieuwsgaring en het justitiële belang van de waarheidsvinding in het opsporingsonderzoek is ook aan de orde wanneer de journalist gedwongen wordt beeld- en geluidsmateriaal af te staan aan justitie. Indien dat materiaal kan leiden tot de onthulling van de identiteit van een geheim te houden bron, valt het onder het recht op bronbescherming. De journalist zal het niet afgeven, tenzij – zoals met het Openbaar Ministerie is overeengekomen – het materiaal verzegeld is, zodat men bij de rechter bezwaar kan maken tegen inbeslagneming.

XII. Anonimisering

“Onevenredig nadeel van herkenbaarheid” ontstaat alleen als herkenbaarheid door een publicatie groter wordt dan ze al was. Doordat via internet veel informatie wordt verspreid door niet-journalisten die zich niet gebonden achten aan terughoudendheid, ontstaat de facto vaak een situatie waarin anonimisering geen doel meer dient; de betrokkene heeft inmiddels de algemene bekendheid die volgens de Raad voor de Journalistiek een grond kan zijn om de naam van een verdachte of veroordeelde toch te noemen (iets anders zou in de woordkeus van de Raad “belachelijk” zijn). Zo zijn de achternamen van de moordenaars van Pim Fortuyn en Theo van Gogh dankzij internet inmiddels algemeen bekend. Let wel: hiermee is niet gezegd dat alle verdachten voortaan altijd met naam en toenaam moeten worden genoemd, louter omdat er een kans bestaat dat hun anonimiteit ergens op internet wordt doorbroken. Het gaat erom dat het net ons in specifieke situaties voor voldongen feiten kan plaatsen. Een kans is niet hetzelfde als een feit.

XIII. Privacy en privé-websites

Met de opkomst van internet en de veel grotere mogelijkheden om informatie te publiceren, heeft privacy een andere betekenis gekregen. Op tal van websites publiceren mensen gegevens en beeldmateriaal dat voorheen strikt privé was. Tussen het particuliere en het openbare domein is een collectief domein komen te liggen. Journalisten mogen er van uitgaan dat informatie die door een betrokkene over zichzelf wordt gepubliceerd op bijvoorbeeld een vriendensite, bruikbaar is, ook al was deze niet bedoeld voor publicatie in een (ander) massamedium. Maar dat laat onverlet de plicht om af te wegen wat de gevolgen zijn voor personen die niet gewend zijn met publiciteit om te gaan.

XIV. Correcties, rectificaties en aanvullingen

Hergebruik van journalistieke publicaties via internet stelt de media voor nieuwe problemen. In het verleden werd een omissie gecorrigeerd met een rectificatie, en recenter steeds royaler in rubrieken met “correcties en aanvullingen”. Daarmee was de kous, althans voor de geschreven media, af. Nu publicaties dankzij nieuwe media lang na hun eerste verschijning beschikbaar blijven – via een digitaal archief of Uitzending Gemist of een zoekmachine als Google die ook artikelen bewaart die het medium al had gewist – wordt dat corrigeren ingewikkelder. Aan het ethische uitgangspunt verandert het niets.

XV. Verborgen camera’s en undercover journalistiek

In principe zegt een journalist dat hij journalist is en maakt hij bekend welke methodes hij gebruikt. Een verborgen camera of geluidsrecorder, webcam of datarecorder – waarmee iemands gangen op internet kunnen worden nagegaan – zijn slechts in bijzondere omstandigheden toegestaan, zoals ook het opnemen van een telefoongesprek in beginsel aan de betrokkene bekend moet worden gemaakt. Undercover journalistiek is alleen toegestaan indien daar een groot maatschappelijk belang mee is gediend. De journalist moet duidelijk maken welk belang zijn methoden rechtvaardigde en aannemelijk maken dat er geen andere mogelijkheid was de informatie te verkrijgen.

XVI. Anonieme bijdragen van journalisten

Journalisten vonden het doorgaans not done om zich in het eigen of een concurrerend medium anoniem of onder valse naam over het nieuws uit te laten, met andere woorden: te doen alsof een willekeurige lezer aan het woord is. Door de opkomst van internet is “meepraten over het nieuws” veel algemener geworden dan voorheen, terwijl anoniem reageren de breed geaccepteerde norm is. Desondanks moeten journalisten vermijden dat de indruk kan ontstaan dat ze naar willekeur anders dan met open vizier te werk gaan. Alleen indien het onderwerp van discussie ver genoeg afstaat van zijn journalistieke werk, en de schijn van valse voorwendselen afwezig is, kan hij aan zo’n discussie deelnemen, desgewenst anoniem.

Je bent gratis lid van de NVJ zolang je studeert!

Word lid en:

  • Vraag je Studentenperskaart aan
  • Neem deel aan het Mentorenprogramma
  • Maak gebruik van Villamedia
  • Ontvang 20% korting op trainingen
Gratis lid worden